ECLI:NL:GHARL:2026:1688

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
21-001963-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77h SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor bedreiging met vuurwapen en zware mishandeling tot werkstraf en jeugddetentie

Op 9 september 2024 bedreigde de minderjarige verdachte een medescholier met een vuurwapen, waarbij hij dreigde hem in een been te schieten als hij zijn relatie niet zou verbreken. Het incident vond plaats op het schoolterrein en werd ondersteund door meerdere getuigenverklaringen.

De verdediging voerde aan dat de verdachte slechts had meegelopen om een ruzie te sussen en ontkende de bedreiging, maar het hof achtte de verklaringen van het slachtoffer en getuigen overtuigend en verwierp het verweer. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de kinderrechter wegens onvoldoende motivering en deed opnieuw recht.

Het hof veroordeelde de verdachte tot een werkstraf van 100 uur, bij niet-nakoming te vervangen door 50 dagen jeugddetentie, zonder voorwaardelijk deel vanwege de ernst van het feit. Tevens werd een schadevergoeding van €2.324,30 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 uur werkstraf, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, en toekenning schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001963-25
Uitspraakdatum: 18 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland (locatie Assen) van 24 april 2025 met parketnummer 18-291959-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2007 in [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte, [verdachte] , heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 4 maart 2026 en wat er op de zitting bij de kinderrechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. W.G. ten Have, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. S.R. de Jonge, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De kinderrechter heeft bij vonnis van 24 april 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, [verdachte] veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht tot een werkstraf van 100 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de kinderrechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ( [benadeelde] ) deels toegewezen, te weten tot € 1.074,30, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en [benadeelde] ten aanzien van het overige gevorderde niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
In het proces-verbaal van de zitting van de kinderrechter zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Ook komt het hof tot een iets andere bewezenverklaring en kwalificatie van het bewezenverklaarde feit. Het hof zal daarom het vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 september 2024 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door (- zakelijk weergegeven -) een (in een tasje verborgen) (op een (echt)) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op/tegen zijn heup en/of (rechter)zij en/of zijn hoofd en/of zijn benen, althans het lichaam, te richten en/of gericht te houden en/of te zetten en/of te drukken en/of dat (op een (echt)) vuurwapen (gelijkend voorwerp) door te laden en/of aan die [benadeelde] toe te voegen: "Als je het niet gaat uitmaken met haar (waarmee hij [persoon] bedoelde), schiet ik je in een van je benen. Heb je ook een voorkeur?" en/of 'dat hij helemaal gek was en dat het hem allemaal niet uitmaakte wat er zou gebeuren' en/of 'dat, als die [benadeelde] niet naar hem zou luisteren en het niet binnen een dag uit zou maken met [persoon] , dat hij, verdachte, naar zijn huis zou komen en dan zou hij wel zien wat er dan zou gebeuren en/of dat als die [benadeelde] aangifte zou doen bij de politie dat hem dat niets zou uitmaken, omdat hij al een paar keer vast had gezeten' en/of "je bent aan het verkeerde adres, genoeg tijd gehad om uit te praten" en/of "je hebt 2 keuzes, je krijgt een kogel door je been, je mag zelf kiezen welk been of je maakt het uit met [persoon] ", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat er wellicht voldoende wettig bewijs voorhanden is, maar dat de overtuiging ontbreekt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling. Daartoe heeft hij aangevoerd dat [verdachte] had gehoord dat aangever [benadeelde] en medeverdachte [medeverdachte] ruzie hadden om een meisje, en dat hij vervolgens (enkel) met hen is meegelopen om te voorkomen dat de situatie uit de hand zou lopen. Wat er daarna precies is gebeurd blijft onduidelijk. [benadeelde] heeft verklaard dat hij vervolgens door [verdachte] met een vuurwapen is bedreigd. Uit het dossier blijkt echter ook dat [benadeelde] kort daarna is teruggegaan om verhaal te halen bij [medeverdachte] , en dat [benadeelde] na de bedreiging via Snapchat contact heeft gezocht met [medeverdachte] en [verdachte] . Dat is, gelet op de eerdere bedreiging met een vuurwapen, niet logisch. Om die reden heeft de raadsman verzocht [verdachte] vrij te spreken van het tenlastegelegde feit.
Oordeel van het hof
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 september 2024, opgenomen op pagina 54 e.v. van het dossier van Politie Noord Nederland met nummer 2024246946 d.d. 28 oktober 2024, inhoudende de verklaring van [benadeelde] :
Ik heb een relatie met [persoon] . Op 9 september 2024 omstreeks 15:00 uur stond ik bij het hek van de fietsenstalling van het [opleidingscentrum] (locatie [locatie 1] te [plaats 1] ) te wachten. Ik zag rond 15:05 uur [medeverdachte] naar buiten komen lopen. Ik zag dat hij samen liep met [verdachte] (
het hof begrijpt: verdachte [verdachte]), een vriend van hem. Ik zag dat [verdachte] een Louis Vuitton tas droeg. Een heuptasje. Ik zag dat [verdachte] hem voor zijn buik droeg en dat hij zijn linkerhand erin had. Toen [verdachte] naast mij stond kon ik in het openstaande tasje en naar zijn hand kijken. Ik zag dat hij een zwart voorwerp, wat ik herkende als een vuurwapen, vasthield in zijn tasje. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij begon te praten. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: ‘Als je het niet gaat uitmaken met haar, waarmee hij [persoon] bedoelde, schiet ik je in een van je benen. Heb je ook een voorkeur?’.
Ik zag dat [verdachte] vervolgens zijn hand, met daarin het vuurwapen, met het tasje eromheen tegen mijn rechterheup drukte en ik hoorde dat hij zei dat ik met hem mee moest lopen. We liepen met zijn drieën de hoek om bij de gymzaal. Hier zei [verdachte] tegen mij dingen als dat ik moest meewerken, dat hij helemaal gek was en dat het hem allemaal niet uitmaakte wat er zou gebeuren. Ik zag dat [verdachte] om me heen liep. Ik zag dat hij aan mijn rechterkant kwam staan. Inmiddels was ik doodsbang omdat hij het vuurwapen had en hem steeds op mij richtte. Ik zag dat hij zijn hand met het vuurwapen op mijn rechterzij zette, daarna op mijn beide benen en daarna op mijn hoofd, ter hoogte van mijn oor.
Ik zag dat [verdachte] voor mij stond en met zijn rechterhand de slede achteruit trok, alsof je het wapen laadt. Ik hoorde hierbij een metaalachtige klik. Ik hoorde dat hij zei dat hij wist waar ik woonde, en dat, als ik niet naar hem zou luisteren en het niet binnen een dag uit zou maken met [persoon] , dat hij naar mijn huis zou komen en dat ik dan wel zou zien wat er dan zou gebeuren. Ook zei hij dat als ik aangifte zou doen bij de politie dat hem dat niets zou uitmaken, dat hij al een paar keer vast had gezeten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 12 september 2024, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [benadeelde] :
V: Nog even terug naar het moment waarop dat gebeurde. Wie deed wat en wat was de toon waarop het werd gezegd/ Wat gebeurde er?
A: [verdachte] zei dat ik mee moest lopen. Dat zei hij op een boze toon, dwingend. Ik zei: ‘Nee’, ik bleef staan. Hij deed zijn linkerhand in het tasje en met zijn andere hand opende hij het tasje en liet mij het wapen zien. Toen zei [medeverdachte] (
het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ): ‘Je bent aan het verkeerde adres, genoeg tijd gehad om uit te praten’. [verdachte] zei toen: ‘Je gaat nu met mij mee’.
V: Jij moest gedwongen mee naar de sporthal, hoezo daar?
A: Dat weet ik niet. Ze gingen voor mij staan, ik kon niet verder. [verdachte] zei: ‘Je hebt twee keuzes, je krijgt een kogel door je been, je mag zelf kiezen welk been of je maakt het uit met [persoon] ’.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 september 2024, opgenomen op pagina 122 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon] :
Op maandag 9 september 2024, omstreeks 15.00 uur bevond ik mij op school. Ik zit op het [opleidingscentrum] aan de [locatie 1] te [plaats 1] . Om 15.07 uur kreeg ik een Snapchat-bericht van [benadeelde] (
het hof begrijpt: aangever [benadeelde]). Ik had hem gevraagd waar hij was. Hij Snapte dat hij bij de Action was. Ik vroeg aan [benadeelde] waarom dit was. Hij berichtte terug dat hij was bedreigd met een pistool. Ik reageerde verbaasd en zei: ‘Niet! [medeverdachte] (
het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte])?’ Ik zag dat [benadeelde] terugstuurde van wel. [benadeelde] stuurde dat dit samen met [verdachte] was. [verdachte] is een vriend van [medeverdachte] .
Ik zag dat [medeverdachte] weer terug kwam lopen. Ik zag dat [medeverdachte] mij zag en dat hij toen naar mij toe kwam lopen. Ik hoorde [medeverdachte] zeggen dat het niet de bedoeling was dat er een pistool bij zou zijn. Ik hoorde [medeverdachte] zeggen dat hij niet diegene was met het pistool, maar dat [verdachte] dit was. Ik zag dat [benadeelde] de hoek om kwam rijden en de fietsenstalling in reed waar ik met [medeverdachte] stond. Ik voelde op dat moment heel veel spanning. Ik hoorde [benadeelde] schreeuwen dat er een kankerpistool tegen zijn hoofd was gezet.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 september 2024, opgenomen op pagina 137 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] :
Afgelopen dinsdag, 10 september 2024, omstreeks 14.15 uur kwam [medeverdachte] (
het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) langs op het werk, dit is de [bedrijf] aan de [locatie 2] te [plaats 1] . Ik werk hier als bedrijfsleider. Toen [medeverdachte] hier was hebben we wat gepraat. [medeverdachte] vertelde uit zichzelf dat een vriend van hem, ene [verdachte] ofzo (
het hof begrijpt: verdachte [verdachte]), niet zo slim was geweest, omdat hij een wapen had meegenomen en daarmee [benadeelde] (
het hof begrijpt: aangever [benadeelde]) had bedreigd. [medeverdachte] zei ook nog tegen mij dat hij zelf niets met het wapen had gedaan.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 september 2024, opgenomen op pagina 140 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2] :
Ik werk bij het bedrijf [bedrijf] , daar ben ik algemeen manager van alle locaties in [plaats 1] . [benadeelde] en ‘ [medeverdachte] werkten met name op de locatie in [plaats 2] . We wisten, als leiding, al dat er een en ander had afgespeeld tussen hem (
het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) en [benadeelde] . Op dinsdag 10 september omstreeks 17.00 uur kwam [medeverdachte] bij mij thuis langs, dit was onaangekondigd. Ik heb toen met hem gesproken. Wat mij opviel is dat hij mij vertelde over het incident en vooral dat hij zei dat het wapen er niet meer zou zijn, dat hij dit wapen al een week niet meer zou hebben.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte d.d. 10 september 2024, opgenomen op pagina 177 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verdachte] :
V: Wat is je bijnaam op school en bij je vrienden?
A: [verdachte]
Bewijsoverweging
Het hof ziet geen aanleiding aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever [benadeelde] te twijfelen. De verklaring van [benadeelde] vindt immers steun in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van getuige [persoon] . Zij heeft kort na het incident medeverdachte [medeverdachte] horen zeggen dat het niet de bedoeling was dat er een pistool bij zou zijn en dat niet hij degene was met het pistool maar [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ). Ook de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ondersteunen de verklaring van [benadeelde] . Zij verklaren immers allemaal dat ze van medeverdachte ‘ [medeverdachte] ’ hebben gehoord dat er een vuurwapen in het spel was. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en de door [verdachte] meegebrachte getuigen [getuige 3] en [getuige 4] ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders.
Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsman en acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 9 september 2024 te [plaats 1] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door een in een tasje verborgen vuurwapen tegen zijn heup en rechterzij en zijn hoofd en tegen zijn benen, te richten en/of te drukken en dat vuurwapen door te laden en aan die [benadeelde] toe te voegen: ‘Als je het niet gaat uitmaken met haar (waarmee hij [persoon] bedoelde), schiet ik je in een van je benen. Heb je ook een voorkeur?’ en ‘dat hij helemaal gek was en dat het hem allemaal niet uitmaakte wat er zou gebeuren’ en ‘dat, als die [benadeelde] niet naar hem zou luisteren en het niet binnen een dag uit zou maken met [persoon] , dat hij, verdachte, naar zijn huis zou komen en dan zou hij wel zien wat er dan zou gebeuren’ en ‘dat als die [benadeelde] aangifte zou doen bij de politie dat hem dat niets zou uitmaken, omdat hij al een paar keer vast had gezeten’ en ‘je hebt 2 keuzes, je krijgt een kogel door je been, je mag zelf kiezen welk been of je maakt het uit met [persoon] ’.
Het hof spreekt [verdachte] vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat hij niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, bij niet voldoen te vervangen door 50 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest. Gelet op de ernst van het feit ziet de advocaat-generaal geen aanleiding om daarvan een deel voorwaardelijk op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, indien [verdachte] wordt veroordeeld en rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden, oplegging van een werkstraf van 100 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] .
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling. Na schooltijd is [verdachte] met zijn vriend meegelopen die een woordenwisseling had met een medescholier, het slachtoffer [benadeelde] , en [verdachte] heeft vervolgens op enig moment een vuurwapen aan [benadeelde] getoond en gedreigd deze te gebruiken. Zichtbaar voor [benadeelde] heeft [verdachte] het wapen doorgeladen. Door zo te handelen heeft [verdachte] een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] en diens gevoel van veiligheid.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van [verdachte] van 2 februari 2025. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , zoals die blijken uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep door hem zelf en zijn raadsman naar voren zijn gebracht.
Bij het bepalen van de op te leggen straf en de hoogte daarvan heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud (LOVS) en op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Voor een bedreiging met en het tonen van een (nep)vuurwapen wordt als uitgangspunt vanaf 120 uur taakstraf, dan wel 2 maanden jeugddetentie genomen.
Alles afwegende is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat oplegging van een werkstraf van 100 uren, bij niet voldoen te vervangen door 50 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, een passende en noodzakelijke bestraffing is. Het hof zal geen voorwaardelijk strafdeel aan [verdachte] opleggen. Het hof is van oordeel dat daar vanwege de ernst van het feit geen ruimte voor is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.324,30 ingediend. De kinderrechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.074,30. [benadeelde] heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de kinderrechter gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde] geheel wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering tot schadevergoeding primair af te wijzen vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht [benadeelde] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering wegens onvoldoende onderbouwing. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de namens [benadeelde] aangehaalde uitspraken zien op een ander soort strafbaar feit en niet op bedreiging.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde] rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van [verdachte] . [verdachte] moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom ten aanzien van de gevorderde materiële schade toegewezen.
Immateriële schade
Ook is gebleken dat [benadeelde] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van [verdachte] . Naar het oordeel van het hof brengen de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor [benadeelde] mee dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat de gevorderde immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en de Rotterdamse schaal, is het door [benadeelde] gevorderde immateriële schadebedrag naar het oordeel van het hof niet onbillijk. De vordering wordt daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade geheel toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op, maar zal, gelet op de leeftijd van [verdachte] , het mogelijke aantal dagen gijzeling op nul vaststellen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen jeugddetentie.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.324,30 (tweeduizend driehonderdvierentwintig euro en dertig cent) bestaande uit € 74,30 (vierenzeventig euro en dertig cent) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.324,30 (tweeduizend driehonderdvierentwintig euro en dertig cent) bestaande uit € 74,30 (vierenzeventig euro en dertig cent) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 september 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. A.J. Rietveld en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 maart 2026.