Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1803

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
21-002154-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: vernietiging vonnis politierechter wegens procesverzuim en terugwijzing zaak

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en de zaak terugverwezen. De raadsman van de verdachte had geen afschrift van de stukken ontvangen en was niet op de hoogte van de behandeling in eerste aanleg, waardoor ook de verdachte niet tijdig geïnformeerd was. Dit leidde tot een te late instelling van het hoger beroep.

De verdediging beriep zich op het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:938) en stelde dat de verdachte recht heeft op berechting in twee feitelijke instanties. De advocaat-generaal stelde zich op het standpunt dat de zaak inhoudelijk behandeld moest worden, omdat de dagvaarding en betekening rechtsgeldig waren.

Het hof oordeelde dat de politierechter niet aan de inhoudelijke behandeling had mogen toekomen vanwege het verzuim om de raadsman te informeren over de zittingsdatum. Gelet op de kernroljurisprudentie van de Hoge Raad leidt dit tot vernietiging van het vonnis en terugwijzing van de zaak naar de politierechter voor een nieuwe behandeling met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en wijst de zaak terug naar de politierechter voor nieuwe behandeling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002154-25
Uitspraakdatum: 10 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 3 april 2025 met parketnummer 16-275373-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van:
  • het op de zitting van het hof naar voren gebrachte standpunt van de raadsman, dat strekt tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland en;
  • de reactie daarop van de advocaat-generaal, inhoudende dat de advocaat-generaal zich verzet tegen terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

Vernietiging vonnis politierechter en terugwijzing

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de zaak moet worden teruggewezen naar de rechtbank Midden-Nederland. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat hij zich in eerste aanleg heeft gesteld als advocaat van cliënt, maar geen parketnummer en geen afschrift van de stukken in het daarvoor bestemde systeem heeft ontvangen. Als gevolg hiervan was de raadsman niet op de hoogte van de behandeling van de zaak in eerste aanleg bij de rechtbank. Daarnaast was zijn cliënt ook niet op de hoogte van de behandeling van de zaak in eerste aanleg. Als gevolg hiervan is het appel pas op 7 mei 2025 ingesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman verwezen naar het arrest van de Hoge Raad met ECLI-nummer ECLI:NL:HR:2021:938.
Tevens voert de raadsman aan dat, hoewel er sprake is van een geldige OM betekening, er geen enkel stuk in persoon aan cliënt is betekend en hij daardoor niet op de hoogte was van de behandeling van zijn strafzaak. Cliënt heeft hierdoor de behandeling van zijn strafzaak bij de eerste feitelijke instantie gemist. De verdediging wenst een berechting in twee feitelijke instanties.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak inhoudelijk behandeld dient te worden. Hiertoe voert zij aan dat er sprake is van een geldige dagvaarding in eerste aanleg. Daarnaast is er sprake van een geldige betekening daarvan aan verdachte. Dat dit een OM betekening betreft in plaats van een betekening in persoon aan verdachte, doet daar niet aan af.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen. Ter onderbouwing van het standpunt dat strekt tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank heeft de raadsman uiteengezet op welke manieren hij zowel het arrondissementsparket Midden-Nederland als de rechtbank Midden-Nederland kennis heeft gegeven van zijn optreden als raadsman van de verdachte in onderhavige strafzaak. Op basis van voorgaande is het hof van oordeel dat de raadsman in redelijkheid voldoende inspanningen heeft verricht om het openbaar ministerie en de rechtbank kennis te geven van zijn bijstand aan verdachte. Op grond van de aanwezige stukken in het dossier moet worden vastgesteld dat is verzuimd de raadsman te informeren over de dag van de terechtzitting van de politierechter, terwijl zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was.
Gelet op de zogenoemde kernroljurisprudentie van de Hoge Raad verbindt het hof aan dat verzuim het rechtsgevolg dat het vonnis van de politierechter wordt vernietigd en dat de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank Midden-Nederland.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. J. Dolfing en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.