ECLI:NL:GHARL:2026:1662

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
21-002511-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling ambtenaar en weigering medewerking ademanalyse

Verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor mishandeling van een buitengewoon opsporingsambtenaar door hem in de arm te bijten tijdens een controle in het openbaar vervoer en voor het opzettelijk niet voldoen aan een bevel tot medewerking aan een ademanalyse. Verdachte ging in hoger beroep tegen dit vonnis.

Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd omdat de gebruikte bewijsmiddelen in eerste aanleg niet waren uitgewerkt, waardoor bevestiging niet mogelijk was. Na beoordeling van het bewijs acht het hof het bewezen dat verdachte de ambtenaar heeft gebeten en dat hij bewust weigerde mee te werken aan de ademanalyse, ondanks duidelijke bevelen en waarschuwingen.

Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met de ernst van de feiten, het letsel en de maatschappelijke impact, alsmede het strafblad van verdachte met eerdere geweldsdelicten. Het hof bevestigt de straf van één dag gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis bij niet-nakoming. Tevens verklaart het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot één dag gevangenisstraf en een taakstraf van 60 uren voor mishandeling van een ambtenaar en het weigeren van medewerking aan een ademanalyse.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002511-25
Uitspraakdatum: 17 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 16 mei 2025 met parketnummer 16-369888-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-048200-19, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] in [geboorteplaats] (Suriname),
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 3 maart 2026 en wat er op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 16 mei 2025. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman,
mr. R.P.A. Kint, is aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 16 mei 2025, waartegen het hoger beroep is gericht:
  • verdachte veroordeeld voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde;
  • een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van één dag, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;
  • een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, opgelegd;
  • de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-048200-19.
In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 8 september 2024 te [plaats] , een ambtenaar, [slachtoffer] , toezichthouder bij [bedrijf] , tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, geweldsbevoegd en aangesteld in domein IV openbaar vervoer, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door hem in zijn arm te bijten.
2.
hij op of omstreeks 8 september 2024 te [plaats] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [naam 1] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een ademanalyse, hieraan geen gevolg te geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat voor beide feiten vrijspraak dient te volgen en sluit zich grotendeels aan bij hetgeen daarover door de verdediging in eerste aanleg naar voren is gebracht. Verdachte zou aangever niet hebben gebeten en dat is volgens de verdediging feitelijk ook niet waargenomen, nu aangever dat niet heeft gezien. Ten aanzien van het tweede feit heeft de raadsman naar voren gebracht dat het voor verdachte wellicht niet voldoende duidelijk is geweest dat hij moest meewerken en dat hij eerder wel zijn medewerking heeft verleend.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat er voor beide feiten voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de mishandeling van een ambtenaar (feit 1)
Uit de aangifte volgt dat aangever [slachtoffer] tijdens zijn dienst als buitengewoon opsporingsambtenaar bezig was met de controle van passagiers op de geldigheid van hun vervoersbewijzen in de bus. Tijdens die controle treft aangever, samen met zijn collega’s, verdachte aan in de bus. Verdachte kan op dat moment geen geldig vervoersbewijs tonen en wordt daarvoor staande gehouden. Vervolgens besluit verdachte de bus te verlaten, maar wordt hij tegengehouden door aangever en zijn collega omdat zij hun controle nog niet hebben afgerond. Er ontstaat er een worsteling. Volgens aangever probeerde verdachte zich met veel kracht los te trekken, terwijl hem meerdere keren werd gevraagd om mee te werken. Aangever beschrijft in zijn aangifte dat hij vervolgens ineens een hevige pijn in zijn linkerarm voelde en dat hij zag dat het gezicht van verdachte bij zijn arm was en dat hij voelde dat de man - verdachte - hem beet. In reactie daarop trok aangever zijn arm terug en plaatste hij zijn vuist onder de kaak van verdachte zodat hij - verdachte - hem niet meer kon bijten en schreeuwde aangever dat hij niet moest bijten. Aangever zag daarna dat er meerdere rode plekken op zijn onderarm zaten en beschrijft dat die plekken branderig aanvoelden, een gewaarwording die past bij letsel door bijten. Aangever heeft van dat letsel op zijn arm ook foto’s bij zijn aangifte gevoegd. Naast de aangifte volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van zowel collega [naam 2] als van collega [naam 3] dat zij hoorden dat aangever tegen verdachte zei dan wel schreeuwde:
“niet bijten”.
Gelet daarop is het hof, net als de politierechter, van oordeel dat uit de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - kan worden vastgesteld dat verdachte, anders dan hij zelf stelt, aangever tijdens de worsteling in zijn arm heeft gebeten. De enkele omstandigheid dat aangever en zijn collega’s feitelijk niet hebben gezien dat verdachte aangever in zijn arm beet, doet daar - gelet op de hiervoor overwogen feiten en omstandigheden - niets aan af.
Ten aanzien van het niet meewerken aan de ademanalyse (feit 2)
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 8 september 2024 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , volgt dat verbalisant [verbalisant 2] verdachte ‘duidelijk en met niet mis verstaanbare stem heeft bevolen om mee te werken aan de ademanalyse’. Verbalisant [verbalisant 2] beschrijft dat verdachte in reactie daarop tegen de verbalisanten zei dat hij niet mee ging werken. Vervolgens is aan verdachte uitgelegd dat het niet meewerken aan de ademanalyse een nieuw strafbaar feit zou opleveren en dat hij ook daarvoor als verdachte zal worden aangemerkt. Uit het proces-verbaal volgt dat verdachte, nadat hij daar door de verbalisant nadrukkelijk op gewezen is, nogmaals aangaf niet mee te willen werken. Vervolgens is tegen verdachte gezegd dat hij verdacht wordt van het weigeren van medewerking aan de ademanalyse.
Uit het hiervoor beschreven proces-verbaal van bevindingen volgt dat verdachte er zelf voor heeft gekozen om geen medewerking te verlenen. Het hof merkt daarbij op dat dit ook volgt uit zijn eigen verklaring bij de politie. Tijdens het verhoor wordt aan verdachte gevraagd waarom hij niet mee heeft gewerkt aan de ademanalyse. Verdachte gaf als antwoord daarop:
“Ik had al geblazen. Ze hadden mij ook hard aangepakt en was daar echt boos om.”Op basis van voorgaande overweging is het hof, anders dan de verdediging, dan ook van oordeel dat voor verdachte duidelijk was dat hem werd bevolen om zijn medewerking te verlenen aan de ademanalyse en dat de consequenties van het weigeren daarvan hem ook voldoende kenbaar zijn gemaakt. Desondanks weigerde hij aan het onderzoek medewerking te verlenen.
Conclusie
Gelet op voorgaande overwegingen acht het hof het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het verweer strekkende tot vrijspraak van beide feiten wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 8 september 2024 te [plaats] , een ambtenaar, [slachtoffer] , toezichthouder bij [bedrijf] ., tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, geweldsbevoegd en aangesteld in domein IV openbaar vervoer, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door hem in zijn arm te bijten.
2.
hij op 8 september 2024 te [plaats] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten [naam 1] , belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een ademanalyse, hieraan geen gevolg te geven.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een buitengewoon opsporingsambtenaar door hem in zijn arm te bijten. Daarmee heeft verdachte bij aangever pijn en letsel veroorzaakt en een inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Bovendien leidt een dergelijk feit, dat heeft plaatsgevonden in het openbaar, tot gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, door het niet verlenen van medewerking aan een ademanalyse. Door deze opstelling van verdachte zijn de verbalisanten in de rechtmatige uitoefening van hun bediening belemmerd, terwijl opsporingsambtenaren ongehinderd hun werk moeten kunnen doen.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 2 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en ook voor andere strafbare feiten. Het strafblad van verdachte werkt voor hem in nadelige zin mee bij de strafoplegging in deze zaak. Het hof heeft daarnaast geconstateerd dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en heeft dat in aanmerking genomen bij de op te leggen straf.
Over de persoonlijke omstandigheden van verdachte is bekend dat hij momenteel geen werk of dagbesteding heeft, op zoek is naar passende woonruimte en tot september 2025 in een toezicht liep. Uit het door de raadsman voor de zitting van 3 maart 2026 ingediende aanvullende stuk volgt dat verdachte een aanvraag voor een Wmo-voorziening heeft ingediend. De raadsman heeft in aanvulling daarop ter zitting naar voren gebracht dat die aanvraag nog niet rond is en nog loopt en dat verdachte momenteel op vrijwillige basis contact heeft met zijn persoonlijk begeleider bij Kwintes. Ten aanzien van de strafoplegging heeft de raadsman verzocht om geen kortdurende gevangenisstraf op te leggen, dat zou volgens de raadsman het lopende traject waar verdachte nu in zit verstoren.
Net als de politierechter merkt het hof op dat door [bedrijf] en de buitengewoon opsporingsambtenaren in het bijzonder de bodycambeelden van de situatie ter plaatse, ondanks de toezegging die beelden te delen, nooit zijn verstrekt. Wat zich precies heeft afgespeeld buiten de bus is daardoor beperkt controleerbaar geworden. In ieder geval heeft het hof bij de strafoplegging in strafmatigende zin meegewogen het letsel dat verdachte bij zijn arrestatie heeft opgelopen.
Alles afwegende acht het hof de door de politierechter opgelegde straf voor deze feiten passend en geboden. Gelet daarop zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van één dag, met aftrek van het voorarrest, opleggen en een taakstraf van 60 uren, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het hof zal conform de eis van de advocaat-generaal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-048200-19.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 184, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Verklaart het openbaar ministerie
niet-ontvankelijkin de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 16-048200-19.
Dit arrest is gewezen door mr. F. van der Maden, mr. T.H. Bosma en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier mr. M.F. Bijlsma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 maart 2026.