ECLI:NL:GHARL:2026:1603

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.358.563/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253c BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging gezamenlijk gezag ouders ondanks slechte communicatie

De moeder en vader zijn ouders van twee minderjarige kinderen, waarvan de oudste sinds 2017 gezamenlijk gezag heeft en de jongste alleen bij de moeder. De moeder verzocht het gezamenlijk gezag te beëindigen en alleen het gezag te krijgen, terwijl de vader het gezamenlijk gezag wilde behouden. De rechtbank wees het verzoek van de moeder af en stelde het gezamenlijk gezag vast.

In hoger beroep bevestigt het hof deze beslissing. Het hof overweegt dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is en dat slechts uitzonderlijk eenouderlijk gezag wordt toegekend. Ondanks slechte communicatie tussen de ouders is niet gebleken dat de vader het gezag zodanig belemmert dat beëindiging gerechtvaardigd is. De betrokkenheid van de vader is belangrijk voor het contact en de belangen van de kinderen.

De oudste dochter wil alleen het gezag van de moeder, maar het hof acht het in haar belang dat de vader het gezag behoudt om betrokken te blijven, zeker gezien de hulpverlening en de voorgeschiedenis. De jongste dochter heeft een hechte band met de vader en omgangsregeling, wat het gezamenlijk gezag rechtvaardigt. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag van de ouders over beide minderjarige kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.563/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 576117)
beschikking van 17 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. C.C. Sneper,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Pool.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 20 augustus 2024 en de beschikking van 15 mei 2025, beide van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 15 mei 2025 zal hierna ook worden aangeduid als de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 14 augustus 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 14 oktober 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een brief van de raad voor de kinderbescherming (de raad) van 6 januari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een journaalbericht namens de vader van 16 februari 2026 met bijlage(n).
2.2.
Op 24 februari 2026 is [de minderjarige1] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen met de voorzitter en de griffier een gesprek heeft gehad.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 25 februari 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder;
- de vader, bijgestaan door mr. A.L. Witteveen (waarnemend advocaat voor mr. Pool).

3.De feiten

3.1.
De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad.
3.2.
Zij zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2009;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2019.
3.3.
Sinds 11 december 2017 zijn de ouders gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige1] .
De moeder had tot de bestreden beschikking alleen het gezag over [de minderjarige2] .
3.4.
De kinderen wonen bij de moeder.
3.5.
[de minderjarige1] heeft van 11 december 2014 tot 11 september 2019 onder toezicht gestaan. Sinds 29 juli 2021 staan [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (de GI). De termijn liep tot 29 januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder onbetwist verklaard dat de termijn voor [de minderjarige1] is verlengd met een half jaar en voor [de minderjarige2] met een jaar.
3.6.
Op 20 augustus 2024 heeft de rechtbank als voorlopige zorg-/omgangsregeling bepaald dat er onder regie van de GI contactherstel zal plaatsvinden tussen de vader en de kinderen, waarbij er toegewerkt wordt naar minimaal een wekelijks contactmoment tussen de vader, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Verder heeft de rechtbank de raad verzocht te onderzoeken:
- welke zorg-/omgangsregeling in het belang van de kinderen is;
- waar de kinderen het beste kunnen wonen;
- welke beslissing over het gezag het meest in het belang van de kinderen is;
- welke hulpverlening de ouders, in het belang van de kinderen, dienen te ontvangen.
3.7.
Bij de bestreden beschikking van 15 mei 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
- de vader gezamenlijk met de moeder belast met het gezag over [de minderjarige2] ;
- het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] te beëindigen en haar alleen met het gezag te belasten afgewezen;
- de voorlopige zorgregeling gewijzigd en bepaald dat er voorlopig tussen de vader en [de minderjarige1] geen omgang plaatsvindt en dat tussen de vader en [de minderjarige2] onder regie van de GI omgang plaatsvindt;
- de (verdere) beslissing over de definitieve zorg- en informatieregeling voor de duur van zes maanden aangehouden in afwachting van het verloop van de hulpverlening van [de minderjarige1] en het verloop van de omgang tussen de vader en [de minderjarige2] ;
- de overige verzoeken van de ouders, waaronder het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen, afgewezen.
3.8.
De rechtbank heeft op 22 januari 2026, voor zover hier van belang:
- de voorlopige zorgregeling zoals die is vastgesteld in de bestreden beschikking opgeheven;
- het verzoek van de vader om een zorgregeling tussen hem en [de minderjarige1] vast te stellen, afgewezen;
- een definitieve zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige2] vastgesteld, waarbij onder de regie van de GI zal worden toegewerkt naar een regeling waarbij [de minderjarige2] om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur en de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft.

4.De omvang van het geschil

4.1.
De moeder komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (zo begrijpt het hof) voor zover het betreft de beslissingen over het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag over [de minderjarige2] af te wijzen en het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag over [de minderjarige1] toe te wijzen, althans een beslissing te nemen die het hof juist en in het belang van de kinderen acht.
4.2.
De vader voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking, (zo begrijpt het hof) voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
De afgelopen jaren hadden de vader en de moeder gezamenlijk het gezag over [de minderjarige1] en had de moeder alleen het gezag over [de minderjarige2] . De moeder heeft aan de rechtbank (en nu ook aan het hof) gevraagd om te bepalen dat zij over beide kinderen alleen het gezag heeft. De vader heeft juist gevraagd om te bepalen dat hij en de moeder gezamenlijk het gezag over beide kinderen hebben.
5.2.
Op het verzoek van de moeder is artikel 1:253n, leden 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing, in samenhang met artikel 1:251a lid 1 BW. Uit die artikelen volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van één van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Deze criteria (het onder a genoemde klemcriterium en het onder b genoemde noodzakelijkheidscriterium) gelden ook voor het verzoek van de vader om samen met de moeder te worden belast met het gezag over [de minderjarige2] . Dit volgt uit artikel 1:253c, leden 1 en 2 BW.
5.3.
Het uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. De moeder is van mening dat er een dergelijke uitzonderingssituatie is, kort gezegd omdat de ouders niet met elkaar (kunnen) communiceren over de kinderen. De vader bestrijdt dat er een uitzonderingssituatie is. Hij wil graag het gezag over de kinderen (houden), omdat hij een band wil behouden met zijn kinderen en zonder gezag vervreemd zal raken van de kinderen. De raad heeft tijdens de procedure bij de rechtbank onderzoek gedaan en de rechtbank geadviseerd te beslissen dat beide ouders het gezag over beide kinderen hebben.
5.4.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking beslist dat beide ouders het gezag over beide kinderen moeten hebben. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen.
“De rechtbank volgt het advies van de Raad en zal de vader voortaan samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige2] belasten en zal het verzoek van de moeder om zelfstandig met het gezag over [de minderjarige1] belast te worden afwijzen. Ouders moeten samen beslissingen over hun kinderen nemen, ook als zij uit elkaar zijn. De rechtbank ziet hier geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. De moeder heeft gesteld dat de vader de afgelopen jaren geen toestemming heeft gegeven voor de hulpverlening van [de minderjarige1] , maar de vader betwist dit. De rechtbank kan niet vaststellen wie van de ouders de waarheid spreekt, maar ziet wel dat de vader op dit moment meewerkt met de GI en ook toestemming geeft als dit nodig is. De rechtbank heeft er daarom vertrouwen in dat de vader het beste voor heeft met beide kinderen en mee zal werken aan beslissingen die in hun belang zijn. De komende periode is de GI nog betrokken, dus kunnen zij erop toezien dat de ouders op een juiste wijze invulling
geven aan het gezamenlijk gezag. Ten aanzien van [de minderjarige1] weegt de rechtbank mee dat de
beëindiging van het gezag van de vader kan leiden tot een nog verdere verwijdering tussen de vader en [de minderjarige1] , waardoor contactherstel in de toekomst bemoeilijkt wordt. Nu [de minderjarige1]
hulpverlening ontvangt van [naam1] en er diagnostiek gaat plaatsvinden, vindt de rechtbank dit niet het juiste moment om het gezag van de vader te beëindigen.”
5.5.
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank over het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moet blijven gelden. Het hof kan zich na eigen onderzoek vinden in de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne. Daaraan voegt het hof het volgende toe.
Ten aanzien van [de minderjarige1]
5.6.
heeft in het gesprek met de voorzitter en de griffier verteld dat zij wil dat de moeder alleen het gezag over haar heeft. Ze heeft daarvoor twee redenen. De eerste is dat de vader dan bepaalde gezagskwesties niet meer kan tegenhouden, bijvoorbeeld aanmelding van [de minderjarige1] bij een psycholoog en bepaalde schoolkwesties. De tweede reden is dat [de minderjarige1] geen contact heeft met de vader. Zij vindt het in die situatie geen nut hebben dat de vader het gezag over haar heeft.
5.7.
[de minderjarige1] is nu 16 jaar. De ouders hebben lange tijd een ‘knipperlicht-relatie’ gehad. In 2023 hebben zij hun relatie definitief beëindigd. De vader heeft tot die tijd dus nog onderdeel uitgemaakt van het leven van [de minderjarige1] . Maar ook daarna is de vader nog betrokken geweest. In 2023 en 2024 is [de minderjarige1] meerdere malen bij de moeder weggelopen en heeft zij bij de vader verbleven. Weliswaar heeft [de minderjarige1] nu sinds enige tijd geen omgang meer met haar vader en heeft zij op dit moment hier geen behoefte aan, maar het hof acht het juist in deze situatie en gelet op de voorgeschiedenis tussen de vader en [de minderjarige1] , in het belang van [de minderjarige1] dat de vader het gezag over haar houdt. Met name omdat hij op die manier - in elk geval de resterende kleine twee jaar totdat [de minderjarige1] meerderjarig is - betrokken kan blijven in het leven van [de minderjarige1] . Als gezaghebbende ouder kan de vader dan rechtstreeks informatie van bijvoorbeeld de GI, de school en hulpverlening krijgen. De e-mailberichten die de moeder naar eigen zeggen nu maandelijks aan de vader stuurt, acht het hof hiertoe onvoldoende.
5.8.
Het enkele feit dat de ouders nauwelijks met elkaar communiceren over de kinderen brengt niet mee dat het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] zonder meer alleen aan de moeder moet worden toegekend. Daarmee dient immers uiterst terughoudend te worden omgegaan. Het hof is niet gebleken dat de vader gezagsbeslissingen zodanig belemmert dat dit de beëindiging van zijn gezag rechtvaardigt. Tot op heden zijn de gezagsbeslissingen voor [de minderjarige1] (en ook [de minderjarige2] ), al dan niet met behulp van de GI, genomen.
5.9.
Bovendien is namens de vader aangevoerd dat de vader angst heeft dat als zijn gezag over [de minderjarige1] wordt beëindigd, er voor hem een nog ongelijkwaardiger rol ontstaat ten opzichte van de moeder en dat [de minderjarige1] dit als bewijs zal zien dat haar vader er niet voor haar is. Het hof acht in dit geval inderdaad het risico aanwezig dat [de minderjarige1] zich (op langere termijn) afgewezen kan voelen door de vader wanneer hij niet meer het gezag over haar heeft. Beëindiging van het gezag van de vader is ook daarom niet in het belang van [de minderjarige1] .
5.10.
Het hof concludeert dan ook dat de rechtbank op goede gronden het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] heeft afgewezen.
Ten aanzien van [de minderjarige2]
5.11.
De situatie van [de minderjarige2] is deels anders dan die van haar zus [de minderjarige1] , in die zin dat [de minderjarige2] tien jaar jonger is dan [de minderjarige1] en dat zij wel omgang heeft met haar vader en dit zelf ook wil. Het hof vindt het van belang dat beide ouders het gezag over [de minderjarige2] hebben.
5.12.
In de afgelopen periode is de omgang tussen [de minderjarige2] en de vader opgebouwd. De vader heeft nu wekelijks op woensdagmiddag omgang met [de minderjarige2] , deels begeleid door [naam1] . [naam1] heeft in zijn verslag van 6 november 2025 onder meer geconcludeerd dat zichtbaar is geworden dat de vader en [de minderjarige2] een hechte band hebben opgebouwd. De omgang heeft volgens [naam1] geleid tot een duurzame, positieve en warme relatie tussen de vader en [de minderjarige2] , waarin zij zich beiden veilig en op hun gemak voelen.
Na de bestreden beschikking heeft de rechtbank nog een beschikking gegeven. Daarin is met betrekking tot de zorgregeling bepaald dat onder de regie van de GI zal worden toegewerkt naar een regeling waarbij [de minderjarige2] om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur en de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft. Het hof acht het mede vanwege deze omstandigheid van belang dat ook de vader het gezag heeft over [de minderjarige2] . In het door de moeder aangevoerde ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van gezamenlijk gezag. Integendeel, voor een goede uitvoering van de zorgregeling is het van belang dat de vader voldoende op de hoogte is van wat er zich in het dagelijkse leven van [de minderjarige2] afspeelt, zodat hij goed kan aansluiten bij (de behoeften van) [de minderjarige2] .

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 15 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en
mr. S. Kuijpers, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 17 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.