Verdachte heeft meegewerkt aan een onderzoek door psycholoog [naam] . In het daarvan opgemaakte Pro Justitia-rapport van 19 april 2024 benoemt de deskundige dat er sterke aanwijzingen zijn dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis. Daarnaast valt zijn psychotische kwetsbaarheid op. Verdachte gebruikt al jaren een antidepressivum vanwege stemmingsklachten, hetgeen zou kunnen wijzen op een andere, dan wel bijkomende, stoornis, zoals een schizofreniforme of schizoaffectieve stoornis. Ook een cluster A-persoonlijkheidsstoornis kan niet worden uitgesloten, evenmin als de mogelijkheid dat onderliggende trauma’s hierbij een versterkende rol spelen.
De invloed van dagelijks en overmatig cannabisgebruik in het verleden op de psychotische
problematiek is onduidelijk. Evenmin is duidelijk in hoeverre sprake is van een stoornis op
het gebied van seksualiteit. Wel kan, overeenkomstig en in analogie met de problematisch
verlopen ontwikkeling van verdachte - mogelijk passend bij ASS en mede gevormd door
ingrijpende jeugdervaringen - worden gesteld dat ook zijn seksualiteitsontwikkeling
verstoord is verlopen.
De deskundige concludeert dat deze problematiek ook ten tijde van het tenlastegelegde
aanwezig was. Niettemin is onvoldoende duidelijk geworden of deze factoren de
gedragskeuzes van verdachte daadwerkelijk hebben beïnvloed. Er was sprake van een
gelijktijdigheidsverband met forse psychopathologie, maar de drijfveren en motieven voor
het tenlastegelegde laten zich bij verdachte moeilijk tot niet onderzoeken. Om die reden
onthoudt de deskundige zich van een advies over de mate van toerekenbaarheid.
Het risico op herhaling wordt als laag ingeschat. Verdachte is niet eerder met politie of
justitie in aanraking gekomen voor zedendelicten en is sindsdien ook niet opnieuw in beeld
gekomen voor strafbaar gedrag. De deskundige acht het positief dat verdachte gemotiveerd is zijn behandeling voort te zetten. Vanuit zorginhoudelijk oogpunt acht de deskundige behandeling voor zijn psychische problematiek geïndiceerd.
Uit een rapport van Reclassering Nederland van 28 januari 2026 komt naar voren dat verdachte nog steeds bij zijn ouders woont en dat hij zich min of meer staande weet te houden met steun van familie. Verdachte kent een lang verleden met problematisch middelengebruik, maar is inmiddels gestopt met het gebruik van drugs. Er is sprake van een aanzienlijke geschiedenis ten aanzien van de geestelijke gezondheidszorg en is hij langdurig bekend met doorlopend gebruik van (in wisselende samenstelling) antipsychotica en antidepressiva. De reclassering schat zowel het risico op recidive als het risico op het toebrengen van letsel en het onttrekken aan voorwaarden in als laag. Desalniettemin adviseert de reclassering een toezicht met bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat behandeling en begeleiding van verdachte geïndiceerd zijn. Als bijzondere voorwaarden worden daarbij een meldplicht, ambulante behandelingen beschermd wonen geadviseerd, in combinatie met voorwaarden om verdachte te weerhouden van (online en fysiek) contact met minderjarigen.