Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1549

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
21-002641-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling met mes en verboden wapenbezit

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor poging tot zware mishandeling door op 3 juli 2024 in een plaats een persoon met een mes in de bovenarm te steken. Tevens werd hij veroordeeld voor het voorhanden hebben van een verboden wapen, een stiletto. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht.

De feiten werden vastgesteld aan de hand van verklaringen van het slachtoffer, getuigen en politieambtenaren, alsmede een forensisch letselverslag. Verdachte gaf tegenstrijdige verklaringen, die het hof niet aannam. Het hof verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces, omdat de situatie niet voldeed aan de vereisten daarvoor.

De straf bestaat uit een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, en onttrekking van het mes aan het verkeer. De vordering van de benadeelde tot schadevergoeding werd deels toegewezen voor materiële schade van €160,15, terwijl de immateriële schade en overige materiële schade werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of complexiteit. Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf, subsidiair 90 dagen hechtenis, onttrekking mes en gedeeltelijke schadevergoeding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002641-25
Uitspraakdatum: 13 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingslocatie Leeuwarden, van 23 mei 2025 met parketnummer 18-392130-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 27 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • veroordeling van verdachte voor de onder 1 primair (poging zware mishandeling) en 2 (voorhanden hebben van een mes) ten laste gelegde feiten tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis;
  • onttrekking aan het verkeer van het onder verdachte inbeslaggenomen mes;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot het bedrag van
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. Eckhardt, en de benadeelde partij [benadeelde] hebben aangevoerd.

Het vonnis

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
  • verdachte veroordeeld voor de onder 1 primair (poging zware mishandeling) en 2 (voorhanden hebben van een mes) ten laste gelegde feiten tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis;
  • het onder verdachte inbeslaggenomen mes onttrokken aan het verkeer;
  • de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 3 juli 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde] met een mes in de bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 3 juli 2024 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met een mes in de bovenarm te steken;
2.
hij op of omstreeks 3 juli 2024 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een stiletto voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen en/of heeft vervoerd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen feit 1 primair en 2

Het hof stelt op basis van de inhoud van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. [1]
Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij 3 juli 2024 in [plaats] was en dat hij [benadeelde] in zijn bovenarm heeft gestoken met een mes. [2]
Aangever [benadeelde] was op 3 juli 2024 met zijn vriend [naam] in [plaats] op het bankje bij het veldje naast [locatie] . Ze werden aangesproken door iemand met een groen T-shirt (
het hof begrijpt: verdachte), die hen vroeg om een vuurtje. [benadeelde] gaf hem een aansteker. Nadat verdachte tevergeefs met [benadeelde] en [naam] wilde praten, ging hij weg. Later gingen [benadeelde] en [naam] op de fiets weg en reden zij richting het [locatie] . [naam] zat achterop de fiets bij verdachte. Toen ze bij de t-splitsing waren bij de [locatie] , stond verdachte in zijn groene T-shirt bij een bankje. Op het moment dat zij voorbij fietsten, voelde [benadeelde] dat verdachte met zijn rechtervuist uithaalde en hem op zijn achterhoofd raakte. Hij voelde pijn en viel van de fiets. [benadeelde] zag dat verdachte richting de [straat] liep. [benadeelde] liep samen met [naam] achter verdachte aan. Hij zag dat verdachte bleef staan ter hoogte van de spoorwegovergang. Vervolgens zag [benadeelde] dat verdachte zich omdraaide. [benadeelde] en [naam] bevonden zich op ongeveer één meter afstand van verdachte. [benadeelde] zag dat verdachte met een voorwerp in zijn rechterhand hard uithaalde richting zijn linker bovenarm. [benadeelde] voelde dat verdachte hem hard had geraakt. Hij zag dat verdachte een mes in zijn rechterhand had. Daarna besefte [benadeelde] dat verdachte hem met het mes had gestoken. Verdachte liep vervolgens weg in de richting van de [straat] , waarna [benadeelde] en [naam] hem achtervolgden. [benadeelde] voelde het bloed langs zijn linkerarm stromen. [benadeelde] zag verdachte het mes weggooien bij de bomen voor het [naam hotel] . [3] Een verpleegkundige uit de ter plaatse gekomen ambulance keek vervolgens naar de steekwond in zijn bovenarm en heeft de wond verbonden. De steekwond was meer dan een centimeter breed en erg diep. Door de messteek is zijn winterjas van het merk Zayne beschadigd. In de linkermouw zitten meerdere sneden. Aan de voorzijde zitten vier kleine sneetjes ter hoogte van de kras op zijn onderarm. [4]
Verbalisant [verbalisant] was die nacht met zijn collega ter plaatse. Zij troffen ter hoogte van het station een persoon aan die een groen T-shirt (
het hof begrijpt: verdachte) droeg. [verbalisant] zag dat de persoon geen verwondingen had en aangaf niet gestoken te zijn. Ze zagen nog een persoon op hen af komen lopen uit de richting van het [naam hotel] . [verbalisant] herkende hem ambtshalve als, [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1983. Hij zag dat [benadeelde] vervolgens zijn linker arm omhoog tilde. [verbalisant] zag dat hij een verwonding had waarop hij ook aangaf gestoken te zijn door de persoon met het groene T-shirt. Hij hoorde [benadeelde] zeggen dat hij een stukje terug gestoken zou zijn door de persoon in het groene T-shirt. Hierop liep zijn collega met [benadeelde] mee en bleef hij bij de persoon met het groene T-shirt. De persoon in het groene T-shirt bleek later te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991. [5] . [verbalisant] hoorde zijn collega zeggen dat zij het mes had aangetroffen. [benadeelde] zou de plaats delict hebben aangewezen waarna zijn collega het mes had aangetroffen voor het [naam hotel] . [6]
Uit een op 27 augustus 2024 opgemaakt letselverslag door forensisch arts [naam] is gebleken dat aan de linker bovenarm, boven de strekzijde van de elleboog, zich een ovalen matig scherp begrensde donkere verkleuring bevindt van circa 3 bij 3,5 cm, met centraal hierin een lijnvormig huidletsel van circa 2,5 cm lang waar de korst reeds van losgelaten heeft. Er kan littekenvorming optreden. Aangever heeft een verslag van de huisartsenpost mee waarin staat dat hij op 3 juli met een wijkende wond op zijn linker bovenarm bij de huisartsenpost is geweest. De wond is op 3 plekken gehecht en aangever heeft een tetanusvaccin en antibioticakuur gekregen. [7]
Verbalisant [verbalisant] heeft onderzoek gedaan naar het inbeslaggenomen mes. Hij beschrijft dat het een mes betrof met een uitklapbaar lemmet met opdruk de (merk)naam "Homey' s" en dat het lemmet met een pal uitgeklapt kon worden door tegen die pal te
drukken. Hij omschrijft het mes voorts als volgt:
  • aan één zijde van het lemmet is een clip bevestigd waarmee het wapen aan een riem of aan de broeksband gedragen kan worden;
  • uitgeklapt heeft het mes een totale lengte van 20,5 centimeter;
  • het lemmet heeft een totale lengte van 9,0 centimeter;
  • de breedte van het lemmet is op het breedste punt 2,5 centimeter;
  • het lemmet heeft een snijkant had, dat zowel voorzien is van een glad snijvlak als van een kartelrand en;
  • vanaf de voorste punt van het lemmet is eerst een glad snijvlak aanwezig met een lengte van 5,5 centimeter met daarachter een geslepen kartelrand met een lengte van 3,0 centimeter.
Ingevolge de Wet Wapens en Munitie met inachtneming van de Regeling Wapens en Munitie betreft het mes, aldus verbalisant [verbalisant] , een stiletto: een opvouwbaar mes, waarvan het lemmet door een druk- of vergelijkbaar ontgrendelingsmechanisme zijdelings scharnierend uit het heft wordt gebracht. Ingevolge artikel 2 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie betreft het een strafbaar mes. [8]
Verklaringen verdachte
Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat [benadeelde] en [naam] op de fiets zaten, dat zij de confrontatie opzochten met verdachte en dat hij daarbij het mes heeft afgepakt. [benadeelde] probeerde de eerste klap uit te delen aan verdachte en die ontweek hij, waarna hij als reactie daarop hem in zijn bovenarm stak. [benadeelde] zou heel dreigend met de voorkant van zijn lichaam naar verdachte hebben gestaan.
Aanvankelijk heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat [benadeelde] hem een mes liet zien en dat verdachte vroeg om hem vast te houden. Daarna zou verdachte het mes in zijn broekzak hebben gedaan. Verder zouden [naam] en [benadeelde] dreigend naar hem toe zijn gekomen waardoor verdachte besloot om een mes te trekken om hen op afstand te houden.
In een later verhoor heeft verdachte verklaard dat hij het mes uitklapte en voor zich hield als een soort speer.
Tijdens de zitting bij de politierechter heeft verdachte verklaard uit een reflex te hebben gehandeld. Hierbij heeft hij naar zijn zeggen [benadeelde] in zijn bovenarm geraakt met het mes.
Het hof schuift de verklaringen van verdachte over de momenten die volgens hem vooraf zijn gegaan aan en het moment van steken met het mes bij gebrek aan consistentie als niet aannemelijk terzijde. Zij worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals die hierboven zijn uitgewerkt.
Op basis van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde, poging tot zware mishandeling.
Aanwezig hebben van het wapen
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Er kan niet bewezen worden dat verdachte het mes bij zich had in de zin van de Wet wapens en munitie, omdat hij dat slechts kort bij zich had.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer tot vrijspraak, geen steun vindt in het recht. Er bestaat rechtens geen minimale duur voor het voorhanden hebben van een wapen alvorens van strafbaarheid kan worden gesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.primair
hij op 3 juli 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde] met een mes in de bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 3 juli 2024 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een stiletto voorhanden heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Daartoe is onder meer gesteld dat verdachte zich heeft moeten beschermen tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [benadeelde] en [naam] . Verdachte heeft het mes, dat hij eerder van [benadeelde] had afgepakt, in zijn hand genomen en hij heeft daarmee een speerbeweging gemaakt om [benadeelde] en [naam] op afstand te houden. Het geweld was bovendien proportioneel in het licht van de bedreiging. Er bestond voor verdachte geen andere mogelijkheid om zich te verdedigen.
Subsidiair voert de raadsman aan dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging, die werd veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding, waardoor hem een beroep op noodweerexces toekomt.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer
dient te worden verworpen. Subsidiair meent de advocaat-generaal dat er bij verdachte geen sprake was van een hevige gemoedsbeweging, en dat hem om die reden geen beroep op noodweerexces toekomt.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat het feit is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. In de eis dat de gedraging is geboden door de noodzakelijke verdediging, ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Uit het strafdossier en behandeling op de zitting is komen vast te staan dat [benadeelde] en [naam] langs verdachte fietsten, dat verdachte [benadeelde] van de fiets sloeg en dat zij hem vervolgens achterna zijn gelopen. Ter hoogte van de spoorwegovergang bleef verdachte staan, draaide zich om en stak [benadeelde] met zijn rechterhand in zijn linker bovenarm. Dit deed hij met het mes dat verdachte naar zijn zeggen eerder van [benadeelde] afhandig had gemaakt. Naar het oordeel van het hof kan het handelen van aangever, nadat hij eerst door verdachte van zijn fiets is geslagen, niet zonder meer worden aangemerkt als een (dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte. Hoewel verdachte het als vervelend en bedreigend kan hebben ervaren dat [benadeelde] en [naam] hem achterna liepen, is daarmee op grond van de hierboven weergegeven omstandigheden niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie waartegen verdachte zich rechtens mocht verdedigen.
Er kan dus ook evenmin sprake zijn van noodweerexces. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke te plegen feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, doordat hij aangever met een mes in zijn bovenarm heeft gestoken. Verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever en hem pijn, letsel, schade en overlast heeft bezorgd. Omdat een en ander op een openbare weg plaatsvond, heeft hij bovendien grote schrik en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt;
  • de omstandigheid dat verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van een mes. Het ongecontroleerd bezit van een dergelijk verboden wapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Dat rekent het hof verdachte aan.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van soortgelijke en andersoortige delicten onherroepelijk is veroordeeld. Het hof houdt verder rekening met de toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
  • de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Verdachte woont in een huurwoning, houdt zich bezig met filosofie en heeft een Wajong-uitkering.
Verdachte heeft op de zitting van het hof aangegeven moeite te hebben met het volbrengen van een lange taakstraf, in het bijzonder dat hij zich daarbij dient te houden aan de regels en aanwijzingen van de reclassering. In het verlengde daarvan heeft hij verzocht om oplegging van een korte gevangenisstraf, in combinatie met een korte taakstraf.
Naar het oordeel van het hof heeft verdachte geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het hof de oplegging van de door hem bepleite strafmodaliteiten aangewezen acht. Het hof begrijpt dat de oplegging van een taakstraf van aanzienlijke duur impact heeft op de persoonlijke situatie van verdachte. Echter, de tenuitvoerlegging daarvan heeft verdachte zelf in de hand. Daarnaast is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat een taakstraf geen geschikte strafmodaliteit is.
Voorts constateert het hof dat de politierechter mild is geweest in de strafoplegging. Alles afwegende en in onderlinge samenhang bezien, acht het hof – evenals de advocaat-generaal – de oplegging van een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, passend en geboden.

Onttrekking aan het verkeer

Het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan door middel van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een mes. Het hof onttrekt dit voorwerp aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.587,15 ingediend, bestaande uit € 2.000,00 immateriële schade en € 587,15 materiële schade. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Materiële schade
Met betrekking tot het gevorderde aan materiële schade van € 60,15 voor het eigen risico is het hof van oordeel dat er voldoende causaal verband bestaat tussen deze gevorderde materiële schadepost en de bewezenverklaarde feiten. Dat houdt in dat het
hof dit onderdeel van de vordering zal toewijzen.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade die betrekking heeft op de jas van
€ 175,00, is het hof van oordeel dat de benadeelde partij uitgaat van de nieuwwaarde. Het hof kan niet vaststellen wat de dagwaarde van de jas is en zal daarom gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid. Het hof schat het schadebedrag van de kapotte jas op € 100,00. Voor het meer gevorderde wordt dit deel van de vordering afgewezen.
Met betrekking tot het gevorderde schadebedrag van € 352,00 acht het hof deze schadepost onvoldoende onderbouwd en is de noodzaak tot het maken van deze kosten niet gebleken. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor wat betreft het gevorderde schadebedrag aan huishoudelijke hulp.
Immateriële schade
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij moet worden
gekeken naar de context van het incident en ook naar de rol van de benadeelde partij zelf bij
dat incident. Op basis van de stukken in het dossier kan het hof niet vaststellen wie welk
aandeel in het incident heeft gehad en hoe elk aandeel ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding moet worden meegewogen. Het hof acht de vordering van de benadeelde partij te complex om dat te kunnen beoordelen. Aanhouding van de strafzaak zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Het hof verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering voor de gevorderde immateriële schade.
Conclusie
Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe tot het bedrag van € 160,15, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Mes.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 160,15 (honderdzestig euro en vijftien cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 75,00 (vijfenzeventig euro) aan materiële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 160,15 (honderdzestig euro en vijftien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 juli 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. L.T. Wemes en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 maart 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoelt het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van politie Eenheid Noord-Nederland, district Fryslan, basisteam [plaats] , met dossiernummer PL0100-2024180150 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 110;
2.Proces-verbaal van de zitting van het hof van 27 februari 2026.
3.Proces-verbaal van aangifte, pagina 38.
4.Proces-verbaal van aangifte, pagina 38-39.
5.Proces-verbaal van bevindingen, pagina 14.
6.Proces-verbaal van bevindingen, pagina 15.
7.Schriftelijk bescheid, ‘Forensisch Geneeskundig Letselverslag’, pagina 33 t/m 35.
8.Proces-verbaal van bevindingen, pagina 55 t/m 61.