Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1598

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.363.160
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland stelde een minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) tot 3 oktober 2026 vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof bevestigde de ondertoezichtstelling.

Het hof constateerde dat ondanks de inzet van hulpverlening er nog steeds grote zorgen zijn over de ontwikkeling van de minderjarige, mede door de gedragsproblemen van zijn oudere broer en het gebrek aan inzicht van de moeder in de problematiek. De moeder erkent de zorgen niet volledig en heeft pas recent ambulante hulpverlening geaccepteerd.

Het hof oordeelde dat de ontwikkelingsbedreiging niet voldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening en dat de GI regie moet blijven voeren over de hulpverlening. Daarom blijft de ondertoezichtstelling van kracht tot 3 oktober 2026.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt bekrachtigd tot 3 oktober 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.160
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 599426
beschikking van 17 maart 2026
over de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige1]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. F.S. Boedhoe
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Utrecht
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[belanghebbende](de vader)
die woont in [woonplaats] .

1.1. Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft [de minderjarige1] onder toezicht gesteld van de GI tot 3 oktober 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader hebben samen twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is [in] 2020 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2011 geboren.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
[de minderjarige1] woont bij de moeder en [de minderjarige2] woont bij de vader.
2.4.
[de minderjarige2] en [de minderjarige1] staan sinds 3 oktober 2025 onder toezicht van de GI.
Deze beschikking gaat alleen over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft verzocht [de minderjarige1] onder toezicht te stellen voor een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toegewezen en [de minderjarige1] onder toezicht van de GI gesteld tot 3 oktober 2026.
3.3.
Die beslissing is gegeven op 3 oktober 2025 en schriftelijk vastgelegd in een beschikking op 21 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift
- de brief van de raad van 19 januari 2026.
4.4.
De zitting bij het hof was op 13 februari 2026. Aanwezig waren:
- de moeder met haar advocaat
- een vertegenwoordiger van de raad.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de gronden om [de minderjarige1] onder toezicht te stellen. Het hof neemt – na eigen onderzoek – de overwegingen van de kinderrechter over en voegt daar nog het volgende aan toe.
5.3.
In hoger beroep is gebleken dat er ook nadat de bestreden beschikking is uitgesproken nog steeds grote zorgen zijn over de ontwikkeling van [de minderjarige1] .
Een van de zorgen is de invloed van de gedragsproblemen van [de minderjarige2] op [de minderjarige1] en of de ouders zien en kunnen aansluiten bij wat [de minderjarige1] hierin nodig heeft. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verteld over het kopieergedrag (van het gedrag van [de minderjarige2] ) dat [de minderjarige1] vertoont. Zij heeft beschreven dat [de minderjarige1] wel negatief gedrag laat zien, waaronder boosheid en agressie, maar dat volgens haar elk kind wel gedrag kopieert. De zorgen over [de minderjarige1] zijn volgens de moeder onterecht. Zo vertelt moeder over het incident in het zwembad in juli 2025, waarbij [de minderjarige1] door [de minderjarige2] in levensgevaar is gebracht, dat [de minderjarige1] van dit incident (waarbij hij bijna verdronk en gereanimeerd moest worden) helemaal geen last heeft en het er nooit over heeft. De moeder kan zich niet voorstellen dat er wellicht hulp voor [de minderjarige1] nodig kan zijn om dit te verwerken.
Naar het oordeel van het hof kan de moeder niet goed overzien wat de problemen die [de minderjarige2] heeft met [de minderjarige1] doen, zowel voor wat betreft zijn gedrag als zijn beleving van wat er is gebeurd, en wat dit voor gevolgen heeft (gehad) voor [de minderjarige1] . De moeder werkt inmiddels mee aan de ingezette ambulante hulp, die haar (onder andere) helpt bij het contact tussen de kinderen onderling, maar de zorgen om [de minderjarige1] worden door haar niet herkend of erkend.
5.4.
Een andere zorg is dat er weinig zicht is (gekomen) op de opvoedsituatie van [de minderjarige1] bij de moeder en haar mogelijkheden.
Uit het raadsrapport van 11 september 2025 blijkt dat de raad in zijn onderzoek daar niet meer zicht op heeft gekregen. De school van [de minderjarige1] (speciaal basisonderwijs) heeft de raad verteld over hoe het met [de minderjarige1] op school gaat. Hij kan zich maar kort concentreren en heftig en boos reageren als hij zijn zin niet krijgt. Volgens de moeder speelt dit pas enkele weken, maar dat komt niet overeen met de bevindingen van de raad. De school heeft echter geen zicht op de opvoedsituatie van [de minderjarige1] . Ook de gezinswerker bij [naam1] en de gezinsbehandelaar bij [naam2] hebben aan de raad verteld dat zij geen zicht hebben op hoe het met [de minderjarige1] gaat bij de moeder. Zij geven aan dat de moeder (ten tijde van het onderzoek) geen hulp wil.
Gelet op het voorgaande volgt het hof de moeder dan ook niet in haar stelling, dat uit het raadsrapport blijkt dat de betrokken instanties geen zorgen hebben over [de minderjarige1] . Hulpverlening is nodig om zicht te krijgen op hoe het met [de minderjarige1] bij de moeder gaat en welke hulpverlening voor hem en de ouders nodig is. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat bij de moeder ambulante hulpverlening is opgestart en in haar thuissituatie observaties zijn gedaan, maar dit is nog maar sinds kort. Om aan de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gesteld te werken, is meer tijd en voortzetting van deze hulpverlening nodig, mede om te kijken wat er verder nodig is.
5.5.
Het hof vindt dat de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige1] niet of onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Het is weliswaar positief dat de moeder nu meewerkt aan hulpverlening voor haar en [de minderjarige1] , maar naar het oordeel van het hof blijft de ondertoezichtstelling noodzakelijk.
Ondanks jarenlange betrokkenheid van het [naam1] en [naam2] bij de ouders, is het immers in het verleden niet gelukt om de juiste hulp langdurig in te zetten. De ouders hebben hulpverlening voortijdig beëindigd en daarnaast is sprake (geweest) van relatieproblematiek en persoonlijke problematiek bij de ouders. Gezien de ernst van de zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige1] is het belangrijk dat de GI regie over de in te zetten hulpverlening blijft voeren.
5.6.
De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 oktober 2025 over de ondertoezichtstelling tot 3 oktober 2026 van [de minderjarige1] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, P.B. Kamminga en L.D.M. Rubens-Snijders, bijgestaan door mr. S.M.M. van Dalen als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW