Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1510

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.359.533
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:377a BWArtikel 3 Verordening EU 2019/1111Artikel 5 lid 1 Huwelijksvermogensrechtverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gezag, zorgregeling en financiële afwikkeling na echtscheiding met raadsonderzoek gelast

De man en vrouw zijn in 2023 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en hebben een minderjarige geboren in 2024. Na het verzoek tot echtscheiding van de vrouw en verweer van de man heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij het kind deels bij de man verblijft onder begeleiding.

In hoger beroep zijn geschilpunten het gezag, de zorgregeling en de financiële afwikkeling van het huwelijk, waaronder kosten van de huishouding en een schadevergoeding uit het Islamitisch huwelijk. De vrouw vordert eenhoofdig gezag, contact onder begeleiding en nuchterheidstesten, en betaling van kosten. De man verzet zich en verzoekt een 50%-50% zorgregeling.

Het hof constateert een complexe ouderrelatie met communicatieproblemen en gelast een raadsonderzoek om de situatie en belangen van het kind te onderzoeken. Voorlopig wordt een begeleide zorgregeling vastgesteld. Financieel wijst het hof de kostenverzoeken af wegens gebrek aan inzicht, maar kent het een schadevergoeding toe van €2.493,- uit het Islamitisch huwelijk, die de man moet betalen.

Uitkomst: Het hof gelast een raadsonderzoek naar gezag en zorgregeling, stelt een voorlopige zorgregeling vast en kent een schadevergoeding toe uit het Islamitisch huwelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.359.515 en 200.359.533
(zaaknummers rechtbank Overijssel 321060 en 329843)
beschikking van 12 maart 2026
inzake
[verzoekster],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.N. Sahebdien,
en
[verweerder],
wonende in [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.M. Elferink.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 24 juni 2025, uitgesproken onder de hiervoor genoemde zaaknummers (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 september 2025;
- het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, met een productie;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;
- een brief namens de vrouw van 6 februari 2026 met producties 7 tot en met 16;
- een journaalbericht namens de vrouw van 9 februari 2026 met productie 17.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 17 februari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vrouw met haar advocaat;
- de man met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn [in] 2023 in [woonplaats] gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.
3.2
Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2024.
3.3
De vrouw heeft op 17 september 2024 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan.
3.4
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 4 december 2024 heeft de rechtbank onder meer als tijdelijke zorgregeling vastgesteld dat de man en [de minderjarige] wekelijks anderhalf uur contact met elkaar hebben, onder begeleiding van een professionele hulpverlenende instantie als [naam1] , [naam2] of [naam3] . Dit contact kon na verloop van een maand worden uitgebreid naar twee keer anderhalf uur, mits dit naar de inschatting van de hulpverlenende instantie passend en in het belang van [de minderjarige] was. De regie hiervoor werd neergelegd bij de wijkcoaches en de begeleidende hulpverlenende instantie. Het doel was om uiteindelijk toe te werken naar een onbegeleid contact en verdere uitbreiding van de regeling, indien en voor zover dit volgens de hulpverlenende instantie verantwoord was.
3.5
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 27 augustus 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
3.6
Behalve dat de rechtbank de echtscheiding heeft uitgesproken, heeft de rechtbank:
- bepaald dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;
- als (minimale) zorgregeling vastgesteld dat:
[de minderjarige] op dinsdag en donderdag van 09:00 uur tot 15:00 uur bij de man verblijft, waarbij de gezinshulpverleners per bezoekmoment 1,5 uur aanwezig zullen zijn. Het doel is uiteindelijk toe te werken naar onbegeleid contact en verdere uitbreiding van de regeling, indien en voor zover dit volgens [naam4] , in samenwerking met de wijkcoaches, in het belang van [de minderjarige] verantwoord is;
- het meer of anders verzochte afgewezen, waaronder de afzonderlijke verzoeken van de vrouw en van de man om met het eenhoofdig gezag te worden belast.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil:
a. het gezag;
b. de zorgregeling;
c. de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (kosten van de huishouding) en het Islamitisch huwelijk.
4.2
De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking deels te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
- te bepalen dat zij alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt belast;
- een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat het contact tussen de man en [de minderjarige] slechts plaatsvindt onder begeleiding, en uitsluitend indien en voor zover de man voorafgaand en tijdens omgangsmomenten structureel negatieve nuchterheidstesten kan overleggen;
- te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 13.984,38 dient te voldoen voor de financiële afwikkeling van het huwelijk.
4.3
De man voert verweer en vraagt het hof de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep ongegrond te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen of aan haar te ontzeggen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de man het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling te vernietigen en een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] bij hem verblijft om de week, dan wel een andere 50%-50% regeling en deze regeling dient te worden opgebouwd.
4.4
De vrouw voert daarop verweer en vraagt het hof primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel de verzoeken te verwerpen, dan wel subsidiair de verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

IPR: rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De zaak heeft een internationaal karakter omdat de man en de vrouw zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit hebben. Het hof stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van de echtscheiding en de nevenvoorzieningen (artikel 3 Verordening Pro EU 2019/1111 (Brussel II-ter)). De rechtsmacht in de echtscheidingsprocedure brengt op grond van artikel 5 lid Pro 1 Huwelijksvermogensrechtverordening ook met zich dat de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen in zaken betreffende het huwelijksvermogensstelsel die met het scheidingsverzoek verband houden.
5.2
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Aangezien hier geen grieven tegen zijn gericht, zal het hof in hoger beroep ook Nederlands recht toepassen.
Gezag en zorgregeling (zaaknummer 200.359.515)
5.3
Grief I van de vrouw heeft betrekking op het gezag en grief II van de vrouw en grief 1 van de man hebben betrekking op de zorgregeling. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.
juridisch kader gezag
5.4
Na een echtscheiding is de hoofdregel dat het gezamenlijk gezag in stand blijft. Op verzoek van de ouders of van een van hen kan de rechter na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding bepalen dat het gezag over de kinderen aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen; of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. [1]
juridisch kader zorgregeling
5.5
Eén van de ouders kan de rechter vragen om een beslissing te nemen over de omgang/zorgregeling. De rechter kijkt dan naar alle omstandigheden van het geval en neemt een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk vindt. [2]
standpunten van partijen en advies van de raad
5.6
De vrouw heeft wat het gezag betreft onder meer gesteld dat de verhouding tussen haar en de man ernstig is verstoord en dat sprake is van een structureel gebrek aan communicatie en vertrouwen. De vrouw wil niet meer met de man communiceren vanwege zijn dreigende, intimiderende en respectloze wijze van communiceren. Volgens de vrouw komt [de minderjarige] door de voortdurende strijd en de verslavingsproblematiek (alcohol en drugs) van de man klem te zitten tussen de ouders. De man ligt volgens de vrouw regelmatig dwars als er belangrijke beslissingen moeten worden genomen. Zo vond de man operaties van [de minderjarige] niet nodig en trok hij adviezen van hulpverleners in twijfel. Verder heeft de man geweigerd toestemming aan haar te geven om met [de minderjarige] naar Turkije af te reizen toen haar oma op sterven lag. Voor de zomervakantie in 2025 was eerst de tussenkomst van de advocaat nodig voordat de man toestemming gaf om met [de minderjarige] naar het buitenland te reizen. Wat de zorgregeling betreft stelt de vrouw dat zij het contact tussen de man en [de minderjarige] afhankelijk wil stellen van de nuchterheidstesten bij de man om de veiligheid van [de minderjarige] bij de man te waarborgen en dient het contact in eerste instantie onder begeleiding plaats te vinden. De vrouw stelt dat haar zorgen terecht zijn, want zij heeft met de man samengewoond en is toeschouwer geweest van de momenten waarop de ambulance wederom voor de woning stond om de man mee te nemen vanwege een overdosis.
5.7
De man ontkent en betwist dat bij hem sprake is van problematisch middelengebruik. Het is een ongefundeerde stelling van de vrouw. Het is juist de vrouw die zorgelijk gedrag vertoont en de zorg voor [de minderjarige] niet goed aankan. De man betreurt het dat de vrouw hem ook in deze procedure neerzet als een onbetrouwbare ouder en hoopt dat bij de vrouw een verandering van gedrag zal komen. De rechtbank heeft (helaas) terecht overwogen dat partijen zijn verwikkeld in hardnekkige strijd en dat het hen om die reden niet lukt om op een normale manier te communiceren. De man voelt zich door de vrouw op een nare manier weggezet als persoon en als vader. De contacten tussen [de minderjarige] en hem lopen al geruime tijd goed. De man is van mening dat er in ieder geval contact moet zijn zoals door de rechtbank is bepaald, met een uitbreiding wanneer dat mogelijk is. En dat zonder de aanvullende voorwaarden van de vrouw.
5.8
De raad heeft op de zitting het hof geadviseerd een raadsonderzoek te gelasten. De raad wil onderzoek doen, want [de minderjarige] is nog maar net twee jaar oud en met de problemen die er zijn tussen de ouders is het van belang om te kijken wat hij nodig heeft en hoe zijn ontwikkeling verloopt. Er zijn veel instanties betrokken, maar in de afgelopen twee jaar is het in het vrijwillig kader nog niet gelukt om de problemen die er tussen de ouders zijn op te lossen. De raad vindt het zorgelijk dat er nu geen contact is tussen de man en [de minderjarige] . De raad vindt het van belang om snel te starten met begeleid contact, want anders wordt de drempel om tot contactherstel te komen te groot. Mogelijk gaat de raad een raadsonderzoek uitbreiden met een beschermingsonderzoek.
5.9
Na het advies van de raad heeft de vader ingestemd met een raadsonderzoek. De moeder heeft liever dat het hof een beslissing neemt zonder eerst een raadsonderzoek af te wachten. De moeder legt zich wel neer bij de beslissing van het hof. Daarop heeft het hof partijen tijdens de zitting meegedeeld dat er een raadsonderzoek zal worden gelast.
oordeel van het hof
5.1
Het hof zal de behandeling van de verzoeken van de ouders over het gezag en de zorgregeling in hoger beroep aanhouden en de raad verzoeken een onderzoek in te stellen. De ouders maken zich over en weer zorgen over het gedrag van de andere ouder en voor het hof is niet duidelijk waar de complexe dynamiek die er tussen de ouders is vandaan komt. [de minderjarige] is nog heel jong en het is in zijn belang dat er een goede communicatie op ouderniveau en een goede samenwerking tussen de ouders komt en dat hij niet wordt belast met volwassenzaken die tussen de ouders spelen. Uiteraard moeten de beide thuissituaties voor [de minderjarige] veilig zijn. Met een raadsonderzoek beoogt het hof antwoord te krijgen op de volgende vragen:
a. Hoe is de relatie tussen de ouders op ouderniveau? Is er een herkenbaar patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan?
b. Kan de ouderrelatie zodanig worden hersteld/verbeterd, dat [de minderjarige] buiten de strijd van de ouders blijft en [de minderjarige] geen last heeft van de communicatie en interactie tussen de ouders? Zo ja, wat is hiervoor nodig?
c. Zijn de ouders in staat gezamenlijk uitvoering te geven aan het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en/of wat is daarvoor nodig en/of wat zijn de belemmeringen daarvoor?
d. In hoeverre is ieder van de ouders in staat om bij de uitvoering van een zorgregeling rekening te houden met de behoefte van [de minderjarige] ?
e. In hoeverre zijn de ouders in staat elkaar ruimte te bieden voor (onbelast) contact met [de minderjarige] ?
f. Welke zorgregeling is het meest in het belang van [de minderjarige] ?
g. Welke stappen moeten worden genomen om tot die regeling te kunnen komen en op welke termijn kunnen die stappen plaatsvinden en is hierbij professionele begeleiding nodig en zo ja, voor wie en aan welke hulpverlening/begeleiding wordt gedacht?
h. Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden?
5.11
De raadsvertegenwoordiger heeft tijdens de zitting verklaard dat de verwachting is dat het raadsonderzoek binnen vijf maanden zal zijn afgerond. Het hof verzoekt daarom de raad uiterlijk op 12 augustus 2026 te rapporteren. Het hof zal een raadsheer-commissaris benoemen die de voortgang van het onderzoek bewaakt.
5.12
Het raadsonderzoek zal enige tijd in beslag nemen. In afwachting van het raadsrapport zal het hof een - andere - voorlopige zorgregeling vastleggen naar aanleiding van wat de raad op de zitting heeft verteld over de mogelijkheden zo spoedig mogelijk het contact tussen [de minderjarige] en de man te herstellen. Het hof zal als zorgregeling vaststellen dat de man en [de minderjarige] contact hebben met elkaar elke dinsdag en donderdag onder begeleiding van een instantie, de regie van deze contactmomenten ligt bij de betrokken wijkcoaches van de ouders en deze wijkcoaches zullen in onderling overleg de duur van dit contact bepalen en welke instantie dit contact zal begeleiden.
Financiële afwikkeling van het huwelijk (zaaknummer 200.359.533)
kosten van de huishouding
5.13
Grief III van de vrouw ziet onder meer op de afwijzing van haar verzoek om vergoeding van de man voor door haar te veel betaalde kosten van de huishouding. De vrouw stelt dat de man nog de volgende bedragen aan haar moet betalen:
- € 960,37 vanwege de kosten van ontspanning/vakanties;
- € 732,23 vanwege medische kosten voor de man;
- € 3.264,95 vanwege kosten van [de minderjarige] ;
- € 5.898,45 vanwege de woonkosten en daarmee gepaard gaande kosten;
- € 635,38 vanwege de kosten van de kluis.
De man voert verweer.
5.14
Tegen het oordeel van de rechtbank dat deze kosten onder de kosten van de huishouding vallen is door partijen geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Wat betreft de door de vrouw gestelde vordering op de man, neemt het hof, na eigen onderzoek, de rechtsoverwegingen 6.21 en 6.22 van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Deze overwegingen luiden als volgt:
“6.21. In artikel 2.1 van de huwelijkse voorwaarden staat: 'Aan het einde van het
kalenderjaar controleren de echtgenoten of de kosten van de huishouding zijn betaald zoals
is afgesproken. Als een echtgenoot te weinig heeft betaald, dan kan in het kalenderjaar
daaropvolgend een correctie worden gevraagd. Na die termijn kan dat niet meer
(vervalbeding).
Bij echtscheiding kan alleen nog correctie worden gevraagd voor het lopende kalenderjaar
en het kalenderjaar daaraan voorafgaand.'
6.22.
De man en de vrouw verzoeken per kostenpost een correctie, terwijl volgens artikel
2.1
van de huwelijkse voorwaarden over het geheel van alle kosten van de huishouding per
kalenderjaar een correctie moet plaatsvinden. De kosten van de huishouding omvatten veel
meer dan alleen de door de man en de vrouw ingediende kostenposten. Het gaat bijvoorbeeld
ook om de boodschappen en de ziektekostenverzekeringen (zie artikel 2.1). Het had op de
weg van de man en de vrouw gelegen (nu zij beiden hierover verzoeken hebben ingediend)
om over de periode van 18 juni 2023 tot en met december 2023 en (apart) over de periode
van januari 2024 tot en met 21 juli 2024 inzichtelijk te maken welke kosten er in het geheel
zijn gemaakt, wie welke kosten heeft gedragen, wat de vrouw had moeten bijdragen gelet op
haar inkomen en wat de man had moeten bijdragen gelet op zijn inkomen. Nu de man en de
vrouw dit niet inzichtelijk hebben gemaakt, kan de rechtbank niet vaststellen of er een
correctie moet plaatsvinden. Reden waarom de verzoeken over en weer worden afgewezen.”
5.15
Ook in hoger beroep heeft de vrouw nagelaten een overzicht te overleggen van
allegemaakte kosten van de huishouding in de betreffende perioden
en wie welke kosten heeft gedragen. Ook zijn er geen inkomensgegevens overgelegd om te bepalen wie wat had moeten bijdragen gelet op haar/zijn inkomen, want in artikel 2.1 van de huwelijkse voorwaarden staat dat deze kosten door partijen naar evenredigheid van hun inkomen worden betaald. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de man de door haar gestelde verdeelsleutel niet heeft betwist. Uit het voorgaande volgt dat grief III van de vrouw deels faalt.
Islamitisch huwelijk
5.16
In grief III stelt de vrouw verder dat zij een vordering op de man heeft tot betaling van een bedrag van € 2.493,-. Dit is het bedrag dat partijen zijn overeengekomen als schadevergoeding bij echtscheiding volgens het Islamitisch geloof, aldus de vrouw. Grief 2 van de man ziet ook op deze schadevergoeding. Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij die verplichting destijds is aangegaan en deze zal moeten nakomen.
5.17
Het hof begrijpt de grief van de vrouw aldus dat de rechtbank abusievelijk is vergeten in het dictum op te nemen de beslissing dat de man de verplichting moet nakomen die hij destijds is aangegaan ten tijde van het sluiten van het Islamitisch huwelijk en daarom wegens schadevergoeding bij echtscheiding een bedrag van € 2.493,- aan haar moet betalen.
De stelling van de man op de zitting bij het hof dat hij dit bedrag al heeft betaald voor, dan wel tijdens het huwelijk is niet met stukken onderbouwd. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank het volgende over deze schadevergoeding:
Rechter:
Hoe moet ik uit productie 22 afleiden dat er sprake is van een schadevergoeding?
Vrouw:
Het gaat om het gouden muntstuk: vijf op een rij. Het is een Turkse gouden muntstuk. Ik zou
dat als cadeau krijgen. € 2.500.- is de waarde. Het is schadevergoeding in geval van
echtscheiding.
Man:
Ik ben atheïst. Ik heb hieraan meegedaan, maar ik voel mij niet verbonden.”
De man erkent dus destijds deze verplichting te zijn aangegaan. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen zal de man daarom deze verplichting moeten nakomen, nu niet is gebleken uit de stukken dat de man deze verplichting al heeft voldaan. Het hof zal daarom in het dictum opnemen dat de beschikking van de rechtbank wordt aangevuld in die zin dat de man aan de vrouw de verplichting heeft een bedrag van € 2.493,- te betalen wegens schadevergoeding bij echtscheiding zoals partijen dat bij het aangaan van hun Islamitisch huwelijk zijn overeengekomen. Grief III van de vrouw slaagt deels en grief 2 van de man faalt.
conclusie
5.18
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, wat betreft de beslissing over de correctie van de kosten van de huishouding, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal aanvullen voor wat betreft de schadevergoeding bij echtscheiding zoals partijen dat bij het aangaan van hun Islamitisch huwelijk zijn overeengekomen.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met nummer 200.359.533:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 24 juni 2025, voor wat betreft de beslissing over de correctie van de kosten van de huishouding, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
vult aan deze beschikking in die zin dat de man aan de vrouw de verplichting heeft een bedrag van € 2.493,- te betalen wegens schadevergoeding bij echtscheiding zoals partijen dat bij het aangaan van hun Islamitisch huwelijk zijn overeengekomen en verklaart deze aanvulling uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak met nummer 200.359.515
alvorens verder te beslissen over het gezag en de zorgregeling:
verzoekt de raad een nader onderzoek in te (doen) stellen als hiervoor onder 5.10 omschreven en het hof daarover uiterlijk op
12 augustus 2026te rapporteren;
bepaalt dat het onderzoek door de raad zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. Phaff;
bepaalt dat de raad zich voor vragen of opmerkingen over het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;
bepaalt dat de ouders hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor de ouders en de raad zullen worden opgeroepen;
stelt voor de periode vanaf heden de volgende voorlopige zorgregeling vast tussen de man en [de minderjarige] : de man heeft elke dinsdag en donderdag onder begeleiding van een instantie contact met [de minderjarige] , de regie van deze contactmomenten ligt bij de betrokken wijkcoaches van de ouders en zij zullen in onderling overleg de duur van dit contact bepalen en welke instantie dit contact zal begeleiden en verklaart deze voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en P.B. Kamminga, en is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.artikel 1:253a BW dan wel artikel 1:377a BW.