Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:171

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.347.512
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vaststelling inkomen en kosten huishouding na verwijzing in vermogensrechtelijke afwikkeling voormalige partners

Na verwijzing door de Hoge Raad stond in hoger beroep voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de vaststelling van het inkomen van de vrouw en de kosten van de huishouding over 2016 en 2017 centraal. De man had voldoende onderbouwd dat de vrouw zwarte inkomsten had ontvangen, hetgeen zij betwistte en bewijs aanbood. Het hof gelastte een onderzoek door een handschriftdeskundige, maar de vrouw berustte in het oordeel zonder dat een deskundigenbericht werd gevraagd.

Het hof stelde vast dat de vrouw niet slaagde in het ontkrachten van de gemotiveerde stellingen van de man. De rechtbank had daarom op juiste gronden het inkomen van de vrouw vastgesteld en de verhoudingen voor de kosten van de huishouding bepaald. Het hof bekrachtigde deze beslissing.

Daarnaast oordeelde het hof dat de verzekering gelijkelijk toekomt aan partijen, dat de man geen vordering heeft op de vrouw voor het overbruggingskrediet, en dat de vrouw een bedrag van €34.932,67 aan de man moet voldoen wegens teveel betaalde kosten van de huishouding. Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, compenseerde het hof de proceskosten zodat ieder zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en compenseert de proceskosten, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, familie
zaaknummer gerechtshof 200.347.512
(zaaknummer rechtbank Oost-Brabant, 336344)
(zaaknummer gerechtshof Den Bosch, 200.278.341)
(zaaknummer Hoge Raad 22/00474)
arrest van 13 januari 2026
in het geding zoals verwezen naar dit hof bij arrest van de Hoge Raad van 17 november 2023
in de zaak van
[appellante] (de vrouw)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M.C.A. Geerts
tegen
[geïntimeerde] (de man)
die woont in [woonplaats2] ( [land] )
advocaat: mr. P.P. Hoyng

1.Het verdere verloop van geding

Het verdere verloop van het geding tot aan het arrest van dit hof van 21 oktober 2025
blijkt uit de brief van mr. Geerts van 30 oktober 2025 en de brief van mr. Hoyng van 3 november 2025. Hierna heeft het hof arrest bepaald.

2.Het oordeel van het hof

2.1.
Het hof blijft bij wat het heeft overwogen en beslist in zijn tussenarrest ten aanzien van de grief die de vrouw bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch richtte tegen de vaststelling van de kosten van de huishouding over 2016 en 2017. Na verwijzing gaat het daarbij slechts om de inkomsten van de vrouw in de berekening daarvan. De kosten van de huishouding over 2016 en 2017 (€ 43.151 en € 50.867) staan vast en het inkomen van de man in deze jaren (€ 52.169 netto en € 53.848 netto) ook. Het hof heeft geoordeeld dat de man, door overlegging van gegevens uit de administratie van de vrouw, vooralsnog voldoende heeft onderbouwd welke zwarte inkomsten de vrouw in de relevante jaren heeft ontvangen. De vrouw heeft de onderbouwing betwist door te stellen dat een gedeelte van de overlegde stukken niet van haar afkomstig zijn en ook bewijs voor die stelling aangeboden.
2.2.
Dat bewijsaanbod was voor het hof aanleiding om een onderzoek door een handschrift deskundige te gelasten en partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de te benoemen deskundige en over de vragen die moeten worden gesteld. Bij brief van 30 oktober 2025 heeft de vrouw het hof laten weten te berusten in het oordeel van het hof zonder dat een deskundigenbericht gevraagd wordt. De man heeft daarop laten weten dat hij zich refereert aan het oordeel van het hof op dit punt.
2.3.
Het hof stelt vast dat de vrouw er niet in is geslaagd om de gemotiveerde stellingen van de man, die hij al tijdens de procedure bij de rechtbank heeft ingenomen, te ontkrachten. En dat betekent dat de rechtbank in zijn vonnis van 25 maart 2025 op de juiste gronden het inkomen van de vrouw heeft vastgesteld en daarmee ook de verhoudingen waarin moest worden bijgedragen in de kosten van de huishouding. Het hof zal de beslissing van de rechtbank op dit punt bekrachtigen.
2.4.
Gelet op wat hiervoor en in de tussenbeschikking is overwogen zal het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat:
- de [naam1] -verzekering aan partijen ieder voor de helft toekomt (dictum onder 5.1),
- de man geen vordering heeft op de vrouw van € 107.000 in verband met de aflossing van het overbruggingskrediet (r.o 4.11 van het vonnis), en
- de vrouw € 34.932,67 aan de man moet voldoen vanwege de door de man teveel betaalde kosten van de huishouding (r.o. 5.8 1e deelteken).
Dat zijn de punten waarop na cassatie en verwijzing nog beslist moest worden en die allen niet tot een ander oordeel leiden dan dat van de rechtbank.
2.5.
Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld en omdat het hier gaat om een geschil dat betrekking heeft op de vermogensrechtelijke afwikkeling van voormalige partners, ziet het hof aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

Het hof, na cassatie en verwijzing:
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 maart 2020,
3.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt, en
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en L. Hamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.