Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1595

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.362.708
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 820 RvArt. 358 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep bij echtscheiding wegens niet-rechtsgeldige betekening

In deze zaak staat de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de man tegen een echtscheidingsbeschikking centraal. De rechtbank Gelderland had eerder een beschikking gegeven waarbij het verzoek tot echtscheiding werd toegewezen. De man stelde hoger beroep in, maar de vraag was of dit tijdig en rechtsgeldig was gebeurd.

De man was sinds 12 november 2021 ingeschreven op een bekend adres. De deurwaarder had de beschikking echter niet persoonlijk aan hem betekend, maar openbaar betekend aan een ambtenaar van het openbaar ministerie en een uittreksel in de Staatscourant geplaatst. In het exploot werd onjuist vermeld dat de man geen bekende woon- of verblijfplaats had, terwijl hij met zijn gezin op het adres verbleef.

De deurwaarder had een onderzoeksplicht om het juiste adres te verifiëren, wat niet is gebeurd. Ook de verbouwing van het huis en tijdelijke afwezigheid van de man deden niet af aan deze verplichting. Hierdoor is de betekening niet rechtsgeldig en is de termijn voor hoger beroep nog niet gaan lopen. Het hof verklaart de man daarom ontvankelijk in zijn hoger beroep en bepaalt dat de vrouw de beschikking opnieuw aan de man moet betekenen.

Uitkomst: De man is ontvankelijk in hoger beroep omdat de betekening van de echtscheidingsbeschikking niet rechtsgeldig was verricht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.708
(zaaknummer rechtbank Gelderland 436314)
beschikking van 17 maart 2026over de ontvankelijkheid in hoger beroep
inzake
[appellant],
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A.M. Beuwer,
en
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E. El-Sharkawi.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024, uitgesproken onder zaaknummer 436314.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een beroepschrift met producties, ingekomen op 17 december 2025;
- een brief van mr. Beuwer van 28 januari 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling over de ontvankelijkheid van de man in hoger beroep, heeft op 11 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Voor de vrouw was er een tolk in de Arabische taal.

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1
Aan de orde is alleen de vraag of de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
Omdat het specifiek gaat over de scheidingsprocedure zijn de artikelen 815 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 820 eerste Pro lid Rv kan, in afwijking van het bepaalde van artikel 358 tweede Pro lid Rv, een echtgenoot die in eerste aanleg niet in de procedure is verschenen, tegen een beschikking waarbij een verzoek tot echtscheiding is toegewezen, hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig het tweede lid openlijk bekend is gemaakt.
Op grond van het tweede lid van artikel 820 Rv Pro gebeurt de openlijke bekendmaking door plaatsing van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
3.2
Gebleken is dat de man volgens het door hem overgelegde uittreksel uit de Basis Registratie Personen (BRP) sinds 12 november 2021 staat ingeschreven aan het adres [adres] in [woonplaats] .
Omdat de man een bekend adres heeft, had de echtscheidingsbeschikking op grond van artikel 820 Rv Pro, indien mogelijk, aan de man in persoon moeten worden betekend. Dat is niet gebeurd. De deurwaarder heeft gelijk openbaar betekend (aan de ambtenaar van het openbaar ministerie) en heeft een uittreksel van de echtscheidingsbeschikking in de Staatscourant laten publiceren.
In het betekeningsexploot van 3 oktober 2024 staat dat de man ‘zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland’ is. De man heeft echter verklaard dat hij op dat moment, met zijn gezin, de woning aan de [adres] in [woonplaats] bewoonde.
3.3
De deurwaarder heeft een onderzoeksplicht bij het betekenen van een exploot aan iemands woonplaats. Dat betekent onder meer dat een deurwaarder is gehouden om recente adresgegevens uit de BRP te raadplegen en deze gegevens te verifiëren aan de hand van de feitelijke situatie op dat adres. Er is niet gebleken dat de deurwaarder dit heeft gedaan. Integendeel: de man heeft verklaard dat hij achteraf telefonisch contact heeft gehad met het deurwaarderskantoor en dat hem is bevestigd dat de deurwaarder niet naar zijn huis is gegaan maar meteen tot openbare betekening is overgegaan.
3.4
Het voorgaande betekent dat er niet rechtsgeldig is betekend. Het gegeven dat het huis van de man in de periode van november 2023 tot eind augustus 2024 – toen het verzoekschrift tot echtscheiding moest worden betekend – werd verbouwd en de man en zijn gezin daar in die periode niet verbleven, doet aan het voorgaande niet af.
De deurwaarder had bij de betekening van de echtscheidingsbeschikking (opnieuw) moeten vaststellen waar de man woonde of feitelijk verbleef.
3.5
Dit heeft tot gevolg dat het exploot van de openbare betekening nietig is en het aan de vrouw is om de echtscheidingsbeschikking opnieuw aan de man te laten betekenen.
Omdat de appèltermijn nog niet is gaan lopen heeft de man dus tijdig hoger beroep ingesteld.
De man is dan ook ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de man ontvankelijk in zijn verzoeken in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, H. Phaff en S. Kuijpers, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 17 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.