Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1513

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.358.958
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en bevestiging hoofdverblijfplaats minderjarige

De ouders van de minderjarige zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Na beëindiging van hun relatie zijn zij overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vader is, met een zorgregeling op basis van co-ouderschap. De moeder verzocht de rechtbank om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar haar en aanpassing van de zorgregeling, terwijl de vader wijziging van de zorgregeling wenste en instemde met de hoofdverblijfplaats bij hem.

De rechtbank wees het verzoek van de moeder tot wijziging van de hoofdverblijfplaats af en wijzigde de zorgregeling. Het hof bevestigt deze beslissing en oordeelt dat er onvoldoende redenen zijn om de hoofdverblijfplaats te wijzigen, mede omdat het kind gewend is aan de situatie en het goed gaat. De inschrijving op de school bij de vader blijft gehandhaafd.

Het hof wijzigt de zorgregeling op enkele punten: de vader brengt het kind op vrijdag naar de moeder en de moeder brengt het kind op maandag naar school, zodat de kosten van vervoer eerlijker worden verdeeld. De week- en weekendregeling blijft grotendeels ongewijzigd. Videobelmomenten worden afgewezen omdat dit niet in het belang van het kind is. De vakanties en studiedagen worden gelijk verdeeld in onderling overleg. De kosten van het hoger beroep worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige blijft bij de vader en de zorgregeling wordt op enkele punten gewijzigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.958/01
zaaknummer rechtbank Gelderland 434217
beschikking van 12 maart 2026
over de hoofdverblijfplaats, de toestemming voor inschrijving op de basisschool en de zorgregeling van [de minderjarige]
inzake
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M.S. Clarenbleek
en
[verweerder](de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. J. van Dam-Lolkema

1.Samenvatting

De rechtbank heeft het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] afgewezen en de afspraken in het ouderschapsplan over de inschrijving op de school en de zorgregeling gewijzigd. Het hof beslist dat dit voor de hoofdverblijfplaats en de inschrijving op de school zo moet blijven en wijzigt de zorgregeling op enkele onderdelen. Het hof legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2021. De vader heeft [de minderjarige] erkend. Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . &
2.2.
Na beëindiging van de relatie zijn de ouders in een vaststellingsovereenkomst en een ouderschapsplan (ondertekend op 27 juli 2022) onder andere overeengekomen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Verder zijn zij het eens geworden over een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedtaken met betrekking tot [de minderjarige] (de zorgregeling).
2.3.
In een beschikking van 25 november 2025 heeft het hof de verzoeken van de vrouw tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De moeder heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar is, haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op de openbare basisschool [naam1] in [woonplaats1] en de zorgregeling te wijzigen. De vader heeft verzocht hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op de openbare basisschool [naam2] in [woonplaats2] en de zorgregeling te wijzigen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] afgewezen en het verzoek van de vader over de vervangende toestemming voor inschrijving van [de minderjarige] op [naam2] toegewezen. Verder heeft de rechtbank de zorgregeling gewijzigd. Die beslissingen zijn vastgelegd in de beschikking van 27 juni 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank en komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank ongedaan maakt.
4.2.
De vader is het eens met de beslissingen van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats en de vervangende toestemming, maar hij wil dat de zorgregeling wordt gewijzigd (ten aanzien van de weekendregeling, de videobelmomenten en de vakantieregeling).
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift tevens hoger beroep van de vader
  • het verweerschrift in het hoger beroep van de vader
  • de overige stukken
4.4.
De zitting bij het hof was op 29 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de vader met zijn advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De ouders oefenen samen het ouderlijk gezag uit. In dat geval kan de rechter op grond van artikel 1:253a BW op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Dit kan onder andere betreffen de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft en een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling). De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en het ouderschapsplan, waarin een zorgregeling was opgenomen op basis van co-ouderschap, is de moeder in juli 2022 verhuisd naar haar ouders in [woonplaats1] . Sinds november 2022 heeft de moeder een (huur)woning in [woonplaats1] . De vader is in juli 2024 van [plaats] naar [woonplaats2] verhuisd. Daarmee is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een nieuwe beoordeling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling rechtvaardigt.
5.3.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] (bij de vader) te wijzigen. Het hof stelt voorop dat beide ouders in staat zijn [de minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft en op een goede manier invulling te geven aan hun ouderschap. [de minderjarige] groeit bij zowel de moeder als de vader op in een stabiele omgeving. Nu [de minderjarige] sinds medio 2022 bij de vader zijn hoofdverblijf heeft, hij daaraan gewend is en het ook goed gaat met hem is er geen reden daarin wijziging te brengen. Die beslissing komt het hof in het belang van [de minderjarige] wenselijk voor. Het verzoek van de moeder ten aanzien van het wijzigen van de hoofdverblijfplaats wordt dan ook afgewezen.
5.4.
Hieruit volgt dat ook het verzoek van de moeder haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op de openbare basisschool [naam1] in [woonplaats1] wordt afgewezen.
5.5.
Partijen zijn het over een aantal onderdelen van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet eens en hebben beiden (aanvullende) verzoeken gedaan tot wijziging daarvan. Zoals ook de raad ter zitting heeft aangegeven, heeft een beslissing van het hof daarover een tijdelijk karakter. Volgens de raad zullen de ouders aan verbetering van hun communicatie moeten werken om knelpunten – die zich in de toekomst steeds zullen voordoen – in onderling overleg te kunnen oplossen. Het hof sluit zich hierbij aan. Over de nu voorliggende punten zal het hof beslissen en een zorgregeling vaststellen als hierna vermeld, die het meest in het belang van [de minderjarige] wordt geacht.
5.6.
Het hof ziet in het door partijen aangevoerde geen redenen om anders te beslissen over de week- en weekendregeling dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof zal deze regeling in stand laten, met dien verstande dat de vader [de minderjarige] op vrijdag naar de moeder in [woonplaats1] brengt en de moeder [de minderjarige] op maandag weer naar school in [woonplaats2] brengt. Daarmee worden ook de kosten van het halen en brengen meer evenredig door partijen gedeeld. Dat daarnaast de kosten van het halen en brengen zodanig hoog zijn dat de regeling financieel onuitvoerbaar wordt en daarom (verder) zou moeten worden aangepast, heeft de moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt en kan niet leiden tot een andere beslissing.
Verder zal het hof beslissen dat [de minderjarige] tijdens de studiedagen van school om en om bij de vader dan wel de moeder verblijft. Ook het verblijf van [de minderjarige] tijdens de vakanties en feestdagen moet door partijen bij helfte worden gedeeld, in onderling overleg te bepalen, overeenkomstig het advies van de raad.
Wat betreft het verzoek van de moeder om videobelmomenten vast te stellen, volgt het hof de vader in zijn stelling dat dit niet in het belang is van [de minderjarige] , omdat [de minderjarige] behoefte heeft aan rust en onbelaste tijd met de ouder bij wie hij verblijft en kinderen van zijn leeftijd geen ‘bellers’ zijn. Dit verzoek zal worden afgewezen.

6.De slotsom

6.1
Het hof zal voor de duidelijkheid de bestreden beschikking vernietigen wat betreft de zorgregeling en die regeling opnieuw vaststellen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor het overige.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, omdat de procedure over het kind van partijen gaat.

7.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , van 27 juni 2025 ten aanzien van de zorgregeling en opnieuw rechtdoende:
stelt vast als regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [de minderjarige] :
- dat [de minderjarige] iedere week van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de moeder
verblijft, waarbij de moeder [de minderjarige] op woensdag van school haalt en op donderdag naar
school brengt;
- dat [de minderjarige] drie van de vier weekenden van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de
moeder verblijft, met dien verstande dat de vader [de minderjarige] op vrijdag naar de moeder in [woonplaats1] brengt en de moeder [de minderjarige] op maandag weer naar school in [woonplaats2] brengt;
- dat [de minderjarige] op de studiedagen van school om en om bij de moeder dan wel de vader verblijft;
- dat [de minderjarige] tijdens de vakanties en feestdagen de helft van de tijd bij de vader en de helft van de tijd bij de moeder doorbrengt, in onderling overleg te bepalen;
bekrachtigt die beschikking voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en A.T. Bol, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, is getekend door mr. K. Mans en is op 12 maart 2026 uitgesproken in het openbaar.