ECLI:NL:GHARL:2026:1757
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs verkrachting
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 23 maart 2026 in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en verdachte vrijgesproken van verkrachting. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, en een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegekend.
In hoger beroep heeft het hof het bewijs opnieuw gewogen en geconcludeerd dat er onvoldoende overtuiging bestaat dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Verdachte heeft verklaard dat de seksuele handelingen vrijwillig waren, wat hij eerder niet durfde toe te geven uit angst voor de gevolgen voor zijn relatie. De verklaring van de benadeelde partij vertoonde tegenstrijdigheden en de emoties van de benadeelde konden niet eenduidig worden geplaatst binnen het kader van de vermeende dwang.
Het hof oordeelde dat zowel de verklaring van de benadeelde als die van verdachte aannemelijk konden zijn en dat er bij redelijke twijfel vrijspraak moest volgen. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd daarom afgewezen en de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard. Het hof veroordeelde de benadeelde partij tot vergoeding van de door verdachte gemaakte proceskosten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting wegens onvoldoende overtuigend bewijs.