ECLI:NL:GHARL:2026:1522

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.359.929/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Verordening (EG) nr. 2019/1111
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding gezags- en omgangsregeling minderjarige voor hulpverleningstrajecten

De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2022. De vader heeft de minderjarige erkend en samen met de moeder het gezag over haar gekregen. De vader verzocht om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling, terwijl de moeder dit betwist vanwege een ernstig verstoorde communicatie en eerdere bedreigingen.

De rechtbank stelde een omgangsregeling vast met begeleid contact, maar deze is niet van de grond gekomen. De moeder heeft een EMDR-therapie afgerond en de vader krijgt hulp van een hulpverleningsinstantie. Het hof constateert dat onvoldoende informatie beschikbaar is om een definitieve beslissing te nemen over gezag en omgang.

Het hof volgt het advies van de raad voor de kinderbescherming om de zaak aan te houden voor zes maanden en partijen te verwijzen naar hulpverleningstrajecten gericht op communicatieverbetering en omgangsopbouw. Partijen moeten de voortgang rapporteren, waarna het hof de zaak verder zal behandelen of afdoen afhankelijk van de uitkomsten.

Uitkomst: De beslissing over gezag en omgang wordt aangehouden voor zes maanden met verwijzing naar hulpverleningstrajecten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.929/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 230773)
beschikking van 12 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J. Doornbos te Groningen,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. M.A.E. Dekens te Assen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord-Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanlegHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 30 januari 2024, 30 september 2024, 19 april 2024, 19 maart 2025 en 30 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 30 juni 2025 zal hierna worden aangeduid als de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 30 september 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 5 november 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 24 februari 2026 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Verder is een medewerker van de raad verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2022. De vader heeft [de minderjarige] middels vervangende toestemming op 10 september 2025 erkend en oefent sinds die datum gezamenlijk met de moeder het gezag uit over [de minderjarige] .
3.2
De vader heeft de procedure op 9 januari 2024 ingeleid. Hij heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, verzocht om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een omgangsregeling op te starten.
3.3
De vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Poolse nationaliteit.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil of het ouderlijk gezag over [de minderjarige] alleen door de moeder, of gezamenlijk door beide ouders moet worden uitgeoefend, alsook het recht op omgang van de vader met [de minderjarige] . De rechtbank heeft bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking als volgt beslist:
- de vader is, samen met de moeder, belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] vanaf het moment dat hij haar heeft erkend;
- als zorgregeling is bepaald dat de vader recht heeft op contact met [de minderjarige] gedurende anderhalf uur per twee weken, begeleid door een hulpverlenende instantie aan te wijzen door de gemeente van de woonplaats van de moeder. Van daaruit dient te worden toegewerkt naar een normaal, onbegeleid contact tussen de vader en [de minderjarige] .
4.2
De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt vernietiging van de bestreden beschikking en al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van de gronden het verzoek van de vader om samen met de moeder belast te worden met het gezag over [de minderjarige] alsnog af te wijzen en de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) te wijzigen in de door de raad geadviseerde regeling, inhoudende eenmaal per twee weken een uur omgang tussen de vader en [de minderjarige] bij [naam1] , waarbij er in overleg met [naam1] , ouders en de gemeenten [gemeentenaam1] en [gemeentenaam2] bekeken wordt of de omgang verder uitgebouwd kan worden.
4.3
De vader voert verweer en hij verzoekt het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissingDe rechtsmacht

5.1
Omdat de moeder de Poolse nationaliteit heeft, heeft deze zaak een
internationaal karakter en dient het hof, alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen,
ambtshalve te toetsen of de Nederlandse rechter bevoegd is om de zaak te behandelen en te
beslissen. Het hof overweegt daarover als volgt.
5.2
Ten aanzien van het verzoek tot gezamenlijk gezag en het vaststellen van een
omgangs- dan wel zorgregeling heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de Verordening (EG) nr. 2019/1 111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter), omdat [de minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift haar gewone
verblijfplaats in Nederland had.
5.3
De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Omdat hiertegen geen grief is gericht, zal ook het hof het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
Inhoudelijk
5.4
De moeder stelt dat één uur begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de vader per twee weken bij [naam1] voldoende is en dat gezamenlijk gezag tussen haar en de vader niet mogelijk is, nu sprake is van een ernstig verstoorde communicatie. De vader heeft de moeder heeft bedreigd, gestalkt en zich intimiderend gedragen richting de omgangsbegeleiders.
5.5
De vader stelt dat hij nu al langere tijd geen contact met de moeder heeft gehad of gezocht en dat de situatie met de omgangsbegeleiders ook is opgelost. Hij stelt dat hij het contact met [de minderjarige] zo snel mogelijk weer wil oppakken. De vader is bereid om met de moeder te werken aan hun onderlinge communicatie en hij staat open voor begeleide omgangsmomenten bij [naam1] .
5.6
Het hof constateert dat de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling niet van de grond is gekomen. De vader heeft in oktober 2024 voor het laatst contact gehad met [de minderjarige] . Dit was tijdens een begeleid omgangsmoment. De verdere opbouw van de omgangsregeling heeft hierna stilgelegen. Inmiddels is er wel een en ander gewijzigd. De moeder heeft een EMDR-therapie positief afgerond.. De vader krijgt hulp en ondersteuning bij praktische zaken vanuit hulpverleningsinstantie [naam2] . Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder aangegeven dat ze blij is om te horen dat de vader deze hulp krijgt en dat ze hoopt dat [de minderjarige] nu normaal contact kan krijgen met haar vader.
5.7
De raad heeft op de zitting bij het hof geadviseerd om de zaak aan te houden voor zes maanden, zodat in die periode bekeken kan worden of, en zo ja welke, verdere stappen met de ouders mogelijk zijn. De raad stelt voor de ouders te verwijzen naar het hulpverleningsaanbod van [naam3] , dat verschillende modules aanbiedt. [naam3] kan onderzoeken welke hulp passend is, dit kan zijn een traject voor parallel solo ouderschap of inzetten op het verbeteren van de communicatie. Daarnaast is geadviseerd om het contact tussen de vader en [de minderjarige] via [naam1] begeleid voort te zetten. Met betrekking tot het gezag heeft de raad eveneens geadviseerd de beslissing hierover aan te houden voor een periode van zes maanden in afwachting van de uitkomsten van de hiervoor genoemde trajecten.
5.8
Het hof acht zich op grond van de overgelegde stukken en wat op de zitting is besproken op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen over het gezag en de omgangsregeling. Het hof sluit zich daarom aan bij het advies van de raad. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat, voordat een beslissing met betrekking tot het gezag en de omgang wordt genomen, partijen zich wenden tot [naam3] en [naam1] om gebruik te maken van de door de raad geschetste hulp. Het hof zal daarom de zaak voor een periode van zes maanden aanhouden in afwachting van het verloop van de hulptrajecten. Het hof draagt partijen op om zich aan te melden bij [naam1] voor ondersteuning bij de opbouw en voortzetting van een omgangregeling tussen de vader en [de minderjarige] en om zich aan te melden bij jeugdhulpinstantie [naam3] , voor het starten van een hulpverleningstraject gericht op het verbeteren van de onderlinge communicatie, zoals bijvoorbeeld ‘Ouderschap na Scheiding’ dan wel parallel solo ouderschap, een en ander ter beoordeling van [naam3] .
5.9
Het hof verzoekt (de advocaten van) partijen om uiterlijk op 24 september 2026, of zoveel eerder als mogelijk of noodzakelijk, het hof te informeren over het verloop van de trajecten bij het [naam3] en [naam1] en daarbij de aanwezige schriftelijke verslagen van deze hulpverleningsinstanties in te dienen, met een afschrift aan de raad. De ouders en de raad krijgen vervolgens twee weken de tijd om te reageren op de ingebrachte stukken, waarbij het hof de raad in geval van een niet positief verlopen traject verzoekt te bezien of een raadsonderzoek naar het gezag en de omgangsregeling noodzakelijk is en het hof daarover te informeren. Voor dat geval geldt deze beschikking reeds als een opdracht aan de raad om een onderzoek in te stellen naar de vraag welke omgangsregeling het meest in het belang van [de minderjarige] is en of gezamenlijk gezag aangewezen is en zal de zaak langer worden aangehouden. Indien de raad een onderzoek niet noodzakelijk acht, zal het hof de zaak zonder nadere mondelinge behandeling afdoen, tenzij het hof op gemotiveerd verzoek van partijen of de raad, dan wel ambtshalve, alsnog anders beslist.
5.1
Het hof gaat ervan uit dat beide partijen met het oog op de belangen van [de minderjarige] zich volledig zullen inzetten voor een succesvol verloop van de trajecten.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als na te melden.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
alvorens verder te beslissen:
draagt beide partijen op
zich binnen één week na hedenaan te melden bij [naam1] , voor ondersteuning bij de opbouw en voortzetting van een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] , en bij jeugdhulpinstantie [naam3] ;
draagt beide partijen op om uiterlijk
zes maanden na heden, derhalve uiterlijk 12 september 2026,het hof te informeren over de voortgang van het traject bij [naam3] en [naam1] en daarbij de aanwezige schriftelijke verslagen van deze hulpverleningsinstanties in te dienen, met een afschrift aan de raad;
stelt partijen en de raad in de gelegenheid om
uiterlijk 26 september 2026, of in ieder geval binnen twee weken na ontvangst van de hiervoor genoemde stukken, daarop te reageren;
verzoekt de raad om in geval van een niet positief verlopen traject het hof te informeren of de raad een onderzoek noodzakelijk acht en, indien dat het geval is, een onderzoek te verrichten naar welke omgangsregeling het meest in het belang van [de minderjarige] is en of gezamenlijk gezag aangewezen is;
indien de raad een onderzoek niet noodzakelijk acht, zal het hof de zaak verder op de stukken afdoen, tenzij het hof, al dan niet op gemotiveerd verzoek van partijen of de raad, dan wel ambtshalve, alsnog anders beslist;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Pieters, mr. M.A.F. Veenstra en mr. M. Bootsma, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 12 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.