Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1761

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.349.268/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Begeleide omgang tussen vader en kinderen onder regie van gecertificeerde instelling

In deze zaak staat de omgang tussen een vader en zijn drie minderjarige kinderen centraal. Het hof vernietigt de eerdere beschikking van de rechtbank en stelt een nieuwe zorgregeling vast waarbij de omgang voorlopig begeleid plaatsvindt onder regie van de gecertificeerde instelling (GI). Dit besluit volgt op een rapport van de raad waarin grote zorgen worden geuit over de situatie van de kinderen, met name over de emotionele belasting van de oudste zoon en het ontbreken van hulpverlening.

Tijdens de mondelinge behandeling benadrukte de raad de noodzaak van zelfreflectie bij beide ouders en het belang van een vertrouwenspersoon voor het kind. De GI heeft bevestigd de regie te zullen voeren en de zorgregeling te zullen uitvoeren, inclusief voor- en nabesprekingen van de omgang. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat de omgang eerst begeleid wordt opgestart, met een minimum van één uur contact per twee weken, en dat er toegewerkt wordt naar onbegeleide omgang van één weekend per twee weken.

De vakantie- en feestdagenregeling zoals overeengekomen in het ouderschapsplan blijft het uiteindelijke doel, maar het hof wijst het verzoek van de vader af om deze regeling te wijzigen, omdat het wisselen halverwege de feestdagen te veel onrust veroorzaakt. Het hof compenseert de proceskosten tussen de ouders en wijst het verzoek om een dwangsom af, waarbij de GI een schriftelijke aanwijzing kan geven bij niet-nakoming van de zorgregeling.

Uitkomst: Het hof stelt een begeleide omgangsregeling vast onder toezicht van de gecertificeerde instelling en wijst het verzoek tot wijziging van de vakantie- en feestdagenregeling af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.268
(zaaknummer rechtbank Gelderland 437459)
beschikking van 24 maart 2026
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat mr. H.H.C. van de Kerkhof,
en
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
voorheen advocaat: mr. B. du Fossé (onttrokken).
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verder te noemen: GI.

1.Het verloop van de procedure bij het hof

1.1
Voor het verloop van de procedure tot 16 oktober 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
In die tussenbeschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in stellen naar een zorgregeling tussen de ouders voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en daar uiterlijk op
1 februari 2026 over te rapporteren. In die tussenbeschikking is ook een voorlopige zorgregeling tussen de ouders bepaald voor de kinderen, waarbij voor [de minderjarige3] is bepaald dat die onder regie van de GI plaatsvindt.
1.3
Op 3 februari 2026 heeft het hof het rapport van de raad ontvangen.
1.4
[de minderjarige1] heeft op 9 februari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van het contact met zijn vader.
1.5
Op 12 februari 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De vader was ook aanwezig. Namens de raad en de GI waren vertegenwoordigers aanwezig.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij wat is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van
16 oktober 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
Uit het raadsrapport van 30 januari 2026 blijkt het volgende:
“Op dit moment kan de raad geen advies geven over welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is. De raad vindt contact tussen kinderen en ouders normaal altijd van belang. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] missen vader en ervaren veel verdriet doordat zij hem niet zien. Tegelijkertijd wordt [de minderjarige1] belast door het appèl dat vader op hem doet.
De raad vindt de situatie waarin [de minderjarige1] terecht is gekomen en dat hij nog geen hulpverlening heeft ontvangen, zeer zorgelijk. De raad is nog steeds van mening dat hij een vertrouwenspersoon/ hulpverlener/ kindbehartiger moet krijgen waar hij zijn verhaal, emoties en struggles kwijt kan.
Gezien de houding, uitlatingen en onvoorspelbaarheid van vader, is de raad van mening dat contactherstel en omgang voorlopig begeleid moet plaatsvinden. De raad adviseert brieven, mails en berichten tussen vader en de kinderen voorlopig via de GI te laten gaan, zodat zij de inschatting kunnen maken of de berichten aansluiten bij hun belangen. Daarnaast kan de GI vader dan adviseren en bijsturen waar nodig. Vader is (nog) niet in staat moeder los te laten en puur op zijn relatie met de kinderen te focussen. De zorgen zijn eerder toegenomen, dan afgenomen sinds het rapport van juli 2025 en de raad vindt het zeer ernstig dat de kinderen geen hulpverlening hebben ontvangen gezien de ontwikkelingsbedreiging. In het belang van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] adviseert de raad dat er onder regie van de GI voorlopig alleen begeleid contact is tussen vader en de kinderen. Als er mogelijkheden zijn voor onbegeleid contact, kan dit ook onder regie van de GI worden ingezet.”
2.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad nog aangevuld dat er grote zorgen zijn en dat het veel van ouders vraagt om aan de slag te gaan. Het ziet met name op zelfreflectie en dat geldt voor zowel de vader als de moeder. De ouders moeten kijken naar wat ze zelf kunnen doen in plaats van wat de ander moet doen. Er zijn verschillen tussen de ouders en de kinderen hebben er last van dat ze ertussen zitten. [de minderjarige1] wordt door de vader belast, er is geen gewone ouder-kind hiërarchie. Voor de vader is het moeilijk omdat hij de kinderen niet ziet. Hij voelt zich gekwetst. Hij moet over zijn schaduw stappen als hij iets wil veranderen en de GI moet regievoeren op het contact tussen de vader en de kinderen. Dat moet voor alle kinderen begeleid worden opgestart. Daarbij is alleen voor- en achteraf nabespreken te weinig. Er moet verder worden gekeken om echt een beeld te krijgen van de vader en de moeder. Daar is een ondertoezichtstelling en contact met de vader voor nodig. Als het [naam] geen onderzoek kan doen, dan zal een andere instantie moeten onderzoeken waar het gedrag van [de minderjarige3] vandaan komt.
2.4
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gezinsvoogd (de GI) verklaard dat hij heeft kennisgemaakt met de ouders en bij hen ook thuis op bezoek is geweest. De ouders herkennen de problematiek die speelt, maar leggen de sleutel voor de oplossing ergens anders. De gezinsvoogd vindt de samenwerking met ouders belangrijk om het traject goed te doorlopen. De gezinsvoogd heeft verklaard dat hij uitvoering zal geven aan een in een beschikking bepaalde begeleide zorgregeling. Hij acht vooral voor- en nabespreking bij de begeleide omgang van belang. Voor [de minderjarige1] is inmiddels een vertrouwenspersoon benaderd die op korte termijn kan starten. Het onderzoek naar (de herkomst van) het gedrag van [de minderjarige3] zal via de huisarts moeten gaan omdat het [naam] geen onderzoek kan doen, aldus de gezinsvoogd.
2.5
Gelet op het raadsrapport en op wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en een begeleide zorgregeling vaststellen voor alle kinderen. Het hof begrijpt de teleurstelling van de vader dat de eerder door de rechtbank en het hof bepaalde zorgregelingen niet zijn uitgevoerd, maar het hof acht het op dit moment in het belang van de kinderen dat de contacten tussen de vader en de kinderen eerst worden begeleid. Het vraagt van de vader om zijn trots opzij te zetten en nu in het belang van de kinderen mee te werken om op termijn weer te komen tot een onbegeleide zorgregeling.
Met de raad is het hof van oordeel dat het voor de kinderen van belang is dat de zorgregeling weer tot stand komt en doorgang heeft. De kinderen moeten vertrouwen krijgen in de continuïteit van deze regeling. De kinderen kunnen vanuit de rust, stabiliteit en duidelijkheid gaan ervaren dat zij een positieve band en daarnaast ook onbelast contact en omgang met allebei hun ouders kunnen en mogen hebben. Dan is het mogelijk om te leren omgaan met het feit er twee verschillende opvoedsituaties zijn en dat deze naast elkaar kunnen en mogen bestaan.
2.6
Gelet op het voorgaande acht het hof het in het belang van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] dat de GI er in het kader van de ondertoezichtstelling op toeziet dat begeleide omgang gestart kan worden en doorgang vindt. Het hof vindt een contact van één uur per twee weken tussen de vader en de drie kinderen daarbij het minimum. De GI dient vervolgens de verdere invulling en frequentie van de begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te bepalen, waarbij dient te worden toegewerkt naar maximaal één weekend per twee weken onbegeleide omgang van vrijdag 19 uur tot zondag 19 uur.
2.7
Als de zorgregeling goed verloopt en kan worden uitgebreid naar de hierboven genoemde reguliere, onbegeleide, weekendregeling, kan onder regie van de GI vervolgens gestart worden met een vakantie- en feestdagenregeling. Daarvoor is de afspraak die de ouders hebben gemaakt in het ouderschapsplan (zoals ook vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking van 4 juli 2023) de uiteindelijke regeling waarnaar kan worden toegewerkt. Het is aan de GI om te beoordelen of dit in het belang van de kinderen is en zo ja in welk tempo. Het hof vindt het niet in het belang van de kinderen om de kinderen tijdens Kerstmis en Pasen halverwege te laten wisselen van adres. Dat geeft te veel onrust en spanning voor zowel de ouders als de kinderen. Dit betekent dat het hof op dit punt de bestreden beschikking zal vernietigen en het verzoek van de vader om de vakantie- en feestdagenregeling te wijzigen alsnog zal afwijzen.
2.8
Voor zover de vader heeft verzocht een dwangsom te bepalen op de nakoming van de zorgreling in de bestreden beschikking, wijst het hof dit verzoek af. De GI kan een schriftelijke aanwijzing geven als één van de ouders de zorgregeling niet nakomt.
3. De slotsom
3.1
Op grond van wat hiervoor is overwogen, slagen de grieven deels. Het hof zal voor de duidelijkheid de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.
3.2
Het hof zal de proceskosten tussen de ouders in hoger beroep compenseren, omdat de procedure hun kinderen betreft.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
30 september 2024, en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling er op toeziet dat begeleide omgang gestart kan worden en doorgang vindt. De minimumregeling is een contact van één uur per twee weken tussen de vader en de drie kinderen. De GI dient vervolgens de verdere invulling en frequentie van de begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te bepalen, waarbij er dient te worden toegewerkt naar één weekend per twee weken onbegeleide omgang van vrijdag 19 uur tot zondag 19 uur en naar de vakantie- en feestdagenregeling zoals door de ouders is overeengekomen in het ouderschapsplan (en zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking van 4 juli 2023);
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, E. de Boer en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier en is op 24 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.