ECLI:NL:GHARL:2026:1515

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.356.619
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:160 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging veroordeling vrouw tot terugbetaling lening en proceskosten na echtscheiding

Partijen zijn in 2021 getrouwd met huwelijkse voorwaarden waarin zij afspreken geen gemeenschap van goederen te hebben en de kosten van de huishouding gelijk te verdelen. De man diende in 2023 een verzoek tot echtscheiding in, waarop ook de vrouw instemde. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en veroordeelde de vrouw tot terugbetaling van €30.404,97 aan de man uit hoofde van een geldleningsovereenkomst.

De vrouw stelde in hoger beroep dat er geen geldleningsovereenkomst was, dat de man zijn vordering had kwijtgescholden, of dat zij de lening volledig had afgelost. Het hof oordeelde dat de leningsovereenkomst onomstreden is en dat de vrouw slechts een deel van het geleende bedrag had terugbetaald. De stelling van kwijtschelding kon zij niet voldoende onderbouwen, mede omdat het enige bewijs een telefoongesprek betrof dat niet duidelijk een aanbod tot kwijtschelding bevatte.

Ook de bewering dat de man de bruiloftskosten volledig zou betalen, werd verworpen omdat de vrouw dit niet aannemelijk had gemaakt. Het hof bekrachtigde daarom de veroordeling tot betaling van het resterende bedrag van €30.404,97 en veroordeelde de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep. Haar verzoek om partneralimentatie werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: De vrouw is veroordeeld tot betaling van €30.404,97 aan de man en in de proceskosten, haar beroep op kwijtschelding en aflossing is verworpen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.356.619 en 200.362.399
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland: 562402 en 579196)
beschikking van 12 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de vrouw)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. T.C. Cooman
en
[verweerder] (de man)
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. L. Barenbrug

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank) op 7 april 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 7 juli 2025
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties
- een journaalbericht van mr. Barenbrug van 26 januari 2026 met producties
- een journaalbericht van mr. Cooman van 28 januari 2026 met producties
- een journaalbericht van mr. Cooman van 29 januari 2026
- een journaalbericht van mr. Barenbrug van 4 februari 2026 met productie
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 6 februari 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.De kern van de zaak

2.1
Partijen, die beiden de Nederlandse nationaliteit hebben, zijn [in] 2021 met elkaar getrouwd in [woonplaats1] . Partijen hebben [in] 2021 huwelijkse voorwaarden laten opstellen.
2.2
Bij akte huwelijkse voorwaarden zijn partijen – voor zover hier van belang – overeenkomen dat tussen hen geen huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen zal bestaan en dat bij eindigen van het huwelijk door echtscheiding geen finale verrekening zal plaatsvinden. Verder dat de kosten van de huishouding door ieder voor de helft worden gedragen en als de inkomsten niet toereikend zijn het restant van de kosten ten laste van ieders vermogen naar evenredigheid. Ook dat het recht op teruggave van het teveel betaalde ieder jaar op één januari vervalt. Verder dat financiële vorderingen voldaan moeten worden door uitkering in geld en onmiddellijk opeisbaar zijn tenzij gewichtige redenen verlangen, zoals gevaar voor de continuïteit van de eigen onderneming, dat ze in termijnen of pas na verloop van een zekere tijd worden voldaan. De rente over de termijnen bepalen partijen in onderling overleg. Voor wat betreft de vermogensrechtelijke gevolgen hebben partijen gekozen voor toepassing van het Nederlandse (huwelijksvermogens)recht.
2.3
De man heeft op 1 september 2023 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Ook de vrouw heeft de rechtbank verzocht om de echtscheiding uit te spreken. Daarnaast heeft zij een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 7.594 bruto per maand verzocht. Bij aanvullend verzoek heeft de man verzocht om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van € 30.404,97 aan de man uit hoofde van een overeenkomst
van geldlening.
2.4
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en – onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring – de vrouw veroordeeld tot betaling van € 30.404,97 aan de man uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen geldleningsovereenkomst en het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afgewezen.
2.5
De echtscheidingsbeschikking is op 24 juli 2025 ingeschreven in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand.
2.6
Bij beschikking van 18 september 2025 heeft dit hof het verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking in zoverre toegewezen door de werking te schorsen voor zover de rechtbank in die beschikking de vrouw veroordeeld om € 30.404,97 aan de man te betalen uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen geldleningsovereenkomst.
2.7
De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat het hof de verzochte terugbetaling van € 30.404,97 uit hoofde van de overeenkomst tot geldlening alsnog zal afwijzen, althans zal vaststellen dat de man zijn vordering heeft prijsgegeven door kwijtschelding aan de vrouw. De vrouw heeft haar hoger beroep en verzoek ter zake van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ingetrokken (zie journaalbericht van 29 januari 2026).
2.8
De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep, dan wel tot afwijzing van haar verzoek. De bedoeling van zijn hoger beroep – voor zover nog van belang, nu zijn verzoek om limitering van partneralimentatie niet meer aan het hof ter beslissing voorligt – is dat het hof de vrouw zal veroordelen in de proceskosten in hoger beroep volgens het liquidatietarief.
2.9
De vrouw concludeert tot afwijzing van het verzoek van de man in incidenteel hoger beroep.
2.1
Het hof zal de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep en verzoek ter zake van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Verder beslist het hof dat de veroordeling van de vrouw om € 30.404,97 aan de man te betalen (rechtsoverweging 4.2 van de bestreden beschikking) moet worden bekrachtigd en veroordeelt de vrouw in de kosten van deze procedure van de zijde van de man. Het hof licht dat hierna toe.

3.De toelichting van de beslissing van het hof

3.1
De vrouw bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening. Ook niet voor wat betreft de kosten van de bruiloft. Maar als het hof meent dat die er wel is, stelt zij dat de man zijn vordering heeft prijsgegeven en kwijtgescholden. De vrouw heeft de kwijtschelding aanvaard. De vrouw kan van de kwijtschelding bewijs leveren. Haar vader kan verklaren dat de man meermaals aan hem heeft gezegd dat de restschuld door de man is kwijtgescholden. Als het hof de kwijtschelding niet aanneemt, dan stelt de vrouw zich op het standpunt dat zij de lening inmiddels geheel heeft afgelost, dus ook het restbedrag van € 30.404,97 (€ 10.000 en € 20.404,97). De man betwist dit alles. Hij voert verweer en biedt bewijs aan.
bruiloftskosten
3.2
Voor wat betreft de kosten van de bruiloft overweegt het hof als volgt. Dat de totale kosten van de bruiloft € 20.000 bedroegen is tussen partijen niet in geschil. De vrouw heeft ook in hoger beroep niet aangetoond dat de man degene is die de bruiloftskosten moet betalen. De gestelde afspraak dat hij de kosten geheel voor zijn rekening zou nemen is niet vast komen te staan. Partijen zijn in hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij de kosten van de huishouding bij helfte zullen dragen. De vrouw heeft gesteld dat dat niet geldt voor de kosten van de bruiloft omdat het ging om een traditionele Marokkaanse bruiloft en dat het in hun cultuur gebruikelijk is dat de man deze geheel betaalt. De man heeft zowel de aard van de bruiloft als het bestaan van de regel in de Marokkaanse cultuur betwist, tegenover welke betwisting de vrouw haar stellingen op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. De man heeft aangetoond dat hij de kosten van de bruiloft voor de vrouw heeft voorgeschoten. Dit blijkt een e-mailbericht van de man aan de vrouw van 8 maart 2022 (als bijlage 2 bij productie 13 in het geding gebracht): ‘
Ik heb de volgende bedragen voorgeschoten: Bijdrage trouwfeest – 10.000 (…)’. Verder legt de man (productie 31 in eerste aanleg) WhatsAppverkeer over diverse uitgaven over. Daaruit blijkt duidelijk dat daar overleg over plaatsvindt.
geldleningovereenkomst
3.3
Volgens de vrouw is er geen sprake van een geldleningovereenkomst, wat de man betwist. Het hof overweegt daartoe als volgt. De vrouw heeft in eerste aanleg erkend dat de man haar € 97.404,97 heeft geleend. Ook was tussen partijen niet in geschil dat de vrouw in ieder geval een bedrag van € 77.000 heeft terugbetaald. In hoger beroep heeft geen van partijen tegen die vaststelling een grief gericht. In bijlage 72, productie 13, is een bankafschrift van 30 november 2022 overgelegd met op 8 november 2022 overmaking van een bedrag van € 40.000 met de omschrijving ‘
terugbetaling lening verbouwing’. Het hof passeert dan ook de stelling van de vrouw, eerst in hoger beroep gedaan, dat van een geldleningovereenkomst in het geheel geen sprake is (geweest). Deze stelling komt het hof onwaarachtig voor en is in strijd met haar eerdere stellingen in eerste aanleg: haar verklaringen over de terugbetalingen tot een bedrag van € 77.000 en de eenstemmigheid van partijen in eerste aanleg dat het geleende bedrag ziet op kosten die verbonden zijn aan de woning van de vrouw en het feit dat uit een bankafschrift blijkt dat sprake is van een lening van de man aan de vrouw. Maar ook haar tegenstrijdige stellingen in hoger beroep: dat de man zijn vordering tegenover haar heeft prijsgegeven en haar de openstaande schuld heeft kwijtgescholden en dat zij de lening inmiddels geheel heeft afgelost. Dat sprake is van een lening staat dan ook naar het oordeel van het hof onverkort vast. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het totaal door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag € 107.404,97 bedraagt.
afbetaald
3.4
De vrouw stelt verder dat zij de lening, ook als deze € 107.404,97 zou zijn geweest, inmiddels geheel heeft afbetaald. De vrouw stelt dat zij op enig moment op verzoek van de man contant is gaan aflossen. Zij legt bewijzen van kasopnames over uit de periode december 2022 – februari 2023. Zij weet niet waarom de man contante betaling heeft verzocht, maar het zou met corona te maken kunnen hebben. De man ontkent dat hij om contante betaling heeft verzocht en dat hij de gestelde bedragen contant heeft ontvangen. De vrouw draagt de bewijslast van haar gemotiveerd betwiste stelling. Op de mondelinge behandeling heeft zij gezegd dat ze behalve de bewijzen van de kasopnames geen ander bewijs heeft voor haar stelling. Dit leidt ertoe dat het hof de stelling van de vrouw zal passeren.
kwijtschelding
3.5
Voor wat betreft de door de vrouw gestelde kwijtschelding overweegt het hof het volgende. Een verbintenis gaat teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar. Een aanbod tot afstand om niet geldt door de schuldenaar als aanvaard, wanneer de schuldenaar van het aanbod heeft kennisgenomen en het niet onverwijld heeft afgewezen (artikel 6:160 BW Pro). Bij een afstand om niet (een kwijtschelding) mag men niet lichtvaardig uit de gedragingen van de schuldeiser afleiden, dat hij van de verbintenis afstand heeft willen doen. [1] Omdat de man heeft betwist dat hij met het telefoongesprek dat hij met de vader van de vrouw heeft gevoerd een aanbod tot kwijtschelding heeft willen doen, en hij ook betwist dat zijn handelen en dat van partijen blijk geven van kwijtschelding, moet het hof de vraag beantwoorden of de vrouw, zoals zij betoogt, er op grond van het telefoongesprek tussen de man en haar vader gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de man de restschuld van € 20.404,97 en de bruiloftskosten van € 10.000 wilde kwijtschelden. Daarbij komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Omdat de vrouw zich op de rechtsgevolgen van de kwijtschelding beroept, rusten op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro op haar de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van feiten en omstandigheden die haar gerechtvaardigd vertrouwen dat de man de schuld heeft willen kwijtschelden, te onderbouwen.
3.6
Het hof oordeelt dat de vrouw daarin niet is geslaagd. De vrouw heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd anders dan een verwijzing naar de transcriptie van het gesprek tussen de vader van de vrouw en de man. Nog daargelaten de bezwaren van de man tegen de wijze waarop de vertaling van dit in het Marokkaans-Arabisch gevoerde gesprek tot stand gekomen is, blijkt uit de tekst die in de procedure is overgelegd niet dat de man een onvoorwaardelijk aanbod tot kwijtschelding aan de vrouw heeft gedaan en dat de vrouw dit aanbod heeft aanvaard. De vrouw heeft niets gesteld over het moment waarop aanbod- en aanvaarding van de kwijtschelding zijn gedaan of over de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. De vrouw geeft ook geen verklaring voor de samenhang met haar andere stellingen over de schuld, namelijk dat die schuld überhaupt niet heeft bestaan en dat de schuld al volledig zou zijn betaald. Gelet op de omstandigheden van het geval, in combinatie met het uitgangspunt dat kwijtschelding niet lichtvaardig mag worden aangenomen en de stellige betwisting door de man, had van de vrouw verwacht mogen worden dat zij haar stelling op dit punt nader had gemotiveerd. Nu zij dit heeft nagelaten komt het hof niet toe aan bewijslevering en stelt vast dat van kwijtschelding ook geen sprake is.
3.7
Het hof is samenvattend van oordeel dat de schuld van de vrouw aan de man € 97.404,97 bedroeg en dat de vrouw daarnaast met € 10.000 moet bijdragen in de door de man betaalde kosten van de bruiloft. Van dat totaalbedrag van € 107.404,97 is komen vast te staan dat de vrouw € 77.000 heeft afgelost zodat een schuld van € 30.404,97 resteert. Die restschuld is de vrouw niet kwijtgescholden, zodat het hof concludeert, net als de rechtbank heeft gedaan, dat de vrouw het bedrag van € 30.404,97 aan de man moet betalen.
proceskosten
3.8
Op grond van wat hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het staat een procespartij vrij om in hoger beroep andere standpunten in te nemen dan in eerste aanleg. Dat past in de herstelfunctie van het hoger beroep en kan zowel zien op juridische argumenten als op de aangevoerde feiten. Die mogelijkheid ontslaat de betrokken procespartij er echter niet van, zeker waar het de feiten betreft, een toelichting te geven op de verschillen met wat eerder is aangevoerd. Dat geldt in het bijzonder als die feiten haaks staan op of innerlijk tegenstrijdig zijn met de eerder aangevoerde feiten. In deze zaak is de vrouw in het geven van een voldoende begrijpelijke toelichting daarop naar het oordeel van het hof niet geslaagd. De vrouw heeft verweren gevoerd die elkaar uitsluiten (zie 3.1) en innerlijk tegenstrijdig zijn met de eerder aangevoerde feiten (zie 3.3). Daarin ziet het hof, maar ook omdat het de bestreden beschikking op dezelfde gronden als de rechtbank bekrachtigt, aanleiding om de vrouw als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten van de man (kosten advocaat en het door de man betaalde griffierecht) in hoger beroep en die met betrekking tot het verzoek tot schorsing. Dat zal het hof doen volgens het liquidatietarief als hierna vermeld.

4.De beslissing

Het hof:
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
zaaknummer 200.356.619
4.1
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep om een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie).
zaaknummer 200.362.399
4.2
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2025;
4.3
veroordeelt de vrouw in de kosten aan de zijde van de man van dit hoger beroep en die met betrekking tot het verzoek tot schorsing, tot aan deze beschikking vastgesteld op
€ 362 voor griffierecht en op € 3.225 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief hoger beroep (tarief II) van € 1.290 per punt);
4.4
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, S. Kuijpers en L. Hamer, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 12 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Van Zeben, Du Pon & Olthof (red.), Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 587-588.