Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1524

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.363.418/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BWArt. 1:265a BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing wegens verstoorde gezinsdynamiek

De kinderrechter heeft de drie minderjarige kinderen onder toezicht gesteld en een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van de oudste dochter bij de moeder. De ouders zijn gescheiden en hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag. De oudste dochter gaf aan zich niet veilig te voelen bij de vader, wat leidde tot interventies van Veilig Thuis en de raad voor de kinderbescherming.

De vader is het niet eens met de beslissing en gaat in hoger beroep. Het hof heeft de standpunten van alle partijen gehoord, waaronder de kinderen zelf. Het hof oordeelt dat er sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreiging voor alle drie de kinderen, mede door loyaliteitsconflicten en spanningen binnen het gezin.

De uithuisplaatsing van de oudste dochter bij de moeder blijft noodzakelijk omdat zij zich alleen daar veilig voelt en een stabiele thuissituatie nodig heeft voor traumabehandeling. De vader stemt niet onvoorwaardelijk in met het verblijf bij de moeder, waardoor een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter en wijst het meer of anders verzochte af. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing blijven van kracht tot 7 april 2026.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de oudste dochter bij de moeder vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en verstoorde gezinsdynamiek.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.418/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 590370)
beschikking van 12 maart 2026
over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] .
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. D.G. Nagel te Almere
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
regio Midden Nederland, locatie Lelystad
en
[belanghebbende](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A.F. Kevenaar te Almere
en
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Almere

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] onder toezicht gesteld tot 7 april 2026 en een machtiging gegeven om [de minderjarige1] uit huis te plaatsen bij de moeder tot 7 april 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder hebben 3 kinderen, [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . [de minderjarige1] is geboren [in] 2011, [de minderjarige2] is geboren [in] 2015 en [de minderjarige3] is geboren [in] 2017.
2.2.
De ouders zijn getrouwd geweest. Het huwelijk is ontbonden op 12 november 2021. De ouders hebben steeds gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen gehad. Na de scheiding zijn de kinderen bij de vader ingeschreven, omdat de moeder nog niet over een eigen woning beschikte. Na een jaar had de moeder een huis en nadien was er een co-ouderschap, waarbij de kinderen de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader wonen.
2.3.
[de minderjarige1] heeft in oktober 2024 op school aangegeven dat ze zich niet veilig voelt bij haar vader thuis en dat ze niet meer naar hem toe wil. De school heeft dit gemeld bij Veilig Thuis en er is ambulante crisishulp ingezet om te werken aan de omgang tussen [de minderjarige1] en de vader. In november 2024 heeft Veilig Thuis een melding bij de raad gedaan, waarna de raad een onderzoek is gestart.
2.4.
Op 18 maart 2025 heeft de raad verzocht de kinderen onder toezicht te stellen voor een periode van een jaar, en een machtiging te verlenen om [de minderjarige1] uit huis te laten plaatsen bij haar moeder, voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft in een tussenbeschikking van 15 april 2025 de behandeling van het verzoek voor zes maanden aangehouden, zodat geprobeerd kon worden of de zorgen over de kinderen met de inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader weggenomen konden worden.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft op 16 september 2025 een aanvullende conclusie naar de kinderrechter gestuurd, waarin het oorspronkelijke verzoek gehandhaafd werd.
3.2.
De kinderrechter heeft het aangehouden verzoek op 7 oktober 2025 behandeld en de verzoeken van de raad toegewezen voor de duur van zes maanden. De kinderrechter heeft [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 oktober 2025 tot 7 april 2026 en een machtiging verleend om [de minderjarige1] uit huis te plaatsen bij de moeder met ingang van 7 oktober 2025 tot 7 april 2026. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 7 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter gedeeltelijk ongedaan maakt en vraag het hof om de verzoeken tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , en uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , alsnog af te wijzen.
4.2.
De moeder heeft geen schriftelijk verweer gevoerd. Op de zitting heeft zij verteld dat zij het eens is met de GI en de raad. Zij wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
De GI heeft op de zitting over de stand van zaken verteld. De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
4.4.
De raad wil eveneens dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.5.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift van de vader, ingekomen op 5 januari 2026;
  • een brief van de GI van 30 januari 2026 met bijlage(n);
  • het verweerschrift van de raad.
4.6.
De kinderen hebben op 9 februari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de ondertoezichtstelling. [de minderjarige1] heeft ook verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing.
4.7.
De zitting bij het hof was op 10 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat ;
  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de raad;
  • twee vertegenwoordigers van de GI .

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
5.2.
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind [2] .
Hoe oordeelt het hof?
Ondertoezichtstelling [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3]
5.3.
De kinderrechter heeft de kinderen terecht onder toezicht gesteld. De partijen zijn het erover eens dat de zorgen over [de minderjarige1] duidelijk zijn. Zij ervaart stress en angsten over de omgang met de vader en heeft daarom sinds eind 2024 zeer beperkt contact met hem. Hoewel de vader vindt dat er over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] weinig tot geen zorgen zijn, is er naar het oordeel van het hof ook bij [de minderjarige2] en [de minderjarige3] sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.
5.4.
Door verschillende partijen (ambulante crisishulp, de GI en de raad) worden signalen van loyaliteitsconflicten bij [de minderjarige2] en [de minderjarige3] gezien. Ook worden situaties geschetst waarbij getwijfeld wordt aan de veiligheid van de jongens bij de vader, wanneer hij schreeuwt of met spullen gooit als zijn emoties hoog oplopen. Tot op zekere hoogte erkent de vader dat hij boos kan reageren en een harde stem heeft, maar hij bagatelliseert hoe dit mogelijk overkomt op de jongens. Het zijn bovendien niet alleen de rechtstreekse interacties tussen [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en de vader die van belang zijn, maar de gehele gezinsdynamiek is van invloed op de ontwikkeling van de jongens. [de minderjarige2] en [de minderjarige3] krijgen de spanningen mee die tussen de ouders de boventoon blijven voeren, en de escalaties tussen [de minderjarige1] en de vader. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het incident bij gelegenheid van een medische afspraak van [de minderjarige1] . Tegen de wens van [de minderjarige1] en het advies van de hulpverlening in is de vader bij die afspraak verschenen, met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn vervolgens getuige geweest van de paniekaanval die [de minderjarige1] kreeg omdat ze onverwachts met de vader geconfronteerd wordt.
5.5.
Voor het hof is het duidelijk dat alle drie de kinderen belang hebben bij hulpverlening die gericht is op het maken van duidelijke afspraken tussen de ouders onderling, en het zorgen voor een veilige en stabiele opvoedomgeving bij beide ouders. Hulpverlening is in een vrijwillig kader mede door de houding van de vader onvoldoende van de grond gekomen. De vader zegt mee te willen werken, maar in de praktijk doet hij dit niet of nauwelijks. Hij lijkt een zodanig groot belang te hechten aan het steeds stellen van kritische vragen en het verbinden van voorwaarden dat daardoor de hulpverlening pas later, of zelfs helemaal niet, kan starten. De vader verliest hierbij uit het oog dat hij hierdoor niet in het belang van de kinderen handelt. Het hof is van oordeel dat regievoering vanuit de GI nodig is om de hulpverlening voor de kinderen voort te zetten en, waar nodig, verder uit te breiden.
5.6.
Gelet op het bovenstaande zal de beslissing van de kinderrechter ten aanzien van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in stand blijven (worden bekrachtigd).
uithuisplaatsing [de minderjarige1]
5.7.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] loopt tot 7 april 2026. Deze machtiging is terecht gegeven aan de raad, omdat het voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] noodzakelijk is dat zij (voorlopig) volledig bij haar moeder woont.
5.8.
Sinds [de minderjarige1] eind 2024 heeft aangegeven zich niet veilig te voelen bij de vader thuis en zij daar niet meer om de week verblijft, woont zij volledig bij de moeder. Dit zorgt al voor een groter gevoel van emotionele veiligheid bij [de minderjarige1] . Toch vertelt [de minderjarige1] dat zij nog altijd veel stress ervaart van de situatie met haar vader. Dit blijkt ook uit de stukken en wat er op de zitting bij het hof besproken is. De GI werkt aan het inzetten van traumabehandeling, zodat zij haar ervaringen kan verwerken. Om zo’n behandeling te kunnen laten slagen is het onder meer belangrijk dat [de minderjarige1] een rustige en stabiele thuissituatie heeft, waar zij zich veilig voelt. Dat is voor haar verzorging en opvoeding noodzakelijk. Voor het hof staat vast dat op dit moment alleen de moeder deze rustige thuissituatie kan bieden aan [de minderjarige1] . De stabiliteit die [de minderjarige1] daarnaast nodig heeft zal voor een deel komen uit de wetenschap dat zij volledig bij moeder kan blijven wonen, zolang zij hier behoefte aan heeft.
5.9.
Er zijn twee manieren om te bewerkstelligen dat het voor [de minderjarige1] duidelijk is dat zij haar vaste basis bij de moeder heeft en kan houden en dat dat niet zomaar kan veranderen. Bestaat tussen de ouders overeenstemming over de wijziging van de hoofdverblijfplaats van een minderjarige, in afwijking van eerder gemaakte afspraken, dan kunnen zij dit vastleggen. Hiervoor is geen tussenkomst of betrokkenheid van de jeugdhulpinstanties nodig. Wordt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige niet door de ouders gewijzigd, maar is de betrokken jeugdhulpinstantie wel van mening dat de minderjarige beter ergens anders kan wonen, dan moet die instantie aan de rechter vragen een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen [3] . De machtiging tot uithuisplaatsing heeft naar zijn aard een tijdelijk karakter, terwijl een wijziging van hoofdverblijfplaats op initiatief van de ouders aan de minderjarige meer duidelijkheid en zekerheid over het perspectief biedt.
5.10.
De vader zegt dat hij het belangrijk vindt dat [de minderjarige1] weet en voelt dat hij instemt met haar verblijf bij de moeder en dat hij het haar gunt dat ze daar tot rust kan komen. Hij is van mening dat hem de mogelijkheid wordt ontnomen dit te laten zien, omdat het nu in een gedwongen kader gebeurt. Op de zitting is met de vader besproken dat hij juist aan [de minderjarige1] kan laten zien dat hij zonder gedwongen kader instemt met het verblijf bij moeder door samen met de moeder het hoofdverblijf te wijzigen. Hiertoe lijkt de vader (nog) niet bereid, in ieder geval niet zonder dat hij hierbij bepaalde voorwaarden kan stellen of garanties kan bedingen.
5.11.
Uit het bovenstaande volgt dat op dit moment een bestendig verblijf van [de minderjarige1] bij de moeder alleen kan worden gewaarborgd met een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] . Gelet op het bovenstaande zal de beslissing van de kinderrechter ten aanzien van de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 7 oktober 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. J.G. Knot en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 12 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b van het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 1:265b lid 1 BW.
3.Artikel 1:265a BW