ECLI:NL:GHARL:2026:1604

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.360.587/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 347 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beschikking hoofdverblijfplaats minderjarige bij vader

De moeder en vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, geboren in 2021. De hoofdverblijfplaats van het kind is bij de vader, waar het kind sinds augustus 2025 naar school gaat. De moeder verzoekt in hoger beroep om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar haar adres en aanpassing van de zorgregeling.

Het hof overweegt dat een verhuizing naar de moeder een ingrijpende wijziging zou zijn die niet in het belang van het kind is. De situatie van de vader wordt als stabieler beoordeeld, mede omdat het kind goed functioneert op school en in de zorgregeling. De moeder woont deels in een andere plaats met haar partner, wat de stabiliteit beïnvloedt.

De aanvullende verzoeken van de moeder, waaronder digitale toegang tot het ouderportaal en contactregelingen, worden grotendeels niet in behandeling genomen of afgewezen. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en handhaaft de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.587/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 150830)
beschikking van 17 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. K.M. van Wijngaarden,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. K.J. Kanning.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 16 oktober 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 27 oktober 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 7 december 2025 met bijlage(n);
- een aanvullend beroepschrift van 13 februari 2026.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 25 februari 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger namens de raad voor de kinderbescherming (de raad).
3. De feiten
3.1.
De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad.
3.2.
Zij zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2021. De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] . [de minderjarige1] staat ingeschreven op het adres van de vader.
3.3.
De moeder heeft uit een eerdere relatie nog een zoon ( [de minderjarige2] , geboren [in] 2011). [de minderjarige2] woont bij de moeder.
Met haar huidige partner heeft de moeder nog een dochter ( [de minderjarige3] , geboren [in] 2024), die ook bij haar woont.
3.4.
De vader woont samen met zijn huidige partner.
3.5.
Bij vonnis van 11 februari 2022, hersteld bij vonnis van 17 februari 2022, heeft de voorzieningenrechter - voor zover hier van belang - [de minderjarige1] voorlopig toevertrouwd aan de moeder. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de door de ouders tijdens de zitting overeengekomen voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij [de minderjarige1] in de ene week van maandag 12.00 uur tot donderdag 12:00 uur bij de vader verblijft en vanaf dat moment tot maandag 12.00 uur bij de moeder en in de andere week van maandag 12.00 uur tot vrijdag 12.00 uur bij de vader en vanaf dat moment tot maandag 12.00 uur bij de moeder.
3.6.
Bij beschikking van 7 juni 2024 is het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie naar [plaats1] - nadat de ouders hierover tijdens de zitting overeenstemming hadden bereikt - afgewezen. Daarbij heeft de moeder tijdens de zitting haar verzoeken tot vervangende toestemming tot inschrijving van [de minderjarige1] op het adres van de moeder in de Basisregistratie Personen en op een basisschool in [plaats2]
ingetrokken, omdat de ouders zich bereid hadden verklaard deel te nemen aan het
hulpverleningstraject [naam1] om de onderlinge verhoudingen te
verbeteren en afspraken te maken over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en de inschrijving op een basisschool.
3.7.
Tijdens het traject bij [naam1] is geconcludeerd dat de ouders het onderling niet eens worden over de schoolkeuze voor [de minderjarige1] en de daarmee samenhangende hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] .

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank:
- de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige1] in te schrijven op basisschool [naam2] in [plaats3] ;
- de volgende zorgregeling vastgesteld tussen de moeder en [de minderjarige1] (dit is de zorgregeling die de moeder bij de rechtbank had verzocht):
- [de minderjarige1] verblijft bij de moeder van vrijdagmiddag uit school tot zondag om 18.00 uur in een vijfwekelijks schema, waarbij [de minderjarige1] in week 1, 3 en 5 bij de moeder zal
verblijven, waarna het schema zich herhaalt. Op deze manier is het mogelijk dat [de minderjarige1] bij beide ouders in het weekend een sociaal leven zal opbouwen, [de minderjarige1] verblijft buiten de schoolvakanties om 60% van de weekends bij de moeder;
- [de minderjarige1] verblijft bij de moeder gedurende alle schoolvakanties die niet langer dan één
week duren;
- [de minderjarige1] verblijft in de even jaren bij de moeder tijdens de eerste helft van de kerstvakantie, de meivakantie (mits deze twee weken duurt) en de zomervakantie en
tijdens de tweede helft van deze vakanties bij de vader, in de oneven jaren is dit
andersom;
- de ouders maken desgewenst in onderling overleg afwijkende afspraken voor feestdagen, verjaardagen, Vader- en Moederdag etc.;
- wat betreft de vakanties wordt bedoeld de schoolvakantieperiodes zoals die voor [de minderjarige1] gelden;
- het meer of anders verzochte, waaronder het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij haar te bepalen, afgewezen.
4.2.
De moeder komt met vier grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.
Primair verzoekt de moeder het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
I. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] zal zijn op het adres van de moeder;
II. vervangende toestemming te verlenen die in de plaats treedt van de toestemming van de vader voor de aanmelding van [de minderjarige1] bij openbare basisschool [naam3] in [plaats2] ;
III. de geldende zorgregeling te wijzigen en een regeling te bepalen als genoemd in randnummer 14 van het door de moeder in eerste aanleg ingediende verweerschrift.
Subsidiair verzoekt de moeder het hof:
IV. te bepalen dat de vader binnen zeven dagen na de datum van afgifte van de beschikking van het hof bij de desbetreffende kinderopvangvoorziening zal realiseren dat de moeder digitale toegang krijgt tot het ouderportaal, ook als dit betekent dat de registratie van de partner van de vader hiervoor moet wijken op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de vader hiertoe in gebreke zal blijven.
4.3.
De moeder heeft op 13 februari 2026 haar verzoeken aangevuld en het hof verzocht:
I. aan de door de moeder onder punt IV van het petitum van het beroepschrift vermelde dwangsombepaling een maximum te verbinden van € 5.000,-;
II. te bepalen dat [de minderjarige1] (beeld)belcontact heeft met de ouder waar zij op dat moment niet verblijft op dinsdag en donderdag tussen 18.00 en 19.00 uur en op zaterdag tussen 11.00 en 12.00 uur;
III. te bepalen dat de ouders elkaar eenmaal per twee weken op zaterdag via e-mail of Whatsapp informeren en consulteren over [de minderjarige1] ;
IV. de vader voor de duur van vijf jaar ingaande op de dag na de datum van de af te geven
beschikking te verbieden om te (doen) plaatsen dan wel het geplaatst te houden van foto- en filmmateriaal op internet en social media waarop [de minderjarige1] is afgebeeld op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat hij hiertoe in gebreke zal blijven met een maximum van € 5.000,-.
4.4.
De vader voert verweer en verzoekt het hof de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Aanvullende verzoeken van de moeder
5.1.
Het hof zal, zoals tijdens de zitting al is meegedeeld, de aanvullende verzoeken van de moeder onder II, III en IV (ingediend bij journaalbericht van 13 februari 2026) niet in behandeling nemen. Het betreffen geheel nieuwe verzoeken die in strijd zijn met de uit artikel 347 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voortvloeiende tweeconclusieregel. Het aanvullende verzoek onder I zal het hof wel in behandeling nemen. Dit verzoek houdt namelijk in om een maximum van € 5.000,- te verbinden aan de door de moeder onder punt IV van het petitum van het beroepschrift verzochte dwangsom. Dit betreft een vermeerdering van een eerder ingediend verzoek en dus niet een geheel nieuw verzoek.
Hoofdverblijfplaats
5.2.
Het hof is van oordeel dat de beslissing over de hoofdverblijfplaats in de bestreden beschikking in stand moet blijven. Het hof zal dat hierna uitleggen.
5.3.
Sinds de bestreden beschikking van 18 juli 2025 is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de vader. Zij is nu vier jaar en gaat sinds augustus 2025 naar de basisschool [naam2] in [plaats3] (de woonplaats van de vader). Het gaat goed met [de minderjarige1] , zowel bij de vader als op school. De zorgregeling zoals de rechtbank die heeft bepaald, wordt uitgevoerd. Als deze situatie voor [de minderjarige1] nu zou veranderen door een verhuizing van [woonplaats2] naar [woonplaats1] , waar de moeder nu woont, is dat een dusdanig ingrijpende wijziging die het hof niet in het belang van [de minderjarige1] acht.
5.4.
Daarbij komt dat tijdens de zitting naar voren is gekomen dat de huidige partner van de moeder, met wie zij een 1-jarige dochter heeft, in [plaats4] woont en dat de moeder nu ook wekelijks een paar dagen in [plaats4] is. De moeder heeft naar eigen zeggen op korte termijn geen plannen om te gaan samenwonen in [plaats4] , maar zij weet nog niet of zij op langere termijn met haar partner zal gaan samenwonen en zo ja waar. De situatie van de moeder lijkt wat dat betreft minder stabiel dan die van de vader, nog los van de vraag hoe de moeder de zorg van [de minderjarige1] (en haar andere zoon en dochter) zou willen vormgeven in combinatie met de omstandigheid dat haar partner in [plaats4] woont en zij daar wekelijks een paar dagen verblijft.
5.5.
Het hof ziet in het door de moeder aangevoerde geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De moeder heeft aangevoerd dat de vader - anders dan dat hij bij de rechtbank heeft verklaard - er niet voor gekozen heeft om [de minderjarige1] voor en na school overwegend zelf op te vangen, maar dat hij nu professionele opvang heeft ingeschakeld. Het hof ziet in deze omstandigheid onvoldoende reden om te bepalen dat [de minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder moet hebben. De vader heeft in zijn verweerschrift en tijdens de zitting afdoende uitgelegd dat hij vanwege de wachtlijsten een contract heeft afgesloten voor het geval hij gebruik zou willen maken van de kinderopvang. Hij hoeft geen gebruik te maken van de opvang omdat hij zijn werktijden kan aanpassen, maar omdat [de minderjarige1] graag met haar vriendinnetjes op de kinderopvang wil spelen, gaat ze drie keer per week naar de opvang. Daarbij komt dat [de minderjarige1] wanneer zij bij de moeder zou wonen ook een aantal keer naar de opvang of een oppas zou gaan, omdat de moeder overdag werkt.
5.6.
Verder heeft de moeder gesteld dat de band tussen [de minderjarige1] en haar halfbroer en halfzusje in het gedrang komt wanneer [de minderjarige1] in [plaats3] naar school gaat. Het is volgens de moeder in het belang van [de minderjarige1] om in gezinsverband op te groeien met haar halfbroer en halfzusje.
Het hof is van oordeel dat dit belang van [de minderjarige1] in het geheel van omstandigheden niet doorslaggevend is.
5.7.
Gelet op het bovenstaande oordeel over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] , behoeven de verzoeken van de moeder over vervangende toestemming voor inschrijving van [de minderjarige1] op een school in [plaats2] en over de zorgregeling geen bespreking meer.
5.8.
De moeder heeft subsidiair verzocht te bepalen dat de vader bij de kinderopvang zal realiseren dat de moeder digitale toegang krijgt tot het ouderportaal, op straffe van een dwangsom. Volgens de moeder heeft de vader na de bestreden beschikking laten zien dat de door de moeder uitgesproken vrees dat zij door de vader niet zal worden betrokken bij de schoolgang terecht is. Het hof volgt de moeder hierin niet. De vader heeft in zijn verweerschrift en tijdens de zitting uitgelegd dat de moeder zelf informatie kan opvragen bij en krijgen van de school en kinderopvang. Zij heeft daarvoor ook een formulier ontvangen van school voor onder meer de toegang tot het ouderportaal. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 juli 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kuijpers, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. L. van Dijk, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 17 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.