ECLI:NL:GHARL:2026:1593

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.362.324
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:156 lid 1 BWArt. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlaging partneralimentatie na overlijden echtgenote

Het huwelijk van partijen werd in 2016 ontbonden en de man werd verplicht partneralimentatie te betalen aan de vrouw. Na het overlijden van zijn nieuwe echtgenote in 2025 verzocht de man de alimentatie te verlagen of op nihil te stellen vanwege hoge kosten voor haar ziekte en zijn eigen gezondheidsklachten.

De rechtbank wees dit verzoek af en het hof bevestigde deze beslissing. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende bewijs leverde dat de kosten noodzakelijk waren en dat hij geen vergoeding had aangevraagd via de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Ook was de man na zijn ontslag actief op zoek naar werk en ontbrak een terugbetalingsplicht voor de vrouw.

Het hof concludeerde dat de alimentatieverplichting onverminderd blijft en dat de man de wettelijke indexering van €334 per maand moet blijven betalen. De bestreden beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verlaging van partneralimentatie af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.324
(zaaknummer rechtbank Overijssel 333236)
beschikking van 17 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. K.E. van Hoeve
en
[verweerster](de vrouw)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. L.M. Scherphof.

1.Samenvatting

De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 10 september 2025 het verzoek van de man om de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie op nul of een lager bedrag vast te stellen, afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van partijen is op 12 februari 2016 ontbonden door echtscheiding.
2.2.
De man is daarna in het huwelijk getreden met [naam] (verder te noemen: zijn echtgenote). [naam] is [in] 2025 overleden.
2.3.
Bij beschikking van 6 november 2015 heeft de rechtbank bepaald dat de man € 251,- aan partneralimentatie aan de vrouw zal voldoen vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2025, als gevolg van de wettelijke indexering, afgerond € 334,- per maand.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De man heeft de rechtbank verzocht de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie vanaf 6 maart 2025 op nul of op een lager bedrag dan € 334,- vast te stellen. Ook heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek tot verlaging of nihilstelling van de partneralimentatie van de man afgewezen en bepaald dat de man en de vrouw ieder hun eigen proceskosten moeten dragen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De manis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en zijn verzoeken alsnog toewijst.
4.2.
De vrouwis het niet eens met de man. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. Als het hof het verzoek van de man toewijst, dan verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de vrouw geen terugbetalingsplicht heeft aan de man voor te veel ontvangen partneralimentatie.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift
  • de stukken van de man ingediend op 12 februari 2026.
4.4.
De zitting bij het hof was op 24 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de man met zijn advocaat
  • de vrouw (via een online verbinding) met haar advocaat.

5.De overwegingen voor de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechter kan partneralimentatie vaststellen voor de echtgenoot die niet voldoende inkomsten heeft voor levensonderhoud en daarin in redelijkheid ook zelf niet kan voorzien (artikel 1:156 lid 1 BW Pro).
5.2.
De rechter kan een eerder vastgesteld bedrag aan partneralimentatie wijzigen, indien zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan ( artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)).
Standpunten
5.3.
De man is het er niet mee eens dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de kosten voor zijn ernstig zieke echtgenote. Ter zitting heeft hij toegelicht dat zijn echtgenote kanker heeft gekregen, waaraan zij in het najaar van 2025 is overleden. Zo heeft hij kosten gemaakt voor drempel-aanpassingen, een laminaatvloer, aanpassingen aan de badkamer, rolgordijnen, zonneschermen, een airco, een wasmachine, een auto, camperhuur, een scootmobiel en elektrische fietsen. Ook heeft de man vanwege zijn reuma een jacuzzi aangeschaft om de pijn te verlichten. De transitievergoeding die hij van zijn voormalige werkgever heeft ontvangen. is volledig opgegaan aan deze kosten van, in totaal, € 40.302,24. Hij is niet in staat alimentatie te betalen.
5.4.
Volgens de vrouw heeft de man niet onderbouwd waarom hij deze kosten heeft
moeten maken: onduidelijk is wanneer zijn echtgenote ziek is geworden en of een verhuizing en de kosten die daarmee zijn gemaakt verband houden met haar ziekte. Ook is onduidelijk
of deze kosten door de gemeente zijn vergoed en of alle kosten noodzakelijk waren. Zelfs als dat duidelijk zou zijn, dan nog is het aan de man om aan te tonen dat door hem gemaakte kosten noodzakelijk waren en deze kosten voor gaan op zijn alimentatieverplichting. Alleen
de kosten voor het verwijderen van drempels zouden als een noodzakelijke woningaanpassing
kunnen gelden, alle andere door de man opgevoerde kosten niet. De keuze van de man om
zijn transitievergoeding ergens anders aan te besteden dan het aanvullen van zijn inkomen
mag niet ten koste gaan van het betalen van partneralimentatie. Tot slot rust op de man een inspanningsverplichting om weer aan het werk te komen.
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
Het hof vindt dat de man partneralimentatie aan de vrouw moet blijven betalen en dat de hoogte daarvan (vanaf 1 januari 2025) € 334,- is. Het hof is het dus eens met de rechtbank en sluit zich - na eigen onderzoek - aan bij de overwegingen van de rechtbank. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.6.
Vanaf 1 april 2024 is de man uit dienst getreden bij zijn werkgever en hij heeft daarbij een transitievergoeding ontvangen van bruto € 47.578,-. Aansluitend kreeg hij een WW-uitkering. Het hof heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de man niet voldoet aan de voor hem geldende sollicitatieplicht. De door de man in hoger beroep overgelegde sollicitaties laten zien dat hij zich voldoende inspant om aan het werk te komen.
5.7.
De vraag of de man in het licht van zijn alimentatieverplichting tegenover de vrouw mocht kiezen voor de optie om zijn transitievergoeding voor het grootste deel te gebruiken voor betaling van kosten van een laminaatvloer, rolgordijnen, zonneschermen, een airco, badkameraanpassingen, een wasmachine, een droger, een auto, camperhuur, een jacuzzi en elektrische fietsen, beantwoordt het hof negatief. De man stelt wel dat dit noodzakelijke kosten waren voor zijn ernstig zieke vrouw en zijn eigen gezondheidsklachten, maar heeft dit niet met bewijsstukken zoals doktersverklaringen onderbouwd. Van de door de man opgevoerde kosten voor een scootmobiel en drempelaanpassingen aan zijn woning is op zichzelf nog wel voorstelbaar dat dit verband hield met de ziekte van zijn echtgenote. Bewijsstukken dat de man vergoeding van deze kosten heeft gevraagd of dat aanvragen voor vergoeding van deze kosten zijn afgewezen, hadden in dit geval echter niet mogen ontbreken: in de regel komen dit soort kosten namelijk voor vergoeding in aanmerking op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). De man had bovendien mogelijk voor kosteloze drempelaanpassingen terecht gekund bij zijn verhuurder.
5.8.
De grief faalt. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 10 september 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, R. Feunekes en E. de Boer, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 17 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.