Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1765

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.358.511
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beschikking rechtbank over verdeling huwelijksvermogen en proceskosten bij echtscheiding met Turks huwelijksvermogensrecht

Partijen zijn in 1990 gehuwd onder Turks recht en zijn in 2023 gescheiden. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en bepaalde dat het Turks huwelijksvermogensrecht van toepassing is, met een verwervingsdeelneming. De rechtbank bepaalde onder meer dat de man aan de vrouw betalingen moest doen wegens contant geld dat hij aan zijn zuster in bewaring had gegeven, en verrekening van geld en sieraden in een kluis.

Beide partijen kwamen in hoger beroep tegen delen van deze beschikking. De man stelde dat er sprake was van dubbeltelling bij het contante geld en verzocht om vernietiging van bepaalde betalingsverplichtingen. De vrouw stelde dat de man zwarte inkomsten had achtergehouden en dat de gouden sieraden in de kluis deels van hem waren. Ook waren er geschillen over woonlasten en de draagplicht voor schulden wegens teveel ontvangen huurtoeslag.

Het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende had onderbouwd dat de man zwarte inkomsten had en dat de gouden sieraden aan hem toebehoorden. Ook was er geen duidelijkheid over de exacte bedragen die de man aan zijn zuster in bewaring had gegeven, waardoor de vorderingen op dat punt faalden. Over de woonlasten kon het hof geen oordeel geven vanwege gebrek aan inzicht in de kosten. De draagplicht voor de huurtoeslagschulden werd toegewezen aan de vrouw. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking van de rechtbank voor zover aan zijn oordeel onderworpen en wees het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank over de verdeling van het huwelijksvermogen en wijst de meeste grieven af, met compensatie van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.358.511 en 200.358.547
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 567970)
beschikking van 24 maart 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. N.J. Hos,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Yücel.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 augustus 2024 en 30 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Beide partijen zijn ieder afzonderlijk van de beschikking van 30 mei 2025 in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van de man heeft zaaknummer 200.358.511 en het hoger beroep van de vrouw heeft zaaknummer 200.358.547. De beide zaken worden gezamenlijk behandeld en beoordeeld.
2.2
Het verloop van de procedure in zaaknummer 200.358.511 blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 1 tot en met 4, ingekomen op 28 augustus 2025;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 5;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep.
2.3
Het verloop van de procedure in zaaknummer 200.358.547 blijkt uit:
- het beroepschrift, tevens houdende eisvermeerdering en aanvulling middelen en/of
gronden, ingekomen op 28 augustus 2025;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 5.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 26 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren partijen en hun advocaten aanwezig. Ieder van partijen werd ook bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 1990 gehuwd op het Turkse consulaat in [plaats1] .
3.2
De vrouw heeft op 31 augustus 2023 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan. Nadien hebben partijen hun verzoeken aangevuld.
3.3
Bij de beschikking van 23 augustus 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 25 april 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te [plaats2] , waardoor het huwelijk is geëindigd.
3.4
De rechtbank heeft in de beschikking van 23 augustus 2024 niet alleen de echtscheiding uitgesproken, maar ook bepaald dat de man huurder zal zijn van de voormalig echtelijke woning in [woonplaats] en dat de man aan de vrouw € 521 per maand kinderalimentatie moet betalen. De rechtbank heeft verder overwogen dat op het huwelijksvermogen van partijen het Turks recht van toepassing is en dat sprake is van een Turkse verwervingsdeelneming. Nu partijen echter in hun verzoeken zijn uitgegaan van een Nederlandse gemeenschap van goederen heeft de rechtbank de beslissing over de verdeling/afwikkeling van het huwelijksvermogen aangehouden, met het verzoek aan de advocaten om de verzoeken aan te passen en te onderbouwen naar Turks huwelijksvermogensrecht.
3.5
Daarna hebben beide partijen zich bij akte uitgelaten over de afwikkeling naar Turks recht.
3.6
Bij de beschikking van 30 mei 2025 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
  • de man veroordeeld om € 5.000 aan de vrouw te betalen (wegens aan zijn zuster in bewaring gegeven geld);
  • bepaald dat de man € 8.500 aan de vrouw moet betalen als verrekening van het geld dat in de kluis ligt;
  • de man veroordeeld € 4.165 aan de vrouw te betalen voor betaalde huur en Eneco vanaf de peildatum.
Verder is bepaald dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen en zijn de verzoeken van partijen voor het overige afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil:
het door de man aan de vrouw te betalen bedrag wegens bij zijn zuster in bewaring gegeven gelden;
of de enveloppe met € 7.000 in de kluis behoort tot de te verrekenen verwervingen van de man;
of de goudkleurige/gouden sieraden in de kluis behoren tot de te verrekenen verwervingen van de man en of de man (zwarte) inkomsten heeft achtergehouden;
verrekening van woonlasten;
de draagplicht van schulden wegens teveel ontvangen huurtoeslag.
4.2
De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen onder zaaknummer 200.348.511 en de vrouw heeft onder dat zaaknummer incidenteel hoger beroep ingesteld en daar vier grieven geformuleerd. De vrouw heeft ook een zelfstandig hoger beroep ingesteld (zaaknummer 200.348.547) en daar nog eens vier grieven geformuleerd.
4.3
De man verzoekt het hof de beslissingen van de rechtbank in de bestreden beschikking onder 4.1 (betaling aan de vrouw van € 5.000) en 4.3 (betaling aan de vrouw van € 4.165) te vernietigen en:
  • te beslissen dat de vrouw aan hem € 1.543,47 dient te betalen voor de betaalde huur over de periode september 2024 tot en met februari 2025; en
  • te beslissen dat de vrouw het bedrag wat ze uit hoofde van de beschikking van de rechtbank na vernietiging door het hof van delen van die beschikking ten onrechte heeft ontvangen, te weten € 9.165, moet terugbetalen aan de man, althans een zodanig bedrag dat het hof juist acht.
Kosten rechtens.
4.4
De vrouw verzoekt het hof de verzoeken van de man af te wijzen, de bestreden beschikking deels te vernietigen en:
(
in zaaknummer 200.358.547)
  • de man te veroordelen
  • te man te veroordelen inzage te geven in zijn agenda’s van de jaren 2019 tot en met 2021 op straffe van het verbeuren van een dwangsom;
  • de verwervingsdeelnemingen op grond van de inzichten uit die agenda’s te verrekenen, waarbij de man zijn aandeel verbeurt;
  • de man te veroordelen € 20.000 aan te vrouw te betalen wegens de door de man aan zijn zuster in bewaring gegeven gelden;
  • te bepalen dat een onderzoek door een (schrift)deskundige dient plaats te vinden, waarvan de kosten voor de man zijn of, subsidiair, voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komen;
  • met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties en in de beslagkosten;
(in
zaaknummer 200.358.511, het incidenteel hoger beroep)
  • te bepalen dat de man in de interne verhouding draagplichtig is voor de teveel ontvangen huurtoeslag in 2024;
  • de man te veroordelen om aan de vrouw € 263 te betalen wegens terugbetaalde huurtoeslag over 2023;
  • de man te veroordelen de helft van het contante bedrag van € 20.000 dat hij aan zijn zus in bewaring heeft gegeven aan de vrouw te betalen;
  • te bepalen dat de vrouw zich op 21 januari 2025 heeft uitgeschreven van het adres van de huurwoning;
  • de man te veroordelen om € 5.305,89 aan de vrouw te betalen voor betaalde huur en Eneco lasten.
5. De motivering van de beslissing
5.1
Geen van partijen komt op tegen de vaststelling dat Turks recht van toepassing is ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen en dat tussen partijen sprake is van een verwervingsdeelneming naar Turks recht, zodat hof daar vanuit zal gaan. De rechtbank heeft in de beschikking van 23 augustus 2024 de systematiek van een dergelijke deelneming uitgelegd. Het komt er in hoofdlijnen op neer dat iedere echtgenoot twee vermogens heeft: een persoonlijk vermogen en verwervingen. Verwervingen zijn tijdens het huwelijk om baat verkregen vermogensbestanddelen, in het bijzonder de inkomsten uit arbeid, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen voor verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen en vervangende vermogensbestanddelen. Bij echtscheiding worden de verwervingen tussen de ex-echtelieden verrekend.
a. de door de man bij zijn zuster in bewaring gegeven gelden
5.2
Uit het procesdossier en het op de mondelinge behandeling verhandelde ten aanzien van de kluis blijkt als volgt. De kluis is in [plaats3] . Volgens een overgelegde huurovereenkomst is de man op 3 mei 2022 hoofdhuurder van deze kluis en [naam1] (het nichtje) medehuurder. Uit een eveneens overgelegde ‘Wijziging tenaamstelling huurovereenkomst’ van 25 juli 2022 is het nichtje vanaf dan de enige huurder (hoofdhuurder). De man was volgens een ‘Machtiging Safeloket’ van diezelfde datum gemachtigd om de kluis te bezoeken en het hof heeft begrepen dat de man ook een sleutel van de kluis had. De vrouw heeft conservatoir maritaal beslag laten leggen op de inhoud van de kluis, waartoe haar bij beschikking van de voorzieningenrechter van 17 juni 2024 verlof is verleend. De deurwaarder heeft de inhoud van die kluis op 5 juli 2024 beschreven in een proces-verbaal. Daaruit blijkt dat zich in die kluis op dat moment vijf enveloppen bevonden met in totaal € 17.000 in contant geld. Verder lagen er in de kluis een tasje met € 7.000 in contanten en drie tasjes en een doosje met daarin diverse goudkleurige sieraden.
Op 26 augustus 2025 heeft de deurwaarder uit hoofde van een beschikking van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2025 de kluis nogmaals bezocht om een over te gaan tot een nadere beschrijving van de inhoud van de kluis, maar trof die toen leeg aan.
5.3
Het hof heeft de eerste grief (A) van de man, na ook zijn toelichting ter zitting en de beantwoording van de door het hof gestelde vragen, als volgt begrepen. De man heeft van zijn broer € 20.000 geleend voor het geval hij dat in de toekomst nodig mocht hebben; voor slechte tijden. Van dat geleende geld heeft hij € 10.000 in contanten aan zijn zuster in bewaring gegeven. Die heeft dat geld gedeponeerd in een kluis bij de Nederlandse Kluis, welke kluis op naam van het nichtje van de man staat (hoofdhuurder) en waartoe ook de man zelf als gemachtigde toegang heeft. De rest van het van zijn broer geleende geld heeft hij voor een gedeelte gebruikt en het daarna nog resterende bedrag in contanten ook in die kluis gelegd. Aldus lag er € 17.000 in contanten in de kluis, ten aanzien waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat dit tot de te verrekenen verwervingen van de man behoorde. De rechtbank heeft daarom bepaald dat de man de helft daarvan, ofwel € 8.500 aan de vrouw moet voldoen. De rechtbank heeft daarnaast echter ook bepaald dat de man de helft van de bij zijn zuster in bewaren gegeven € 10.000 aan de vrouw moet voldoen. Maar daardoor is volgens de man sprake van een dubbeltelling; die € 10.000 maakt volgens hem immers al onderdeel uit van de € 17.000 die in de kluis lag en waarvan hij de helft aan de vrouw heeft betaald.
5.4
De vrouw betwist die stellingname van de man. De man heeft dat niet onderbouwd en bewezen. Het is volgens de vrouw een pertinente leugen. En als die € 10.000 al in de kluis was gelegd, dan zou er meer in moeten liggen dan de € 24.000 (hof: € 17.000 + € 7.000) die nu is aangetroffen. Bovendien heeft de man geen € 10.000 bij zijn zus in bewaring gegeven, maar minstens € 20.000. De vrouw dient dus € 10.000 te ontvangen en geen € 5.000 en deze stelling heeft ze in haar eerste grief in het incidenteel hoger beroep (zaaknummer
200.358.511) nog eens herhaald. In haar derde grief in zaaknummer
200.358.547stelt de vrouw dat de man in zijn ‘akte nadere uitlating’ bij de rechtbank heeft erkend dat in zijn aantekeningen in een agenda € 20.000 staat ten aanzien van het geld dat hij in bewaring zou hebben gegeven bij zijn zuster. In de grief stelt de vrouw dat de man € 20.000 aan de vrouw moet afdragen. De rechtbank heeft ten aanzien van de aantekening van de man overwogen dat daar een ‘1’ (€ 10.000) staat en geen ‘4’ (€ 40.000) zoals de vrouw stelde. Daar is ze het niet mee eens en de vrouw biedt daarvan expliciet bewijs aan door het inschakelen van een deskundige om dat vast te stellen.
5.5
Het hof kan uit de stukken en de verklaringen ter zitting aan de zijde van de vrouw geen eenduidige stellingname afleiden ten aanzien van de door de man aan zijn zuster in bewaring gegeven gelden. Zo verzoekt de vrouw in het hoger beroep in zaaknummer
200.358.547om de man te veroordelen € 20.000 aan haar te betalen wegens de door de man aan zijn zuster in bewaring gegeven gelden, terwijl zij in het incidenteel hoger beroep in zaaknummer
200.358.511verzoekt om de man te veroordelen
de helftvan het contante bedrag van € 20.000 wat aan zijn zus in bewaring heeft gegeven aan de vrouw te betalen. Desgevraagd heeft de advocaat van de vrouw gezegd dat het om de helft van de € 20.000 gaat die hij in bewaring heeft gegeven aan zijn zuster. Op de zitting is echter ook door de vrouw gesteld dat de man € 30.000 tot € 40.000 aan zijn zuster heeft gegeven. In het telefoongesprek tussen de vrouw en [naam3] en [naam1] heeft de vrouw het weer over € 40.000 en € 10.000:
[verweerster] : Het zit zo... Ze hebben me met leugens en bedrog voor een gek aangezien. Ik zou geen vrouw zijn geweest, ik zou geen moeder zijn geweest, ze hebben me bedrogen, daarna vertrouwde hij me niet, en bracht en gaf hij het aan zijn zus. Hij heeft de 40 duizend gegeven, de 10 duizend gegeven, en het geld in de kluis zou broer [naam2] zogenaamd aan hem hebben gegeven. Zo van: 'Voor als je krap komt te zitten'. Wie geeft er nou 20 duizend euro aan een ander?
Uit het vorenstaande blijkt dat de vrouw inconsistent is in haar stellingen over de hoogte van de door de man aan zijn zus gegeven bedragen. Dat leidt tot het oordeel dat zij, in het licht van de betwisting van de man, onvoldoende duidelijk heeft gesteld welke vordering zij nu precies instelt en met welke feiten en omstandigheden zij haar -inconsistente- vordering onderbouwt. De vrouw heeft daarmee niet aan haar stelplicht voldaan. Het hof komt daarom ook niet toe aan het bewijsaanbod van de vrouw in deze om een (schrift)deskundige in te schakelen. Het hof zal de verzoeken van de vrouw op dit onderdeel afwijzen.
5.6
Het hof zal ook het verzoek van de man op dit punt afwijzen. Zijn stellingen worden door de vrouw uitdrukkelijk betwist, waartegenover de man deze ook niet nader onderbouwd heeft. De vorderingen komen het hof bovendien onwaarschijnlijk voor. Het hof ziet niet in wat de ratio is om € 20.000 in contanten te lenen van zijn broer ‘voor moeilijke tijden’ om daarvan € 10.000 in bewaring te geven aan zijn zuster, die dit vervolgens in de kluis legt op naam van het nichtje van de man - tot welke kluis de man als gemachtigde ook zelf toegang heeft - om vervolgens zelf het restant van het geleende geld ook in weer diezelfde kluis te leggen. Grief A van de man faalt ook. Het hof zal dus de beslissing van de rechtbank op dit punt in stand laten.
b. behoort de enveloppe met € 7.000 in de kluis tot de te verrekenen verwervingen van de man
5.7
In haar eerste grief in zaaknummer
200.358.547stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het zakje met € 7.000 in contanten niet aan de man toebehoort, maar aan de vader van zijn nichtje. De vrouw wijst daarbij op een transcript van een telefoongesprek wat zij met het nichtje [naam1] en dier vader [naam3] heeft gehad. Daaruit volgt volgens haar dat de € 7.000 ook tot de te verrekenen verwervingen van de man behoort. De man betwist dat. De vrouw heeft volgens hem niet het transcript van het gehele gesprek overgelegd, maar slechts fragmenten. De man legt een transcript van het hele gesprek over en daaruit blijkt volgens hem dat het geld van [naam3] is.
5.8
Het hof overweegt als volgt. De stelling van de vrouw dat de € 7.000 niet van [naam3] , maar van de man is, is door de man weersproken en door de vrouw niet onderbouwd. Het transcript van het telefoongesprek waar zij naar verwijst toont naar het oordeel van het hof juist aan dat dit geld wél van [naam3] is. Uit het door de man overgelegde (vertaalde) transcript van het gesprek blijkt dat onder meer het volgende is gezegd:
[naam3] : Dat geld is van mij, ze hebben toch per ongeluk mijn tanden getrokken.
[verweerster] : Hm-Hm
[naam3] : Ik wilde mijn boventanden laten trekken, maar ze hebben ook mijn ondertanden getrokken.
[verweerster] : Hm-Hm
[naam3] : Ik heb ze voor de rechter gedaagd en 7000 euro van ze gekregen. Het geld is te bewijzen. Het ziekenhuis heeft het geld overgemaakt. Het staat op mijn rekening en mijn advocaat heeft het ook. Ik heb het geld daar vandaan gekregen. Ik wilde het geld gebruiken om mijn tanden te laten maken.
[verweerster] : Hm-Hm
[naam3] : Maar later kon ik niet gaan. We hebben het geld in de kluis gelegd. Ik wist ook niet eens dat ze een kluis hadden.
(…)
[naam3] : Ik bemoei me daar niet mee. Ik heb daar € 7.000 euro, het is te bewijzen.
(…)
[verweerster] : Luister ik geloof je zwager. Eerst geloof ik in Allah, daarna geloof ik in jou. Ik zal niet aan je geld komen.
(…)
[naam3] : Zal ik je wat zeggen? Je moet zelf weten of je het wel of niet geeft. Ik heb daar 7.000 euro, mijn eigen geld. Als je het wilt mag je het opmaken, ik krijg het wel in het hiernamaals.
[verweerster] : Nee, ik zeg het je toch, zwager? Ik vertrouw eerst op Allah en dan op jou. Je zei toch het is van mij? Oké, dan is het geld van jou.
[naam3] : Ik kan het bewijzen. Er zijn hier geen leugens of (valse) getuigen bij.
[verweerster] : Nee, je hoeft het niet te bewijzen. Jouw eerlijkheid [nvt.] ik zeg ‘oké’ tegen één woord van jou.
(…)
[verweerster] : Wat heb ik je gezegd? Ik geloof eerst in Allah en dan in jou. Die 7.000 euro is van jou…is oké.
Hieruit blijkt voor het hof dat de € 7.000 van [naam3] is; in het telefoongesprek bevestigt de vrouw dat zelfs aan [naam3] . De grief faalt.
c. behoren de goudkleurige/gouden sieraden in de kluis tot de te verrekenen verwervingen van de man en heeft de man (zwarte) inkomsten achtergehouden
5.9
Het hof heeft mede naar aanleiding van bevraging van de vrouw en haar advocaat begrepen dat de vrouw ten aanzien van de gouden sieraden in de kluis zich op het volgende standpunt stelt (grief II van de vrouw in zaaknummer
200.358.547en daarmee samenhangende vermeerdering van eis):
De man heeft een rijschool. In zijn agenda’s staan de lesafspraken vermeld. Op basis van de daarin vermelde afspraken zou zijn inkomen hoger moeten zijn dan hetgeen hij in zijn aangiftes inkomstenbelasting heeft opgegeven. De man heeft dus inkomsten buiten de boeken gehouden en dit (zwarte) geld in enveloppes op de zonderkamer bewaard. De vrouw schat dat dit over de jaren heen om een bedrag van in totaal € 176.587 gaat. Van dit geld is volgens de vrouw door de man op enig moment goud (gouden sieraden) gekocht. Dat is een deel van de gouden sieraden die zich in de kluis bevonden en door de deurwaarder in diens proces-verbaal is vermeld. De andere gouden sieraden zijn van de familie van de man. De man heeft de door hem gekochte sieraden achtergehouden en dient daarom primair aan de vrouw € 176.587 te betalen, of de tegenwaarde in goud (en sieraden). Ook in dit kader wijst de vrouw weer op fragmenten uit het voormelde telefoongesprek.
5.1
De man betwist dat hij zwarte inkomsten had en ook dat (een deel van) de gouden sieraden in de kluis tot zijn te verrekenen verwervingen zouden behoren. De vrouw baseert haar berekeningen op de agenda’s van de man, maar dat zijn slechts aantekeningen van de man over lestijden. Afspraken werden geannuleerd, verschoven of er werd korting gegeven op de lesprijs. De agenda’s zijn niet zijn boekhouding, die werd gedaan door een boekhouder op basis van zijn inkomen. Er is niet ‘gesjoemeld’ en er is ook geen sprake van zwarte inkomsten. Op de zolderkamer lagen vier enveloppen met in ieder een bedrag van € 2.500, samen € 10.000, en dat was het geld dat hij aan zijn zuster in bewaring heeft gegeven en wat in de kluis lag op 5 juli 2024 zoals blijkt het uit proces-verbaal van de deurwaarder. De sieraden zijn van de familie van de man en dat blijkt uit het telefoongesprek waarvan de man het gehele transcript heeft overgelegd.
5.11
Het hof overweegt als volgt. Op de mondelinge behandeling bleek dat de vrouw haar stelling baseert op het naast elkaar leggen van het proces-verbaal van de deurwaarder en het transcript van het telefoongesprek wat zij had met [naam3] en [naam1] . In dat telefoongesprek wordt gesproken over gouden sieraden uit de kluis en worden specifieke sieraden genoemd die van de familie van de man zijn. Daaruit leidt de vrouw af dat de in dat gesprek niet genoemde sieraden van de man zijn die volgens haar met niet opgegeven inkomsten zijn aangeschaft. Naar het oordeel van het hof is dat een conclusie van de vrouw die voornamelijk lijkt gebaseerd op haar verdenkingen tegen de man, maar niet wordt gesteund met concrete feiten. Dat er in het telefoongesprek over bepaalde sieraden is gesproken die toebehoren aan de familie van de man is in elk geval een onvoldoende basis. Temeer omdat niet duidelijk is welke sieraden er nog meer in de kluis lagen. In het proces-verbaal worden namelijk niet alle afzonderlijke sieraden benoemd, er staat enkel in dat zich in de kluis drie tasjes en een doosje bevonden met daarin ‘diverse goudkleurige sieraden’. Bovendien blijkt uit (de volledige transcriptie van) het telefoongesprek naar het oordeel van het hof niet dat er goud in de kluis was dat toe behoorde aan de man. In het telefoongesprek is onder meer het navolgende over het goud gezegd:
[naam1] : Er zat goud van mijn moeder in
[verweerster] : Ja
[naam1] : Zoals mijn vader zei, het is zowel het goud dat hij zelf had gespaard als het goud waar jij ook van afweet. En dan nog iets. Mijn oom [naam2] [moederszijde] heeft een aantal stuks ervan gegeven omdat zijn zoon in Duitsland ging trouwen, en wij hebben die hier voor hem bewaard omdat hij in Turkije verblijft. Omdat zijn zoon hier ging trouwen.
(…)
[naam1] : Het is van mijn oom [naam2] en van mijn moeder.
(…)
[verweerster] : [naam1] , wie zijn die twee anderen meid?
[naam1] : Schoonzus, ik heb het je toch gezegd. Ik zei dat er goud van mijn moeder in ligt.
[verweerster] : Ja, van je moeder.
(…)
[naam1] : Oké. Schoonzus, mijn moeder heeft ze in verschillende tasjes gedaan, maar er is niemand anders. Maar ze heeft ze zo in die tasjes gedaan, zodat ze erin zouden passen, in make-up tasjes.
(…)
[naam1] : (…) Dat is de waarheid. Dat goud is van mij. Van mij en mijn moeder.
[verweerster] : Een ervan is van je oom [vaderszijde]. Je oom [moederszijde].
[naam1] : Ik heb niet gezegd dat het van mijn oom [vaderszijde] was, ik heb niet gezegd dat het van mijn oom [vaderszijde] was. Ik heb mijn oom er nooit bij betrokken.
[verweerster] : Je zei toch van mijn oom [moederzijde]?
[naam1] : Mijn ook in Duitsland, ja
(…)
[naam1] : Maar luister schoon, ik hoef je geen verantwoording af te leggen van ‘die en die heeft er zoveel goud in liggen’
[verweerster] : Nee, nee. Ik weet het al, ik weet van het goud van je moeder.
[naam1] : Oké
[verweerster] : Jij hebt hooguit een paar kettingen, of zoiets. Dat is geen probleem. Maar ..
(…)
[verweerster] : Die twee personen moeten alleen zeggen: ‘Dat goud is van mij. Ik zweer op mijn geloof en mijn eer dat dat goud van ons is. Het ligt in de kluis van [naam1] of in de kluis van haar oom of in de kluis van haar moeder’, en dan zal ik dat niet aanraken, zelfs geen cent.
[naam1] : Schoonzus, of je nou wel of niet in hoger beroep gaat, dat moet jij weten. Je kunt het naar mij sturen, ik laat het aan mijn vader zien. Ik heb je antwoord gegeven op je vraag.
Uit het hele telefoongesprek, waaruit bovenstaande fragmenten komen, blijkt het hof niet dat er ook goud of gouden sieraden van de man in de kluis lagen, of dat daarvoor concrete aanwijzingen waren. Het enkele feit dat er geld van de man in lag en hij gevolmachtigde was, is niet een voldoende concrete aanwijzing daarvoor.
Dat de rechtbank ten aanzien van de kinderalimentatie door de rechtbank van een bepaald(e) inkomen/verdiencapaciteit van de man is uitgegaan, is ook onvoldoende om te komen tot de stelling dat de man € 176.587 aan zwart geld zou hebben liggen en daar goud van heeft gekocht. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof, tegenover ook de betwisting van een en ander door de man, te weinig feiten aangevoerd ter onderbouwing van haar stellingen zoals hiervoor geschetst. Feitelijk baseert ze haar stelling op vermoedens, maar dat is te weinig om als grondslag te dienen. Dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan betekent dat het hof niet toekomt aan het door haar gedane bewijsaanbod tot het horen van diverse getuigen.
Grief II van de vrouw faalt.
d. verrekening van de woonlasten
5.12
Beide partijen hebben grieven geformuleerd ten aanzien van de woonlasten. Beiden komen daarbij tot de conclusie dat zij van de ander nog geld moeten ontvangen, wegens door hen teveel betaalde woonlasten en andere kosten van de huishouding.
5.13
Het hof kan daar eerst op beslissen als duidelijk is wat de kosten van de huishouding waren, woonlasten daaronder begrepen, in de periode waarover partijen willen verrekenen en wie in welke verhouding was gehouden die kosten te voldoen. Vervolgens dient dan komen vast te staan wie welke kosten heeft voldaan om vervolgens tot een oordeel te komen of de een aan de ander nog een bedrag dient te voldoen. Partijen nemen daar over en weer stellingen over in, die door de ander weer worden betwist. Het hof heeft geen inzage in het totaal van de woonkosten/overige kosten van de huishouding en kan daarom ook niet vaststellen of een van partijen meer heeft betaald aan die kosten dan zijn of haar deel. Het is aan partijen zelf om elkaar daar over en weer inzage in te geven en te bepalen of de een aan de ander nog een bedrag dient te voldoen wegens teveel betaalde lasten. Dit houdt in dat grief B van de man en grief II van de vrouw falen. Het hof zal de beslissing van de rechtbank in stand laten, nu geen van partijen het hof met een goede onderbouwing heeft kunnen overtuigen dat dit anders zou moeten.
5.14
In haar grief IV in zaaknummer
200.358.547stelt de vrouw enkel dat de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de woonlasten dient te worden bekrachtigd. Het hof ziet deze grief niet als een grief gericht tegen de beschikking van de rechtbank, maar als een verzoek. In haar grief II in zaaknummer
200.358.511stelt de vrouw echter dat de man haar € 5.305,89 moet betalen inzake de woonlasten en verzoekt ze het hof de man daartoe te veroordelen. De vrouw heeft dus ook op dit punt twee verschillende verzoeken. Zoals hiervoor al overwogen, zal het hof de beslissing van de rechtbank over de woonlasten in stand laten.
5.15
In haar grief III in zaaknummer
200.358.511stelt de vrouw dat zij zich op 21 januari 2025 heeft laten uitschrijven uit de echtelijke woning. De man heeft dit op de mondelinge behandeling bevestigd, zodat dit in rechte vast staat. Dit leidt echter niet tot een andere beslissing.
e. de draagplicht van schulden wegens teveel ontvangen huurtoeslag
5.16
De vrouw stelt dat er schulden zijn vanwege teveel ontvangen huurtoeslag 2023 (€ 526) en 2024 (€ 1.683). Partijen zijn volgens de vrouw ieder voor de helft draagplichtig voor die schulden. De huurtoeslag van 2023 heeft ze al terugbetaald, zodat de man haar daar de helft van moet voldoen ofwel € 263. Ten aanzien van de schuld van 2024 verzoekt ze het hof te bepalen dat de man in de interne verhouding voor de helft draagplichtig is en gehouden is de helft van die schuld te voldoen.
5.17
De man betwist dat hij voor die schulden draagplichtig is. De huurtoeslag is door de vrouw aangevraagd en ook door haar ontvangen. Bovendien dateren de vorderingen volgens de man van na de peildatum.
5.18
Het hof overweegt dat de vrouw niet heeft weersproken dat zij de huurtoeslag heeft aangevraagd en ontvangen. Als er vervolgens teveel huurtoeslag is ontvangen ligt het in de rede dat de vrouw dat teveel ontvangene dan ook weer terugbetaalt, omdat deze schuld haar in de onderlinge verhouding van partijen voor het geheel aangaat. Dat houdt in dat grief IV van de vrouw in zaaknummer
200.358.511faalt.
proceskosten
5.19
De vrouw verzoekt het hof om de man te veroordelen in de proceskosten, zowel in hoger beroep als in eerste aanleg. Ze wil bovendien dat de man de werkelijk beslagkosten betaalt. De man heeft hiertegen aangevoerd dat in familierechtelijke aangelegenheden, zoals de onderhavige, compensatie de hoofdregel is en dat er geen aanleiding is daarvan af te wijken.
5.2
Het hof is het eens met de man. Het hof zal de proceskosten compenseren, omdat partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk betreft. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten dient te voldoen en te dragen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren.

7.De beslissing

Het hof, in beide zaaknummers beschikkende in hoger beroep en het incidenteel hoger beroep:
7.1
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
7.2
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
7.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, J.U.M. van der Werff en
L. Hamer, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 24 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.