ECLI:NL:GHARL:2026:1618

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.363.142/01 en 200.363.142/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep zorgregeling en omgangsregeling minderjarige na scheiding ouders

De moeder en vader zijn gescheiden en hebben een zoon, geboren in 2016. Na beëindiging van hun relatie woont het kind bij de moeder, met een omgangsregeling waarbij het kind drie weekenden per maand bij de vader verblijft. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld die onder meer de verdeling van weekenden, vakanties en het halen en brengen regelde.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht onder meer om schorsing van de uitvoerbaarheid en wijziging van de zorgregeling, met name een omgang om het weekend en een andere verdeling van de zomervakantie. De vader stelde zich op het standpunt dat de rechtbankbeschikking grotendeels gehandhaafd moest blijven, met uitzondering van de zomervakantie in de oneven jaren.

Het hof oordeelde dat de bestaande regeling voor het aantal weekenden gehandhaafd blijft, mede gelet op de wens van het kind. Het halen en brengen wordt gelijk verdeeld, waarbij de moeder het kind naar station [plaats1] brengt en de vader daar ophaalt. De zomervakantie wordt jaarlijks verdeeld in twee blokken van drie weken (3-3-verdeling). De kerstvakantie en andere vakanties worden aangepast in overleg tussen de ouders. Het verzoek tot schorsing wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en opnieuw vastgesteld met de genoemde wijzigingen.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling door de zomervakantie jaarlijks 3-3 te verdelen en bevestigt dat het kind drie weekenden per maand bij de vader verblijft met overdracht bij station [plaats1].

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.363.142/01 en 200.363.142/02
(zaaknummer rechtbank Overijssel 323678)
beschikking van 17 maart 2026 in de hoofdzaak en op het verzoek tot schorsing
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R.M. Bissumbhar,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.L.J. Wekking.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 20 maart 2025 en 25 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer 323678. De beschikking van 25 november 2025 zal hierna ook worden aangeduid als de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, tevens houdende een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking, met bijlage(n), ingekomen op 23 december 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 5 januari 2026 met bijlage(n);
- een brief van de raad voor de kinderbescherming (de raad) van 14 januari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- het verweerschrift tegen het schorsingsverzoek;
- het verweerschrift in de hoofdzaak tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 18 februari 2026 met bijlage(n).
2.2
De hierna nader te noemen [de minderjarige1] heeft bij brief, ingediend door mr. Bissumbhar bij e-mailbericht van 23 februari 2026, aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 25 februari 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. M.S.A. Ooms (waarnemend advocaat voor mr. Bissumbhar);
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

3.De feiten

3.1.
De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad en met elkaar samengewoond in [woonplaats2] . Zij hebben samen een zoon: [de minderjarige1] , geboren [in] 2016 in [woonplaats2] .
3.2.
De relatie tussen de ouders is in september 2018 geëindigd. Sindsdien woont [de minderjarige1] bij de moeder. In maart 2019 is de moeder met [de minderjarige1] van [woonplaats2] naar [woonplaats1] verhuisd.
3.3.
De vader woont in [woonplaats2] samen met zijn huidige partner met wie hij een dochter heeft: [de minderjarige2] , geboren [in] 2022.
3.4.
In mei 2019 zijn de ouders een mediationtraject gestart. In een ouderschapsplan, door de ouders ondertekend op 2 augustus 2021, hebben zij afspraken gemaakt.
3.5.
Sinds ongeveer 2019 is [de minderjarige1] drie of vier weekenden per maand (afhankelijk van het aantal weekenden in de maand) bij zijn vader, van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur.
3.6.
De vader heeft tijdens de procedure bij de rechtbank verzocht hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] . Bij beschikking van 20 maart 2025 heeft de rechtbank dit verzoek toegewezen.
Verder heeft de rechtbank bij die beschikking de ouders doorverwezen naar de hulpverlening van de gemeentelijke toegang. [naam] ( [naam] ) heeft onderzocht welke mogelijkheden er zijn om tot een goede verdeling van de zorgregeling en de vakantie- en feestdagen te komen. De ouders hebben het traject uiteindelijk zonder overeenstemming beëindigd.
3.7.
Bij de bestreden - uitvoerbaar verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de volgende zorgregeling vastgesteld:
reguliere zorgregeling:
- [de minderjarige1] is de eerste drie weekenden van de maand bij de vader. Als de maand uit vijf
weekenden bestaat, betekent dat dat de moeder twee weekenden met [de minderjarige1] doorbrengt. [de minderjarige1] zal vanaf vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader zijn, behalve het derde weekend, dan is [de minderjarige1] tot maandagochtend naar school bij de vader, waarbij de vader [de minderjarige1] naar school brengt;
zomervakantie:
- [de minderjarige1] is in de even jaren drie weken aaneengesloten bij de vader en aansluitend drie weken aaneengesloten bij de moeder. In de oneven jaren zal [de minderjarige1] de eerste twee weken bij de vader doorbrengen, daarna twee weken bij de moeder, vervolgens een week bij de vader en de laatste week bij de moeder;
de eenweekse vakanties:
- [de minderjarige1] is in de herfst- en voorjaarsvakantie in de even jaren van maandag tot en met
woensdag bij de moeder en donderdag en vrijdag bij de vader. In de oneven jaren is
[de minderjarige1] van maandag tot en met woensdag bij de vader en donderdag en vrijdag bij de moeder;
de tweeweekse vakanties:
- [de minderjarige1] brengt in de even jaren de eerste vakantieweek bij de vader door en de tweede week bij de moeder. In de oneven jaren brengt [de minderjarige1] de eerste vakantieweek door bij de moeder en de tweede week bij de vader;
- [de minderjarige1] is in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie tot en met 26 december 12.00 uur bij vader. Vanaf 26 december 12.00 uur tot en met de vrijdag na nieuwjaar is hij bij de moeder. Hierna wordt de reguliere regeling hervat. In de oneven jaren is [de minderjarige1] de eerste week van de kerstvakantie tot en met 26 december 12.00 uur bij de moeder. Vanaf 26 december 12.00 uur tot en met de vrijdag na nieuwjaar is hij bij de vader. Hierna wordt de reguliere regeling hervat;
- [de minderjarige1] is in de even jaren eerste kerstdag vanaf 10.00 uur tot 21.00 uur bij de vader en in de oneven jaren vanaf 10.00 uur tot 21.00 uur op eerste kerstdag bij de moeder;
de feestdagen:
- [de minderjarige1] is tijdens de paasdagen een dag van 10.00 tot 19.00 uur bij de andere ouder
dan de ouder waar hij in het weekend is;
- [de minderjarige1] is tijdens de pinksterdagen een dag van 10.00 tot 19.00 uur bij de andere ouder dan de ouder waar hij in het weekend is;
- [de minderjarige1] viert de verjaardagen van zijn ouders en diens partners in het weekend dat
[de minderjarige1] bij hem/haar is en de verjaardagen van kinderen, het zusje en het neefje (mz), het nichtje (vz) worden op de verjaardag zelf gevierd;
- [de minderjarige1] is de ene studiedag bij de vader en de andere bij de moeder;
- [de minderjarige1] is in de even jaren op Koningsdag bij de vader en in de oneven bij de moeder;
- [de minderjarige1] viert Sinterklaas bij de ouder waar hij op dat moment is;
het halen en brengen:
- de ouder waar [de minderjarige1] op dat moment is, zorgt voor het vervoer en brengt [de minderjarige1]
naar de andere ouder of plek.
3.8.
Bij vonnis in kort geding van 9 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de moeder bevolen om de zorgregeling zoals die is vastgesteld in de bestreden beschikking na te komen, waarbij de moeder [de minderjarige1] naar station [plaats1] brengt en de vader [de minderjarige1] daar ophaalt. De voorzieningenrechter heeft hieraan een dwangsom verbonden van € 50,- voor elke keer dat de moeder niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,-.

4.De omvang van het geschil

4.1.
De moeder komt in hoger beroep van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof:
- de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking te schorsen;
- een aparte procedure te starten op basis van artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om de uitvoerbaar bij voorraadverklaring eerder te kunnen schorsen dan dat het hoger beroep inhoudelijk wordt behandeld;
- de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de volgende zorgregeling vast te stellen:
- [de minderjarige1] verblijft in de even weekenden bij de vader van vrijdagmiddag tot en met
maandagochtend, waarbij [de minderjarige1] op vrijdag door de vader bij de moeder wordt opgehaald en op maandagochtend door hem naar school wordt gebracht;
- [de minderjarige1] verblijft in elke zomervakantie de eerste week bij de vader, vervolgens een week bij de moeder, daarna twee weken bij de vader en de laatste twee weken bij de moeder;
- het wisselmoment voor de kerstdagen zal zijn op 26 december om 10.00 uur;
- de kerstvakantie gaat in op de eerste maandag na de laatste verplichte schooldag;
- althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht;
- kosten rechtens.
4.2.
De vader voert verweer tegen het principaal hoger beroep en verzoekt het hof:
- het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring af te wijzen;
- de bestreden beschikking te bekrachtigen met uitzondering van de regeling voor de zomervakantie in de oneven jaren, al dan niet onder aanvulling van de gronden.
De vader heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verdeling van de zomervakantie in de oneven jaren, en in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen dat [de minderjarige1] gedurende de zomervakantie zowel in de even als de oneven jaren drie weken aaneengesloten doorbrengt bij iedere ouder.
4.3.
De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd tegen het incidenteel hoger beroep.

5.De motivering van de beslissing

In de zaak met zaaknummer 200.363.142/02 (het schorsingsverzoek)
5.1.
Het hof doet bij deze beschikking, zo blijkt uit het navolgende, einduitspraak in de hoofdzaak. Daarom heeft de moeder geen belang meer bij een beslissing op haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Het hof zal dat verzoek dan ook afwijzen.
In de zaak met zaaknummer 200.363.142/01 (de hoofdzaak)
5.2.
Tussen de moeder en de vader is de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling wat betreft de volgende onderdelen in geschil:
- de reguliere zorgregeling: het aantal weekenden omgang per maand;
- het halen en brengen van [de minderjarige1] ;
- de verdeling van de zomervakantie;
- het aanvangsmoment van de kerstvakantie en het overdrachtsmoment tijdens de kerstdagen.
Het hof zal deze geschilpunten hierna achtereenvolgens bespreken.
* De reguliere zorgregeling: het aantal weekenden omgang per maand
5.3.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking bepaald dat [de minderjarige1] de eerste drie weekenden van de maand bij de vader is. De moeder wil dat dit aldus gewijzigd wordt dat [de minderjarige1] om het weekend bij de vader verblijft en om het weekend bij haar. Daarnaast wil de moeder dat de omgangweekenden niet op zondagavond om 19.00 uur eindigen, maar op maandagochtend, waarbij de vader [de minderjarige1] naar school brengt. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij is het eens met de beslissing van de rechtbank.
5.4.
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank op dit punt in stand moet blijven. De inmiddels 10-jarige [de minderjarige1] verblijft al sinds 2019 drie weekenden per maand bij de vader. Het hof ziet in het door de moeder aangevoerde geen aanleiding om daarin nu een wijziging aan te brengen. Daarbij komt dat [de minderjarige1] in zijn brief aan het hof heeft geschreven dat hij zou willen dat het blijft zoals het nu is. Uit zijn brief blijkt niet dat hij minder weekenden naar de vader wil of juist meer bij de moeder wil zijn.
De voornaamste reden voor de moeder om het aantal omgangsweekenden te willen wijzigen, is dat [de minderjarige1] ouder wordt en het voor hem van belang is om met zijn leeftijdsgenoten tijd door te kunnen brengen. Het hof acht het echter van belang dat [de minderjarige1] ook tijd met zijn vader kan doorbrengen. Dit is doordeweeks niet mogelijk, omdat de moeder in [woonplaats1] woont en de vader in [woonplaats2] . Naar het oordeel van het hof is het daarom in het belang van [de minderjarige1] dat hij de eerste drie weekenden van de maand naar de vader kan blijven gaan.
5.5.
Het hof ziet ook geen aanleiding om te bepalen dat alle omgangweekenden tot maandagochtend duren in plaats van zondagavond. De moeder heeft aangevoerd dat de school tijdens een gesprek op 27 mei 2024 heeft benoemd dat op de maandagochtend dat de vader [de minderjarige1] naar school brengt, hij minder last heeft van frustratie en vermoeidheid, dan de maandagen na een omgangsweekend waarbij de vader [de minderjarige1] op zondagavond heeft teruggebracht naar de moeder. De vader heeft dit betwist. Hij heeft het verslag van het betreffende gesprek op school overgelegd. Het hof stelt vast dat hierin niet wordt vermeld dat [de minderjarige1] specifiek de door de moeder genoemde maandagochtend ander gedrag vertoont dan de rest van de maand. Ook uit de overige stukken is het hof niet gebleken dat [de minderjarige1] last ervan heeft dat hij op zondagavond teruggaat naar de moeder. De moeder heeft aangevoerd dat in de terugkoppeling van [naam] aan de raad en de rechtbank wordt vermeld dat [de minderjarige1] moeite heeft met schakelen tussen de vader en de moeder en na een overdrachtsmoment slecht slaapt. Naar het oordeel van het hof zal dit ook gelden als [de minderjarige1] tot maandagochtend bij de vader zou verblijven: dan zal hij alsnog moeite kunnen hebben met de wisseling tussen beide ouders.
Daarbij komt dat [de minderjarige1] in zijn brief aan het hof juist heeft geschreven dat hij tevreden is als zijn vader hem één keer per maand op maandag naar school blijft brengen (en dus niet vaker, zoals de moeder wenst).
Het hof zal de beslissing van de rechtbank dat de eerste twee omgangsweekenden van de maand tot zondag 19.00 uur zijn en het derde omgangsweekend tot maandagochtend naar school, dan ook in stand laten.
* Halen en brengen
5.6.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking beslist dat de ouder bij wie [de minderjarige1] is, zorgt voor het vervoer en [de minderjarige1] naar de andere ouder of overdrachtsplek brengt. De moeder stelt dat de vader de afgelopen jaren altijd het halen en brengen volledig op zich heeft genomen. Bovendien is het vanwege haar gezondheid voor haar zwaarder om [de minderjarige1] te brengen of te halen dan voor de vader. Daarbij komt dat zij geen auto heeft en gebruik moet maken van het openbaar vervoer. Dit heeft impact op de gemoedstoestand van [de minderjarige1] . De vader heeft dit betwist. Hij is van mening dat er geen aanleiding is om af te wijken van het uitgangspunt dat beide ouders het halen en brengen ieder bij helfte voor hun rekening moeten nemen.
5.7.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige1] is dat conform het uitgangspunt het halen en brengen evenredig tussen de ouders wordt verdeeld. Voor het hof wegen de volgende omstandigheden mee. De moeder heeft ervoor gekozen om nadat de relatie met de vader was geëindigd, met [de minderjarige1] te verhuizen van [woonplaats2] naar [woonplaats1] . Om mogelijk te maken dat [de minderjarige1] ook zijn vader blijft zien, ligt het dan ook op de weg van de moeder om een deel van het halen en/of brengen op zich te nemen. De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat zij vanwege haar gezondheid niet in staat is dit te doen. De enkele verklaring van de reumatoloog dat de moeder onder controle staat, acht het hof onvoldoende. Eerst ter zitting heeft de moeder gesteld dat haar aanvraag voor een scootmobiel is goedgekeurd, maar ook dit heeft zij niet onderbouwd met een schriftelijk stuk. Daarbij komt dat het voor het hof niet duidelijk is wat de grondslag of reden is van deze goedkeuring. Bovendien reist de moeder doordeweeks al dagelijks met [de minderjarige1] met het openbaar vervoer, onder andere om hem naar school en voetbaltraining te brengen en daar weer op te halen. Nu de moeder daartoe kennelijk wel in staat is, ook gelet op haar gezondheid, is het hof van oordeel dat zij ook drie keer per maand [de minderjarige1] met het openbaar vervoer naar de vader moet kunnen brengen.
5.8.
Ten aanzien van de overdrachtslocatie overweegt het hof als volgt. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige1] naar de andere ouder gebracht moet worden. Daarna heeft de voorzieningenrechter in het vonnis in kort geding van 9 februari 2026 bepaald dat de moeder [de minderjarige1] naar station [plaats1] brengt en de vader [de minderjarige1] daar ophaalt.
In hoger beroep hebben de ouders geen overeenstemming kunnen bereiken welke locatie het moet worden: het huis van de vader, station [plaats1] of station [plaats2] . Het hof zal daarom hierover een beslissing nemen en bepaalt als overdrachtslocatie station [plaats1] . De moeder en [de minderjarige1] hoeven dan niet nog met een bus naar het huis van de vader te reizen. Met betrekking tot de vraag bij welk treinstation de overdracht moet plaatsvinden, heeft de moeder eerst ter zitting gesteld dat [plaats2] voor haar handiger en fijner is. Namens de vader is verklaard dat dit voor beide ouders verder reizen is dan [plaats1] en dat hij blijft bij zijn eerdere aanbod om [de minderjarige1] op [plaats1] op te halen. Nu de vader al de moeder tegemoetkomt door aan te bieden [de minderjarige1] bij een station op te halen (in plaats van dat de moeder [de minderjarige1] naar het huis van de vader brengt), is het hof van oordeel dat de overdracht bij station [plaats1] moet plaatsvinden.
Omdat station [plaats1] niet als overdrachtslocatie was bepaald in de bestreden beschikking, die aan het hof voorligt, zal het hof om praktische redenen dit alsnog vastleggen en bepalen dat de moeder [de minderjarige1] naar station [plaats1] moet brengen.
* De verdeling van de zomervakantie
5.9.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige1] in de even jaren drie weken aaneengesloten bij de vader en aansluitend drie weken aaneengesloten bij de moeder is (3-3). Voor de oneven jaren heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige1] de eerste twee weken bij de vader doorbrengt, daarna twee weken bij de moeder, vervolgens een week
bij de vader en de laatste week bij de moeder (2-2-1-1). De rechtbank was hiermee tegemoetgekomen aan de wensen van beide ouders, omdat de vader de 3-3-verdeling wil en de moeder de 2-2-1-1-verdeling. Beide ouders zijn het echter niet eens met deze verdeling. De moeder wil dat elk jaar de verdeling van 2-2-1-1 wordt toegepast. En de vader wil dat elk jaar de 3-3-verdeling wordt toegepast.
5.10.
Het hof zal bepalen dat [de minderjarige1] elk jaar drie weken aaneengesloten bij de vader verblijft en aansluitend drie weken bij de moeder (de 3-3-verdeling). Het hof acht het voor alle betrokkenen het duidelijkst als elk jaar dezelfde verdeling wordt toegepast. De moeder heeft als bezwaar tegen de 3-3-verdeling aangevoerd dat zij vanwege haar gezondheid niet in staat is drie aaneengesloten weken voor [de minderjarige1] te zorgen. Het hof is van oordeel dat de moeder, net als ten aanzien van het halen en brengen, onvoldoende heeft onderbouwd dat zij hier onvoldoende toe in staat is.
5.11.
Het hof zal dan ook het verzoek van de vader in zijn incidenteel hoger beroep toewijzen en over de zomervakantie een andere beslissing nemen dan de rechtbank heeft gedaan.
* Het aanvangsmoment van de kerstvakantie en het overdrachtsmoment tijdens de kerstdagen
5.12.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij het hof verschilden de ouders van mening of de kerstvakantie ingaat op de maandag nadat [de minderjarige1] voor het laatst verplicht naar school is geweest of op de dag dat [de minderjarige1] vrij krijgt. Ook verschilden de ouders van mening of het overdrachtsmoment op tweede kerstdag om 10.00 uur of om 12.00 uur is.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders hierover overeenstemming bereikt. Zij hebben afgesproken dat het overdrachtsmoment op tweede kerstdag om 11.00 uur zal zijn en dat de vakanties - niet alleen de kerstvakantie maar alle schoolvakanties - ingaan op de dag dat [de minderjarige1] vrij krijgt en dat het overdrachtsmoment halverwege de vakantie om 11.00 uur zal zijn. De ouders hebben ermee ingestemd dat, ondanks dat aan het hof procedureel gezien alleen de kerstvakantie voorligt, het hof dit vastlegt voor alle vakanties. Het hof zal dan ook dienovereenkomstig bepalen.

6.De slotsom

6.1.
Het hof zal over een aantal onderdelen van de zorgregeling een andere beslissing nemen dan de rechtbank. Voor het overzicht zal het hof hierna wel de volledige zorgregeling opnemen en daarom de bestreden beschikking vernietigen en de zorgregeling opnieuw vaststellen.
6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met zaaknummer 200.363.142/02 (het schorsingsverzoek)
wijst het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking af;
in de zaak met zaaknummer 200.363.142/01 (de hoofdzaak)
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 25 november 2025, en opnieuw beschikkende:
stelt de volgende zorgregeling vast:
reguliere zorgregeling:
- [de minderjarige1] is de eerste drie weekenden van de maand bij de vader. Als de maand uit vijf
weekenden bestaat, betekent dat dat de moeder twee weekenden met [de minderjarige1] doorbrengt.
[de minderjarige1] zal vanaf vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader zijn, behalve het derde weekend, dan is [de minderjarige1] tot maandagochtend naar school bij de vader, waarbij de vader [de minderjarige1] naar school brengt;
zomervakantie:
- [de minderjarige1] is elk jaar drie weken aaneengesloten bij de vader en aansluitend drie weken aaneengesloten bij de moeder. De overdracht is om 11.00 uur;
de eenweekse vakanties:
- [de minderjarige1] is in de herfst- en voorjaarsvakantie in de even jaren vanaf de dag dat [de minderjarige1] vrij krijgt tot en met woensdag bij de moeder en donderdag en vrijdag bij de vader. In de oneven jaren is [de minderjarige1] van maandag tot en met woensdag bij de vader en donderdag en vrijdag bij de moeder. De overdracht is om 11.00 uur;
de tweeweekse vakanties:
- [de minderjarige1] brengt in de even jaren de eerste vakantieweek bij de vader door en de tweede
week bij de moeder. In de oneven jaren brengt [de minderjarige1] de eerste vakantieweek door bij de moeder en de tweede week bij de vader;
- de overdracht is om 11.00 uur;
- [de minderjarige1] is in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie tot en met 26 december
11
uur bij vader. Vanaf 26 december 11.00 uur tot en met de vrijdag na nieuwjaar is hij bij de moeder. Hierna wordt de reguliere regeling hervat. In de oneven jaren is [de minderjarige1] de eerste week van de kerstvakantie tot en met 26 december 11.00 uur bij moeder. Vanaf 26 december 11.00 uur tot en met de vrijdag na nieuwjaar is hij bij de vader. Hierna wordt de reguliere regeling hervat;
de feestdagen:
- [de minderjarige1] is tijdens de paasdagen een dag van 10.00 tot 19.00 uur bij de andere ouder dan de ouder waar hij in het weekend is;
- [de minderjarige1] is tijdens de pinksterdagen een dag van 10.00 tot 19.00 uur bij de andere ouder dan de ouder waar hij in het weekend is;
- [de minderjarige1] viert de verjaardagen van zijn ouders en diens partners in het weekend dat [de minderjarige1] bij hem/haar is en de verjaardagen van kinderen, het zusje en het neefje (mz), het nichtje (vz) worden op de verjaardag zelf gevierd;
- [de minderjarige1] is de ene studiedag bij de vader en de andere bij de moeder;
- [de minderjarige1] is in de even jaren op Koningsdag bij de vader en in de oneven bij de moeder;
- [de minderjarige1] viert Sinterklaas bij de ouder waar hij op dat moment is;
het halen en brengen:
- wanneer [de minderjarige1] bij de moeder is, brengt de moeder [de minderjarige1] naar station [plaats1] en haalt de vader hem daar op. Wanneer [de minderjarige1] bij de vader is, brengt de vader [de minderjarige1] naar de moeder (behalve in het derde omgangweekend van de maand: dan brengt de vader [de minderjarige1] op maandagochtend naar school);
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. S. Kuijpers, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 17 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.