ECLI:NL:GHARL:2026:1589

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.357.890/01 en 200.357.894/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:452 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging benoeming professionele mentor voor ouders ondanks verzoek dochter

In deze civiele zaak stond de vraag centraal wie als mentor voor de ouders moest worden benoemd: de dochter of een professionele mentor. De kantonrechter had eerder een professionele mentor benoemd vanwege de geestelijke en lichamelijke toestand van de ouders. De dochter ging hiertegen in hoger beroep en verzocht zelf tot mentor te worden benoemd.

Tijdens de zitting verschenen de mentor, de bewindvoerder en een andere dochter, maar de verzoekster-dochter en de ouders waren afwezig. Het hof kon daardoor niet van de ouders vernemen wie hun voorkeur had. Gezien hun leeftijd, dementie en andere gezondheidsproblemen achtte het hof het niet wenselijk hen hierover te bevragen.

De feiten toonden aan dat de ouders eerder bij de dochter verbleven, maar er waren meldingen van verwaarlozing en ouderenmishandeling. Na interventie van Veilig Thuis en politie werden zij elders ondergebracht, waar zij nu goede zorg ontvangen. De professionele mentor werkt goed samen met de ouders en andere familieleden.

Het hof oordeelde dat de dochter niet geschikt is als mentor vanwege de omstandigheden en dat het belang van de ouders het beste wordt gediend met een professionele mentor. Daarom werden de bestreden beschikkingen bekrachtigd en het verzoek van de dochter afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de benoeming van een professionele mentor en wijst het verzoek van de dochter af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.357.890/01 (over [belanghebbende1] ) en 200.357.894/01 (over [belanghebbende2] )
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 11665381 (over [belanghebbende1] ) en 11665440 (over [belanghebbende2] )
beschikking van 17 maart 2026
in de zaken van
[verzoekster]( dochter [verzoekster] ),
die woont op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: voorheen mr. M.R. de Kok in Rotterdam, nu geen advocaat.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1](in zaaknummer 200.357.890/01: de betrokkene / de vader),
die woont op een bij het hof bekend adres,
[belanghebbende2](in zaaknummer 200.357.894/01: de betrokkene / de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
[belanghebbende3]( dochter [belanghebbende3] ),
die woont in Bussum,
[belanghebbende4]( zoon [belanghebbende4] ),
die woont op een bij het hof bekend adres,
[belanghebbende5] , h.o.d.n. [naam2](de mentor),
die is gevestigd in [plaats] ,
Connect Bewind B.V.(de bewindvoerder / de verzoeker in eerste aanleg),
die is gevestigd in Almere.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de twee afzonderlijke beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 1 mei 2025, uitgesproken onder zaaknummers 11665381 (over [belanghebbende1] ) en 11665440 (over [belanghebbende2] ).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de twee beroepschriften met bijlage(n), ingekomen op 31 juli 2025;
- de twee journaalberichten namens dochter [verzoekster] van 5 september 2025 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 25 februari 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- [belanghebbende3] ;
- de mentor;
- de bewindvoerder.
Dochter [verzoekster] en de overige belanghebbenden zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3.De feiten

3.1.
De vader is geboren [in] 1943 en de moeder [in] 1946. Zij zijn met elkaar getrouwd en hebben drie kinderen: dochter [verzoekster] , [belanghebbende3] en [belanghebbende4] .
3.2.
Bij twee afzonderlijke beschikkingen van 11 februari 2025 heeft de kantonrechter de goederen die aan de vader en de moeder (zullen) toebehoren onder bewind gesteld. Connect Bewind B.V. is tot bewindvoerder benoemd.
3.3.
De vader en de moeder hebben sinds eind 2024 (de moeder) en begin 2025 (de vader) enige tijd bij dochter [verzoekster] (en haar echtgenoot, [naam1] , en hun twee minderjarige kinderen) verbleven.
3.4.
Op 10 juli 2025 (dus na de bestreden beschikkingen) zijn de vader en de moeder overgeplaatst naar hun eigen woning. Op 24 juli 2025 zijn zij overgeplaatst naar een voor dochter [verzoekster] onbekende locatie. Nu wonen zij in een verpleeghuis.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikkingen heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, op verzoek van de bewindvoerder een mentorschap ingesteld ten behoeve van de vader en de moeder vanwege hun geestelijke of lichamelijke toestand. De kantonrechter heeft [belanghebbende5] , h.o.d.n. [naam2] ( [naam2] ), tot mentor benoemd. Verder heeft de kantonrechter de ouders, dochter [verzoekster] en de mentor opgeroepen voor de zitting van 9 mei 2025.
4.2.
Dochter [verzoekster] heeft door middel van twee afzonderlijke beroepschriften hoger beroep ingesteld tegen deze beschikkingen. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen (zo begrijpt het hof) voor zover daarbij [naam2] tot mentor is benoemd, en opnieuw rechtdoende, dochter [verzoekster] met ingang van een door het hof te bepalen datum tot mentor ten aanzien van haar vader en moeder te benoemen.
4.3.
[belanghebbende3] , de bewindvoerder en de mentor hebben tijdens de zitting mondeling hun standpunt kenbaar gemaakt.

5.De motivering van de beslissing

Beginsel van hoor en wederhoor
5.1.
Dochter [verzoekster] heeft zich in haar beroepschriften onder meer op het standpunt gesteld dat zij door de kantonrechter niet voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het verzoek tot het instellen van een mentorschap ten behoeve van haar ouders en de benoeming van een mentor. Het procesverloop in eerste aanleg is naar haar mening in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en daarom kunnen de bestreden beschikkingen niet in stand blijven, aldus dochter [verzoekster] .
5.2.
Dochter [verzoekster] heeft - daargelaten het antwoord op de vraag of de kantonrechter bij de totstandkoming van de bestreden beschikkingen heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor - geen belang bij behandeling van deze klacht. De procedure in hoger beroep strekt er immers mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Dochter [verzoekster] heeft in hoger beroep de zaak met betrekking tot de vraag wie tot mentor ten behoeve van haar ouders moet worden benoemd aan het hof voorgelegd. Zij heeft via haar advocaat in de beroepschriften haar inhoudelijke bezwaren tegen de bestreden beschikkingen kenbaar gemaakt. Het hof heeft haar vervolgens opgeroepen voor de zitting van 25 februari 2026. Dochter [verzoekster] is (net als bij de kantonrechter) niet verschenen bij de zitting en heeft dus geen gebruik gemaakt van de aan haar geboden mogelijkheid om gehoord te worden.
Benoeming mentor
5.3.
Ter beoordeling aan het hof ligt de vraag voor of [naam2] de mentor van de ouders moet zijn (zoals in de bestreden beschikkingen is bepaald) of dat dochter [verzoekster] tot mentor moet worden benoemd (zoals zij in hoger beroep heeft verzocht).
5.4.
Op grond van 1:452 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ingevolge het vierde lid van dat artikel wordt, tenzij lid 3 is toegepast, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot mentor benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.
5.5.
Het hof heeft de vader en de moeder (de betrokkenen) opgeroepen voor de zitting van 25 februari 2026. De vader en de moeder zijn echter niet verschenen, waardoor het hof niet van henzelf heeft kunnen horen wie er volgens hen tot hun mentor moet worden benoemd. Het hof zal de zaak niet aanhouden om de ouders alsnog in de gelegenheid te stellen hun voorkeur kenbaar te maken. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting is het volgende gebleken met betrekking tot de ouders. De vader is 83 jaar en de moeder is 79 jaar. Zij wonen in een verpleeghuis. De moeder is dementerend, heeft kanker en staat daarvoor onder behandeling bij het [ziekenhuis] . Ook de vader is cognitief achteruitgegaan en is verward. Verder heeft hij lichamelijke aandoeningen, waaronder hart- en vaatziekten. De moeder en de vader krijgen daarnaast momenteel begeleiding om te verwerken wat zij de afgelopen jaren hebben meegemaakt. De mentor heeft tijdens de zitting de stelling van dochter [verzoekster] in haar beroepschriften dat de ouders in staat zijn om hun voorkeur voor de te benoemen mentor uit te spreken, betwist. Volgens de mentor gaan de ouders in een gesprek mee met wat ze op dat moment van de ander horen, waardoor je niet ervan kunt uitgaan dat het hun eigen, authentieke mening is. Wel verwacht de mentor dat het voor de ouders belastend en mogelijk zelfs traumatiserend zal zijn en onrust bij hen zal veroorzaken, wanneer het hof vragen aan hen zal stellen over wat er de afgelopen jaren is gebeurd.
5.6.
Daarbij komt dat, ook in het geval dat de voorkeur van de ouders zou zijn dat dochter [verzoekster] tot mentor wordt benoemd zoals dochter [verzoekster] in hoger beroep stelt, er naar het oordeel van het hof gegronde redenen zijn die zich verzetten tegen deze benoeming. Het hof zal hierna uitleggen welke redenen dit zijn.
5.7.
De vader en de moeder woonden eerst nog zelfstandig. Eind 2024 en begin 2025 heeft dochter [verzoekster] haar moeder respectievelijk vader thuis opgehaald, maar daarna niet meer teruggebracht naar huis. In de periode daarna hebben verschillende professionele organisaties zorgelijke meldingen ontvangen over de situatie van de ouders bij dochter [verzoekster] thuis. Er waren signalen van verwaarlozing en ouderenmishandeling, onder meer doordat de ouders zeer weinig te eten kregen, niet (regelmatig) konden douchen en in de woonkamer sliepen. Bovendien verschenen de ouders niet op afspraken in het ziekenhuis, waardoor zij niet de behandeling kregen die zij nodig hadden. Uiteindelijk is door de professionele betrokkenen besloten dat het niet verantwoord was om de ouders langer bij dochter [verzoekster] te laten verblijven. Op 10 juli 2025 (dus na de bestreden beschikkingen) heeft Veilig Thuis met behulp van de politie de ouders bij dochter [verzoekster] weggehaald en teruggebracht naar hun eigen woning. Enkele weken later zijn ze overgeplaatst naar een voor dochter [verzoekster] geheim adres. Nu wonen de ouders in een verpleeghuis. Dochter [verzoekster] weet waar de ouders nu verblijven en is een paar keer daar geweest. Maar het personeel heeft zich na enige tijd genoodzaakt gezien dochter [verzoekster] de toegang tot het verpleeghuis te weigeren, omdat haar aanwezigheid veel onrust gaf. Met regelmaat was de inzet van de politie en de bewaking nodig om de situatie te stabiliseren.
5.8.
Het hof volgt dochter [verzoekster] niet in haar standpunt dat na de bestreden beschikkingen is gebleken dat de benoeming van een professionele mentor niet in het belang van de ouders is. Tijdens de zitting is juist naar voren gekomen dat de ouders nu op hun plek zitten in het verpleeghuis, dat zij de zorg krijgen die zij nodig hebben en dat de samenwerking met de mentor goed verloopt. Bovendien hebben de ouders weer contact met [belanghebbende3] en [belanghebbende4] (welk contact niet mogelijk was toen de ouders bij dochter [verzoekster] verbleven) en staat de mentor er open voor, zo heeft hij ter zitting verklaard, om het contact tussen de ouders en dochter [verzoekster] te herstellen.
5.9.
Gezien de bovenstaande omstandigheden is het hof van oordeel dat het mentorschap niet door dochter [verzoekster] kan worden uitgevoerd. Het hof acht in dit geval noodzakelijk dat een professionele mentor de niet-vermogensrechtelijke belangen van de ouders behartigt.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikkingen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 1 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen, mr. L. van Dijk en mr. S. Kuijpers, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 17 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.