ECLI:NL:GHARL:2026:1475

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.359.387/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:182 BWArt. 6:109 BWArt. 6:119 BWArt. 611d RvArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over financiële afwikkeling na beëindiging langdurige relatie met geschil over eigendom sieraden en verdeling inboedel

Partijen hadden een langdurige affectieve relatie van ongeveer twintig jaar, met twee minderjarige kinderen, en sloten een samenlevingsovereenkomst zonder gemeenschap van goederen, behalve voor inboedel. Na beëindiging van de relatie in 2023 ontstonden meer dan vijftien procedures, waarvan dit hoger beroep zich richt op de financiële afwikkeling.

De kern van het geschil betreft de eigendom van een kostbare verzameling sieraden ter waarde van circa een miljoen euro, de verdeling van de inboedel, waaronder een appartement in het buitenland en een Mini Cooper, en de verrekening van schulden en leningen. De vrouw legde conservatoir beslag op sieraden en andere zaken, terwijl de man tegenvorderingen instelde, onder meer tot terugbetaling van een lening voor de verbouwing van het appartement.

De rechtbank had diverse beslissingen genomen, waaronder toedeling van bepaalde zaken aan de vrouw, veroordeling tot afgifte van sieraden en inboedel, en het opleggen van dwangsommen. In hoger beroep zijn veel van deze beslissingen vernietigd of aangepast. Het hof oordeelt onder meer dat het beslag op sieraden niet van rechtswege is vervallen, maar dat de vrouw onvoldoende bewijs heeft geleverd voor eigendom van een deel van de sieraden. De Mini Cooper wordt aan de vrouw toegewezen, maar de man hoeft geen kosten terug te vorderen. De lening voor de verbouwing wordt toegewezen aan de man. Diverse vorderingen tot inzage in administratie en bewijsbeslag worden afgewezen wegens te late indiening of onvoldoende belang.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof vernietigt de vonnissen van de rechtbank en voorzieningenrechter en wijst de vorderingen deels toe en deels af, met uitvoerbaar bij voorraad verklaringen.

Uitkomst: Het hof vernietigt eerdere vonnissen, wijst vorderingen deels toe en deels af, en compenseert de proceskosten in een complexe civiele procedure over financiële afwikkeling na beëindiging van een langdurige relatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.359.387/01 (hoofdzaak)
200.354.435/01 (kortgeding)
200.355.926/01 (kortgeding)
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 569576
588175
591695
arrest van 10 maart 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. F.R. Brouwer
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. W.J.P. Kweens

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Het geschil tussen partijen in dit hoger beroep bestrijkt drie procedures: een hoofdzaak tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad van 2 juli 2025 (nummer 569576/200.359.387/01) en twee kortgedingen van diezelfde rechtbank (vonnissen van 14 maart en 15 mei 2025, nummers 588175/200.354.435/01 en 591695/200.355.926/01). [appellante] heeft tegen al die vonnissen bezwaren geformuleerd (grieven). In de hoofdzaak heeft [geïntimeerde] daarop geantwoord, en in die procedure heeft hij zelf ook hoger beroep ingesteld (incidenteel appel). Daarop heeft [appellante] op haar beurt geantwoord. Vervolgens zijn alle zaken gezamenlijk op 5 februari 2026 op een mondelinge behandeling bij het hof besproken. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd in alle drie de zaken arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

Inleiding
2.1
Dit geschil gaat over een relatie die in 2023 na twintig jaar is afgebroken. Dat heeft in korte tijd geleid tot meer dan vijftien procedures. De ruzie waaiert alle kanten op en raakt ook de twee kinderen van partijen hard. Daarover gaat dit hoger beroep echter niet; ter discussie staat nu in essentie de financiële afwikkeling van de breuk. Die ziet onder andere op de afgifte van de zaken waarop [appellante] aanspraak maakt, de verdeling van de inboedel (ook die van het appartement van [appellante] in [land] ) en een Mini Cooper, de verrekening van schulden en de beslagen die [appellante] heeft gelegd. [geïntimeerde] heeft tegenvorderingen ingesteld (de zogenaamde reconventie bij de rechtbank). Hij wil onder andere dat een door hem verstrekte lening (met rente) voor het appartement in [land] wordt terugbetaald en dat [appellante] de verplichting wordt opgelegd de kunsthandelaren die zij heeft benaderd om een mogelijke verkoop van de sieraden door hem te voorkomen, schriftelijk te laten weten dat zij weer zaken voor hem mogen verkopen. Het gaat daarbij vooral om sieraden. In het centrum van het geschil staat namelijk een verzameling kostbare juwelen waarvan beide partijen de eigendom claimen. De waarde van die juwelen schatten zij op een miljoen euro.
2.2
Voor een deel hebben partijen onder leiding van de rechtbank afspraken kunnen maken over wat hen verdeeld houdt. Het hof zal hierna thematisch de punten bespreken waar dat niet voor geldt, en waarover nog een oordeel wordt gevraagd. Daaraan gaat een korte opsomming vooraf van de vaststaande feiten, gevolgd door een integrale weergave van de vorderingen en de beslissingen van de rechtbank.
De vaststaande feiten
2.3
[appellante] ( [geboortedatum] ) en [geïntimeerde] ( [geboortedatum] ) hebben gedurende ongeveer twintig jaar een affectieve relatie gehad en hebben twee kinderen gekregen: ( [de minderjarige1] , nu 11 jaar en [de minderjarige2] , nu 7 jaar). Tijdens de samenleving zijn zij een samenlevingsovereenkomst aangegaan. In die overeenkomst is onder meer het volgende geregeld.
Artikel 3.
1.
Tussen partijen bestaat geen gemeenschap van goederen, met uitzondering van de hierna vermelde gemeenschap van de goederen behorende tot de inboedel en behoudens de mogelijkheid dat goederen in gemeenschap worden verkregen krachtens een gezamenlijke aankoop, door schenking of krachtens erfrecht of door een andere gezamenlijke verkrijging.
2. Alle schulden worden gedragen door degene die de schulden heeft doen ontstaan, met uitzondering van de schulden welke betrekking hebben op de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.
Artikel 4.
Partijen verlenen elkaar over en weer volmacht voor het verrichten van rechtshandelingen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding.
Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto jaarinkomen uit arbeid bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Onder inkomsten uit arbeid worden mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit zelfstandig uitgeoefend beroep en bedrijf Indien deze inkomsten niet toereikend zijn, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van haar netto vermogen per het einde van het betreffende kalenderjaar het tekort aan te vullen.
(…)
Artikel 6.
Inboedel, aangeschaft tijdens het bestaan van de gemeenschappelijke huishouding, zullen eigendom zijn van partijen, ieder voor de onverdeelde helft. Voorts kunnen partijen in onderling overleg bepalen dat ook andere roerende goederen gemeenschappelijk eigendom zullen zijn.
Inboedel is het geheel van het huisraad en de tot stoffering en meubilering van de woning dienende roerende zaken, met uitzonderingen van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard.
(…)
2.4
[geïntimeerde] was kaakchirurg, maar is op enig moment wegens het verrichten van onregelmatige declaraties uit het BIG-register geschrapt. Daarna ontstonden aanzienlijke schulden. Die hebben er onder meer toe geleid dat zijn woning in 2025 executoriaal is verkocht. Op dat moment had [appellante] - op 16 oktober 2024 - al beslag gelegd op een verzameling waardevolle sieraden waarvan zij de eigendom claimt. Zij had voordien de samenleving op 16 april 2023 al beëindigd en de samenlevingsovereenkomst op 25 mei 2023 opgezegd. De veilingopbrengst van € 935.000 is vrijwel geheel aangewend ter aflossing van kosten en schulden. Op dit moment resteert een schuld van [geïntimeerde] van ongeveer zeven ton.
2.5
Een eerste conservatoir beslag op roerende zaken (niet op de sieraden) legde [appellante] op 20 december 2023. Nadien volgde op 24 april 2024 nog een (bewijs)beslag op ordners en digitale bescheiden. Op 16 oktober 2024 volgde nog een beslag op roerende zaken, waaronder de sieraden.
De vorderingen en beslissingen van de rechtbank
2.6
[appellante] heeft bij de rechtbank in de hoofdzaak (
569576) het volgende gevorderd (letterlijk weergegeven).
I Te bepalen dat de zaken, genoemd in de randnummers 33, 38, 41, 42, 43, 44, 45, 50, 51, en 52 van de grosse van 15 december 2023, zonder verrekening worden toebedeeld aan eiseres, waarbij de gerechtelijke bewaarder [naam5] BV gehouden is deze zaken aan de vrouw te overhandigen.
II Primair, gedaagde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en in aanwezigheid van Yards Deurwaarders, tot afgifte aan eiseres van de zaken genoemd in de rand nummers 15 t/m 32, 34, 35, 36, 37, 39, 40, 46 t/m 49 van de grosse van 15 december 2023, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 10.000 per dag of gedeelte daarvan dat de man weigert genoemde zaken aan de vrouw te overhandigen.
Subsidiair, gedaagde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de vrouw te betalen de somma van € 1.000.000 als vervangende schadevergoeding, dan wel een bedrag door de Rechtbank in goede justitie te bepalen.
III Gedaagde te veroordelen tot afgifte aan eiseres van diverse ordners, met daarin de administratie van eiseres met aankoopnota's en gebruiksaanwijzingen van hetgeen in de vakantiewoning in [land] is, de map met Visacard-afschriften van de afgelopen 10 jaar, aanschafbewijzen van de sieraden, inclusief wachtwoorden van Visa-bankieren en telebankieren, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 1.000 per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde weigert genoemde zaken aan eiseres te overhandigen.
IV Primair, gedaagde te veroordelen afgifte aan eiseres van de geel gekleurde zaken op productie 5 van de gemeenschappelijke huisraad, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 1.000 per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde weigert genoemde zaken aan eiseres te overhandigen.
Subsidiair, gedaagde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan eiseres te betalen de somma van € 25.000 als vervangende schadevergoeding wegens gemis gemeenschappelijke inboedel, dan wel een bedrag door de Rechtbank in goede justitie te bepalen.
V Gedaagde te veroordelen tot het verstrekken van verificatoire informatie, zulks binnen 5 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, met gezamenlijk verdiend geld vanuit de praktijk kaakchirurgie geïnvesteerde en/of belegde gelden bij [naam1] en [naam2] aan de hand van jaaropgaven 2022 en 2023 voor wat betreft de looptijd, rekeningnummers, rendementen, bij gebreke waarvan gedaagde jegens eiseres een dwangsom verbeurt van € 2.500 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan voormeld vonnis te voldoen.
VI Gedaagde te veroordelen tot het verstrekken van verificatoire informatie, zulks binnen 5 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, van de levensverzekering die ten behoeve van partijen zijn afgesloten bij Reaal Verzekeringen, aan de hand van jaaropgaven 2022 en 2023 voor wat betreft de looptijd, polisnummers, rendementen, bij gebreke waarvan gedaagde jegens eiseres een dwangsom verbeurt van € 2.500 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan voormeld vonnis te voldoen.
VII Gedaagde te veroordelen tot afgifte aan eiseres van een kopie van de digitale foto's van (het gezin van) partijen van de periode 2003 - 2023, zulks binnen 5 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan gedaagde jegens eiseres een dwangsom verbeurt van € 2.500 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan voormeld vonnis te voldoen.
VIII Te bepalen de Mini Cooper aan eiseres wordt toebedeeld, zonder verrekening, en gedaagde te veroordelen de reservesleutel van de Mini aan eiseres te overhandigen, binnen 5 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 250 per dag of gedeelte daarvan dat hij weigert aan de veroordeling te voldoen.
IX Gedaagde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de somma ad EUR 5.000
en EUR 3.300 aan eiseres te betalen op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
X Gedaagde te veroordelen, binnen 5 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, primair de inboedel van de vakantiewoning in [land] te laten ophalen, subsidiair eiseres te machtigen de inboedel van het vakantiehuis in [land] te laten ophalen en vernietigen.
XI Gedaagde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de eiseres te betalen de somma van EUR 2.459,63 vanwege beslagkosten, vermeerderd met EUR 86 aan griffierecht voor het verzoek conservatoir beslag.
XII Gedaagde te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de eiseres te betalen de somma van EUR 5.172, 75 inclusief met BTW, aan buitengerechtelijke kosten, althans een bedrag door de Rechtbank in goede justitie te bepalen.
XIII Gedaagde te veroordelen aan eiseres te betalen de wettelijke rente over haar vorderingen, te rekenen vanaf dagtekening van deze dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.
XIV Gedaagde veroordelen in de kosten van dit geding.
2.7
Hierna heeft zij daar de volgende vordering aan toegevoegd.
De vrouw vordert dat de Rechtbank een deskundige aanstelt, die op basis van onder andere de zoektermen van productie 18 dient na te aan - in de e-mails en andere databestanden van de man, door de deurwaarder bij het bewijsbeslag op 24 april 20234 veiliggesteld - aan wie de man de sieraden heeft aangeboden, wanneer en door wie de sieraden zijn gekocht, voor
wie de sieraden zijn gekocht en welke waarde de sieraden vertegenwoordigen.
2.8
[geïntimeerde] heeft van zijn kant in de hoofdzaak (
569576) het volgende gevorderd (letterlijk weergegeven).
1. de vorderingen van de vrouw af te wijzen;
Ter zake het gelegde beslag
2. alle door de vrouw gelegde conservatoire beslagen die op grond van het beslagverlof van 15 december 2023 zijn gelegd, op te heffen;
3. de vrouw te bevelen om binnen 36 uur na het te wijzen vonnis (zaterdagen en zondagen niet meegerekend) schriftelijk en ondubbelzinnig te verklaren dat het beslag is opgeven en als vervallen kan worden beschouwd;
4. de vrouw te bevelen om binnen 24 uur na het afleggen van deze verklaring(en) dat het beslag is opgeheven en als vervallen kan worden beschouwd, afschriften van deze verklaring(en) aan de advocaat van de man te verstrekken;
5. de vrouw te veroordelen tot afgifte aan de man binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis van de goederen die zich nog in bewaring bevinden, althans binnen een termijn die uw rechtbank redelijk acht;
6. te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordelingen (onder randnr. 1 tot en met 5) voldoet met een maximum van € 75.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
7. de vrouw te verbieden om met het beslagverlof van 15 december 2023 opnieuw conservatoir beslag te leggen, onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 1.000.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
overige vorderingen
8. de vrouw te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan de man van €500,00, te voldoen binnen twee weken na het te wijzen vonnis;
9. de vrouw te veroordelen tot afgifte aan de man van het brons dat op productie 13 is afgebeeld - onbeschadigd en binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 80.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
10. de vrouw te veroordelen tot afgifte aan de man van:
a. een rotan loungeset;
b. een zwarte kunststof buitenset;
c. een wit gelakte eettafel met 6 (kunst)lederen stoelen;
onbeschadigd en zonder ontbrekende onderdelen en binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
11. wanneer de vrouw toedeling vordert van het vorderingsrecht op de kredietverlener aan haar - dan wel wanneer de vrouw inmiddels 'het slottermijn' heeft voldaan en toedeling van de Mini vordert - deze vordering toe te wijzen en de vrouw daarbij te veroordelen om aan de man binnen twee weken na het te wijzen vonnis - althans binnen een door uw rechtbank vast te stellen termijn - op grond van overbedeling € 6.689,08 te voldoen;
12. in het geval de vrouw geen toedeling vordert van het vorderingsrecht op de kredietverlener: toedeling van het vorderingsrecht op de kredietverlener aan de man, onder de verplichting voor de man om aan de vrouw een bedrag wegens overbedeling te betalen van : de helft van:
* de waarde van de Mini per datum dat de vrouw de Mini feitelijk 'overdraagt' aan de man, vast te stellen door [naam3] in [plaats1] , althans door een door uw rechtbank vast te stellen deskundige/BMW-dealer
* te verminderen met de slottermijn van € 10.500,00;
dan wel subsidiair wanneer de vrouw inmiddels 'de slottermijn' heeft voldaan:
toedeling van 'de Mini' aan de man, onder de verplichting voor de man om aan de vrouw een bedrag wegens overbedeling te betalen van de helft van de waarde van de Mini per datum dat de vrouw de Mini feitelijk 'overdraagt' aan de man, vast te stellen door [naam3] in [plaats1] , althans door een door uw rechtbank vast te stellen deskundige/BMW-dealer;
13. in het geval de vrouw geen toedeling vordert van het vorderingsrecht op de kredietverlener: de vrouw te veroordelen tot afgifte van de Mini, de sleutels van de Mini, het kentekenbewijs en het overschrijvingsbewijs van de Mini binnen 2 dagen na het te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 25.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
14. de vrouw te veroordelen binnen twee weken na het te wijzen vonnis aan de man ter zake door hem betaalde kosten voor de Mini de navolgende bedragen - althans de door uw rechtbank vast te stellen bedragen - te voldoen:
Primair subsidiair
a. voor betaalde leasetermijnen € 28.606,92 € 11.779,32
b. voor betaalde verzekeringspremie € 4.188,37 € 2.094,19
c. voor betaalde wegenbelasting€ 2.777,00 € 1.388,50
€ 35.572,29 € 15.262,01
15. de vrouw te veroordelen aan de man als schadevergoeding de werkelijke kosten te vergoeden voor de nog te plaatsen drie nieuwe gecertificeerde veiligheidscilinders;
16. de vrouw te veroordelen om aan de man het door haar geleende bedrag inclusief rente van € 121.129,58 te voldoen, te vermeerderen met 6% rente over het op dat moment verschuldigde bedrag per 31 december, voor het eerst (weer) per 31 december 2024 tot de dag der algehele voldoening;
17. de vrouw te gebieden de openstaande rekening van het door haar gerealiseerde eigen risico 2023 bij CZ binnen twee weken na het te wijzen vonnis te voldoen, te vermeerderen met de incassokosten en verschuldigde rente, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 1.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
18. voor het geval het niet (tijdig) voldoen van het eigen risico 2023 van de vrouw met bijkomende kosten leidt tot een BKR-registratie voor de man, de vrouw te gebieden zorg te dragen voor doorhaling van deze BKR-registratie binnen twee maanden na het te wijzen van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
19. de vrouw te gebieden de openstaande factuur voor haar voormalig telefoonabonnement bij [naam4] met bijkomende kosten binnen twee weken na het te wijzen vonnis, te voldoen, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 1.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
20. de vrouw te gebieden zorg te dragen voor doorhaling van deze de vermelding van de man bij [naam15] , onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
21. de vrouw te gebieden binnen twee dagen na het te wijzen vonnis de handelaren schriftelijk te berichten dat het hen vrij staat om weer zaken voor de man te mogen verkopen of kopen en/of van en/of aan de man te mogen kopen of verkopen, onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat de vrouw niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 1.000.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
22. de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de schade aan de man als gevolg van haar onrechtmatig handelen jegens de man, op te maken bij staat en binnen een periode van twee weken na het te wijzen vonnis over de omvang van de schade, althans binnen een periode als uw rechtbank juist acht;
23. de vrouw te veroordelen om binnen twee dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, althans binnen een termijn die uw rechtbank redelijk acht, de sleutel van de woning in [land] aan de man te verstrekken;
de vrouw te veroordelen om de man gedurende zes weken na ontvangst van de sleutel van de woning in [land] , althans gedurende een termijn die uw rechtbank redelijk acht, in de gelegenheid te stellen om - zonder de aanwezigheid van de vrouw of personen die namens de vrouw aanwezig zijn - de inboedel en zijn persoonlijke zaken uit de woning in [land] op te halen, althans uitsluitend subsidiair, te laten ophalen;
een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordelingen voldoet met een maximum van € 25.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht
24. de vrouw te veroordelen aan de man de wettelijke rente te betalen over zijn vorderingen, te rekenen vanaf 24 april 2024, althans vanaf een datum als uw rechtbank juist acht, tot de dag der algehele voldoening;
25. de vrouw primair te veroordelen in de werkelijke proceskosten van € 16.386, 78 te vermeerderen met het griffierecht en te vermeerderen met de werkelijke proceskosten na 23 april 2024, althans - subsidiair - te veroordelen in de kosten van dit geding volgens het liquidatietarief, althans - meer subsidiair - de proceskosten te compenseren zodat ieder de eigen kosten draagt.
2.9
De rechtbank heeft in de hoofdzaak (
569576) de volgende beslissingen genomen (letterlijk weergegeven).
in conventie
4.1.
bepaalt dat de zaken, genoemd in de randnummers 33, 38, 41, 42, 43, 44 (met 17 uitzondering van de persoonlijke boeken van de man), 45 (met uitzondering van de vier Alessi-trommels), 50 en 52 van de grosse het verzoekschrift van 15 december 2023, zonder verrekening worden toebedeeld aan de vrouw, waarbij de gerechtelijk bewaarder [naam5] B.V. gehouden is deze zaken aan de vrouw te overhandigen,
4.2.
bepaalt dat de persoonlijke boeken van de man en de genoemde vier Alessi-trommels zonder verrekening worden toebedeeld aan de man, waarbij de gerechtelijk bewaarder [naam5] B.V. gehouden is deze zaken aan de man te overhandigen,
4.3.
veroordeelt de man tot afgifte aan de vrouw van:
(i) de nerts bontjas genoemd in randnummer 31 van het verzoekschrift van 15 december 2023,
(ii) de Louis Vuitton-tas, het zilveren halssnoer en de slavenband genoemd in randnummer 32 van dat verzoekschrift,
(iii) de Tiffany-set bestaande uit oorbellen, kort kettinkje met hanger en lange ketting met medaillon, diamantjes wit en blauw, genoemd in randnummer 35 van dat verzoekschrift,
(iv) de gouden ring met amethist en diamanten en de gouden oorbellen, zichtbaar op de tweede foto op de tweede pagina van productie 26 bij dat verzoekschrift (waar bladzijdenummer '41' zichtbaar is) en genoemd in randnummer 37 van dat verzoekschrift, alles tegen behoorlijk bewijs van kwijting en in aanwezigheid van Yards Deurwaarders, binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis,
4.4.
veroordeelt de man tot afgifte aan de vrouw van de gearceerde zaken op productie 5 bij de dagvaarding, met uitzondering van de kleine Bric-trolley van zacht (nep)leer,
4.5.
bepaalt dat de Mini Cooper wordt toebedeeld aan de vrouw,
4.6.
veroordeelt de man tot afgifte van de reservesleutel van de Mini Cooper aan de vrouw binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis,
4.7.
veroordeelt de man om de inboedel van de vakantiewoning in [land] , zoals vermeld op de laatste twee pagina's van productie 5 bij de dagvaarding, binnen zes weken na de datum van dit vonnis te laten ophalen,
4.8.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € I .000,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordelingen in randnummer 4.3. of 4.4. voldoet, vanaf veertien dagen na het moment waarop de man weer kan beschikken over de genoemde zaken zoals overwogen in randnummer 3.2., tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
4.9.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling in randnummer 4.6. voldoet, vanaf veertien dagen na het moment waarop de man weer kan beschikken over de reservesleutel zoals overwogen in randnummer 3.2., tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
4.10.
veroordeelt de man in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op€ 3.159,63, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6;119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
in reconventie
4.11.
heft het namens de vrouw gelegde beslag van 20 december 2023 op,
4.12.
verbiedt de vrouw om met het beslagverlof van 15 december 2023 opnieuw conservatoir beslag te leggen,
4.13.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 6.689,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.14.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 121.129,58, jaarlijks te vermeerderen met 6% rente over het toegewezen bedrag, voor het eerst per 31 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.15.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 385,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.16.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 202,14 met alle bijkomende kosten (zoals incassokosten en in rekening gebrachte rente), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.17.
veroordeelt de vrouw om de vermelding van de man bij [naam15] te laten doorhalen,
4.18.
veroordeelt de vrouw om binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis de handelaren schriftelijk te berichten dat het hen vrij staat om weer zaken voor de man te mogen verkopen of kopen en/of van en/of aan de man te mogen verkopen of verkopen,
4.19.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordelingen in randnummer 4.12. of 4.18. voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
4.20.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 100,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling. in randnummer 4.17. voldoet, tot een maximum van€ 5.000,00 is bereikt,
4.21.
veroordeelt de vrouw om aan de man een bedrag aan schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
in conventie en reconventie
4.22.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.23.
verklaart de beslissingen genoemd onder nummer 4.1. tot en met 4.22. uitvoerbaar bij voorraad,
4.24.
wijst het meer of anders gevorderde af.
2.9
[appellante] vordert in dit hoger beroep in de hoofdzaak (
200.359.387/01) het volgende (letterlijk weergegeven).
1. Het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, d.d. 2 juli 2025 (C/16/569576 / KL ZA 24-32), te vernietigen.
2. In reconventie: alle vorderingen van geïntimeerde alsnog afte wijzen.
3. Voor recht te verklaren dat de door geïntimeerde overgelegde "Leningsovereenkomst [land] " d.d. 20 april 2014 nietig is, althans buiten beschouwing blijft wegens vervalsing en het ontbreken van enige daadwerkelijke geldverstrekking, en de daarop gebaseerde gestelde terugbetalingsvordering ad € 121.129,58 af te wijzen.
4. Geïntimeerde te bevelen binnen 14 dagen na arrest volledige verificatie inzage en afschrift te verstrekken van alle [naam1] - en [naam2] -rekeningen (rekeningnummers, jaaroverzichten en mutatieoverzichten over 2014-2025), alsmede de (waarden van) levensverzekeringen/polissen en eventueel gekoppelde rekeningen, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 100.000.
5. Voor recht te verklaren dat de sieraden van Cartier, Van Cleef & Arpels, Tiffany & Co., Bulgari, Gucci en overige merksieraden eigendom zijn van appellante, en geïntimeerde te veroordelen tot afgifte binnen een door het hof te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag of gedeelte daarvan dat geïntimeerde in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen.
6. Geïntimeerde te veroordelen binnen 14 dagen na arrest aan appellante een digitale kopie te verstrekken van alle foto's waarop appellante, de kinderen en/of familieleden zichtbaar zijn, in gangbaar digitaal formaat, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag tot een maximum van € 50.000.
7. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellante van € 5.000 (geleend bedrag) en € 2.279,84 (via de creditcard van appellante gedane uitgaven), dan wel een door het hof te bepalen bedrag, telkens vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding.
8. Het vonnis te vernietigen voor zover het de inboedel van de vakantiewoning in [land] betreft, en te bepalen dat de in het beroepschrift gespecificeerde goederen aan appellante toekomen, met verplichting voor geïntimeerde de overige goederen binnen een door het hof te bepalen termijn op te halen.
9. Het vonnis te vernietigen voor zover de rechtbank deskundigenonderzoek en inzage heeft afgewezen, en te bepalen dat, indien het hof oordeelt dat de sieraden aan appellante toebehoren, een deskundige wordt benoemd met toegang tot de relevante digitale gegevens (met gebruikelijke selectie- en filtervoorwaarden) voor onderzoek naar herkomst, aankoop en waardering.
10. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de beslagkosten ad € 11.988,37, voor het geval het conservatoir (bewijs)beslag in stand blijft.
11. De veroordeling tot het informeren van handelaren, alsmede de daaraan verbonden dwangsom, te vernietigen wegens onbepaaldheid, onuitvoerbaarheid en disproportionaliteit. 12. De verwijzing naar de schadestaatprocedure inzake de beweerde schade door het niet kunnen verkopen van sieraden te vernietigen wegens het ontbreken van causaal verband en schade-aannemelijkheid.
13. Te verklaren dat appellante recht heeft op inzage ex art. 843a Rv in de volledige financiële administratie van geïntimeerde, op straffe van een dwangsom per dag.
14. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellante het achterstallig salaris en pensioen over 2013-2022 ad € 691.263,24 bruto in totaal, met gelijktijdige afgifte van loonspecificaties, en te bepalen dat - indien directe betaling niet mogelijk blijkt - verrekening plaatsvindt met het aandeel van geïntimeerde in de huisraad en/ of sieraden en/of zijn auto. 15. Ten aanzien van de Mini Cooper ( [autokenteken] ): primair te verklaren dat appellante geen bedrag wegens overbedeling of rente is verschuldigd aan geïntimeerde, subsidiair de waarde vast te stellen via onafhankelijke taxatie per peildatum, en geïntimeerde te veroordelen tot afgifte van de tweede originele sleutel, zulks binnen 1 dag na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan de man een dwangsom verbeurt van EUR 1.000 per dag, tot een maximum van EUR 15.000.
16. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellante van een bedrag ad € 10.500 aan inruil van de Fiat 500 op de Mini Cooper, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag primair vanaf 22 augustus 2018, subsidiair vanaf dagtekening va deze MvG, tot de dag der algehele voldoening.
17. Het vonnis te vernietigen voor zover het de verdeling van de inboedel betreft en te bepalen dat verdeling plaatsvindt conform de definitieve lijst van appellante (productie. F1), dan wel - indien verdeling in natura niet mogelijk is - geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de waarde van de niet-afgegeven of verloren gegane goederen, binnen 14 dagen en op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag tot een maximum van € 50.000.
18. Geïntimeerde te bevelen binnen 14 dagen volledig opgave te doen van de verblijfplaats van de gemeenschappelijke inboedel, op straffe van € 500 per dag met een maximum van € 15.000.
19. Te bepalen dat de schilderijen onderdeel uitmaken van de gemeenschappelijke inboedel, de waarde daarvan vast te stellen en deze waarde gelijkelijk tussen partijen te verdelen.
20. De veroordeling tot betaling van het CZ-eigen risico ad € 385 en rente te vernietigen, nu appellante feitelijk niet in staat was die nota te ontvangen of te betalen.
21. Te bepalen dat de [naam4] -factuur ad € 172,84 en bijkomende kosten voor rekening van geïntimeerde blijven, althans dit bedrag te matigen conform art. 6:109 BW Pro, met volledige toerekening van rente en incassokosten aan geïntimeerde.
22. Te bepalen dat geen verplichting tot doorhaling van een eventuele Preventel-registratie op appellante rust, althans een opgelegde dwangsom te matigen tot nihil.
23. Eventuele in eerste aanleg opgelegde dwangsommen te vernietigen dan wel aanzienlijk te matigen (art. 611d Rv).
24. Geïntimeerde te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, inclusief nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
25. Dat de oorspronkelijke vorderingen uit de dagvaarding (in eerste aanleg) alsnog moet worden toegewezen.
2.1
[geïntimeerde] vordert van zijn kant in de hoofdzaak (200.359.387/01) het volgende (letterlijk weergegeven).
als vermeld in hoger beroep:
1 dat de vrouw in al haar vorderingen niet ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat haar vorderingen - waaronder uitdrukkelijk begrepen de vordering tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring - dienen te worden afgewezen;
in incidenteel hoger beroep met vermeerdering van eis
verzoekt de man het gerechtshof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar voorraad het vonnis van rechtbank Lelystad van 2 juli 2025 (C/16/569576 / HL ZA 24-32) deels te vernietigen voor zover het het bepaalde betreft bij 'randnr. '4.3, 4.4, 4.6, 4.8., 4.9 en 4.10 en: 2. te bepalen dat de man eigenaar is van de Tiffany-set bestaande uit oorbellen, kort kettinkje met hanger en lange ketting met medaillon, diamantjes wit en blauw, genoemd in randnummer 35 van dat verzoekschrift;
subsidiair te bepalen dat de man eigenaar is van de Tiffany-set bestaande uit oorbellen en lange ketting met medaillon, diamantjes wit en blauw, vermeld in productie Dl MvG bij nr. 27 en 28;
3. uitsluitend in het geval uw gerechtshof oordeelt dat de vrouw eigenaar is van het kort kettinkje met hanger, de man toe te laten tot tegen bewijs en wanner hij hierin niet slaagt, de vrouw te veroordelen aan de man een vergoeding te betalen voor de aankoopsom van € 3.600,00;
4. onder vernietiging van de beslissing bij 4.3, 4.4 en 4.8 van het vonnis van 2 juli 2025: de man te veroordelen tot afgifte aan de vrouw van:
(i) de nets bontjas genoemd in randnummer 31 van het verzoekschrift van 15 december 2023, (ii) de Louis Vuitton-tas, het zilveren halssnoer en de slavenband genoemd in randnummer 32 van dat verzoekschrift,
(iii) de gouden ring met amethist en diamanten en de gouden oorbellen, zichtbaar op de tweede foto op de tweede pagina van productie 26 bij dat verzoekschrift (waar bladzijdenummer '41 'zichtbaar is) en genoemd in randnummer 37 van dat verzoekschrift,
en
de navolgende zaken die oorspronkelijk uit de navolgende vertrekken kwamen, maar met uitzondering van de vier Alessi-trommels:
Keuken (de gemeenschappelijke) kookboeken
1 wijnkoeler zilver
2 twee grote zilveren kandelaars
Glazen eetkamer Alessi schalen en accessoires in kasten en op het dressoir (RVS, oranje serie, goeden serie)
Alessi miniaturen 3x in doos
Wedgwood servies en schalen
wedgwood bestek
Alessi onderdelen
Zitkamer 1 servies thee koffie met dienblad Alessi chroom met hout
Slaapkamer 1 doos miniaturen parfum collectie
dozen muziek collectie
dozen studieboeken en persoonlijke spullen (met uitzondering van de persoonlijke boeken van de man)
3 miniaturen Alessi ingepakt in doos collectie
Garage 1 fiets 1
Bries kleine trolley hard cover
diverse dames (hand)tassen, Louis Vuitton, Gucci, Coach, Dior, Chanel
voor zover een en ander in gerechtelijke bewaring is genomen én bij de teruggave van de zaken die in gerechtelijke bewaring zijn genomen, tevoorschijn komen, alles, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en in aanwezigheid van Yards Deurwaarders, binnen veertien dagen na de datum van dit arrest;
5. vernietiging van het vonnis bij 4.9 en in plaats daarvan: veroordeling van de man om aan de vrouw € 414,00 te betalen wanneer hij niet binnen twee weken nadat hij weer de beschikking heeft over alle in bewaring gestelde zaken in het bijzijn van [naam6] de reservesleutel aan de vrouw heeft af gegeven;
6. te bepalen dat de man geen beslagkosten met rente van het eerste beslag (20 december 2023) is verschuldigd;
7. de vrouw te veroordelen binnen twee weken na het te wijzen arrest aan de man ter zake door hem betaalde kosten voor de Mini de navolgende bedragen - althans de door uw gerechtshof vast te stellen bedragen - te voldoen:
Primair subsidiair
a. voor betaalde leasetermijnen € 28.606,92 € 11.779,32
b. voor betaalde verzekeringspremie € 4.188,37 € 2.094,19
c. voor betaalde wegenbelasting€ 2.777.00 € 1.388,50
€ 35.572,29 € 15.262,01
8. veroordeling van de vrouw tot opheffing van het beslag van 24 april 2024 ten laste van de man op 'de ordner(s) met certificaten van de sieraden', binnen twee dagen na de betekening van het te wijzen arrest, althans binnen een week, althans binnen een door uw gerechtshof te bepalen termijn op verbeurte van een dwangsom van€ 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat de vrouw nalatig blijft aan het hiervoor gevorderde te voldoen, zulks tot een maximum van € 500.000,00, althans een bedrag per of gedeelte van een dag en een maximum als uw gerechtshof juist acht,
9. de vrouw te verbieden om opnieuw beslag te laten leggen onder de man op deze ordner met certificaten van de sieraden en te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet geheel of gedeeltelijk aan deze veroordelingen (onder randnr. 6 en 7) voldoet met een maximum van € 500.000,00, althans een zodanig bedrag met een zodanig maximum als uw rechtbank juist acht;
10. uitsluitend voor zover uw gerechtshof van mening is dat de verplichting van de vrouw als vermeld bij 4.18 van het vonnis van de rechtbank van 2 juli 2025 niet uitvoerbaar zou zijn: de vrouw te veroordelen om binnen vijf dagen na de datum van het arrest de navolgende handelaren schriftelijk te berichten dat het hen vrij staat om weer zaken voor de man te mogen verkopen of kopen en/of van en/of aan de man te mogen kopen of verkopen en/of dat het hen vrij staat om zaken te doen met de man:
* [naam7] ;
* [naam8] ;
* Epoque Fine Jewels;
* Tiffany New York;
* Tiffany Amsterdam;
* Tiffany Paris;
* [naam9] ;
* [naam10] ;
* [naam11] ;
* [naam12] ;
* [naam13] ;
* [naam14] ;
* en alle overige handelaren met wie de vrouw actief of passief - op welke wijze dan ook - contact heeft gehad in verband met de sieraden en/of (andere) kunst van de man; uitsluitend voorwaardelijk, voor zover uw gerechtshof oordeelt dat bepaalde 3c-sieraden, schilderijen en andere kunstobjecten/kostbaarheden gemeenschappelijk eigendom zijn van partijen, deze toe te delen aan de man
en
daarbij te bepalen dat de man geen bedrag aan de vrouw verschuldigd is door de verrekening van zijn overbedelingsschuld aan de vrouw met zijn vergoedingsrecht voor een bijdrage door de vrouw aan hem in de aanschafkosten van deze objecten, althans
subsidiair het bedrag vast te stellen dat de vrouw aan de man is verschuldigd - dan wel dient te ontvangen - na verrekening van de helft van de waarde met de helft van de aankoopsom, nadat de man in de gelegenheid is gesteld om uw gerechtshof te informeren over de koopsom en de waarde van deze objecten en onder veroordeling van de vrouw om het aan de man te betalen bedrag te voldoen;
11. een en ander bij arrest en ten aanzien van het gevorderde door de man voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
12. met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
2.11
De vorderingen en beslissingen in de beide kortgedingen (
588175/200.354.435 en 591695/200.355.926) komen hierna nog ter sprake. Kort gezegd vorderde [geïntimeerde] in het kort geding 588175/200.354.435 opheffing van de gelegde beslagen. De voorzieningenrechter heeft die vorderingen grotendeels toegewezen voor wat betreft de op 24 april en 19 oktober gelegde beslagen. In het kort geding 591695/200.355.926 vorderde [geïntimeerde] teruggave door [appellante] van de goederen waarvan het beslag was opgeheven op verbeurte van een dwangsom. Die vorderingen zijn door de voorzieningenrechter ook toegewezen. In hoger beroep komt [appellante] op tegen de beide beslissingen van de voorzieningenrechter.
2.12
Waar niet aan een zaaknummer wordt gerefereerd, wordt de hoofdzaak besproken (
569576/200.359.387/01).

3.De toelichting op de beslissingen van het hof

Inleiding
3.1
Het hof zal zich bij de verdere beoordeling en de te nemen beslissingen beperken tot een thematische behandeling van de grieven, voor zover die voldoende kenbaar zijn uit de processtukken (voor zowel het hof als de wederpartij) en kunnen leiden tot vernietiging van enige door de rechtbank of de voorzieningenrechter genomen beslissing. De wijzigingen in de in hoger beroep geformuleerde vorderingen zijn op zichzelf niet bestreden. Ze zijn ook toelaatbaar. Het hof zal hierna van die vorderingen uitgaan, met uitzondering van de vorderingen van [appellante] onder 14 (een loonvordering van bijna zeven ton) en 25 (integrale toewijzing van - ook nog - de oorspronkelijke vorderingen bij de rechtbank). Die vorderingen heeft haar advocaat ter zitting ingetrokken.
De sieraden
3.2
Ten aanzien van
de sieradenmoeten meerdere beslissingen worden genomen. Die komen hierna afzonderlijk aan de orde.
-
het conservatoir (revindicatoir) beslag van 16 oktober 2024
(de kortgedingen588175/200.354.435 en 591695/200.355.926)
3.3
[appellante] heeft op 21 juni 2024 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag op roerende zaken ingediend. Voor zover het gaat om de in het beslag genoemde sieraden, heeft dat beslag een revindicatoir karakter, omdat zij er de eigendom van pretendeert. Op 24 juni 2024 is met een hier niet relevante beperking verlof verleend tot het leggen van dit beslag. [appellante] kon dat verlof in eerste instantie bij gebrek aan politieassistentie niet uitvoeren. Op 19 augustus 2024 heeft zij daarom een aangepast verzoekschrift ingediend. Dat heeft geleid tot een op 22 augustus 2024 verleend verlof. Op 16 oktober 2024 kon het beslag alsnog worden gelegd, waarna [appellante] op 30 oktober 2024 in de bodemprocedure een akte vermeerdering van eis heeft ingediend. Ook als dat tijdig moet worden geoordeeld, zou deze vermeerdering naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet aansluiten bij de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd. Die aansluiting is wel nodig, omdat de ingestelde vordering strekt tot voldoening van die vordering door de beslagschuldenaar, opdat daarvoor een zogenoemde executoriale titel wordt verkregen. Het beslag zag namelijk op de huisraad zoals vermeld in de lijst bij de verzoekschriften van 24 juni 2024 en 19 augustus 2024 . De vermeerdering van eis zag evenwel enkel op de deurwaarderskosten en de kosten van de gerechtelijke bewaarder. Omdat geen eis in hoofdzaak is ingesteld, is het gelegde beslag op 16 oktober 2024 in de redenering van de voorzieningenrechter van rechtswege komen te vervallen. Om die reden kwam hij niet toe aan een belangenafweging.
3.4
[appellante] komt daar met succes tegenop in de zaak
588175/200.354.435. Dat wordt hierna toegelicht.
3.5
Het hof stelt vast dat op 20 december 2023 beslag is gelegd op een aantal roerende zaken, en dat vervolgens tijdig, op 10 januari 2024, een dagvaarding is betekend waarin toebedeling aan [appellante] wordt gevorderd van de inbeslaggenomen zaken waar beslagverlof voor was verleend. Tevens was in die hoofdzaak afgifte gevorderd van sieraden die ook onder dat beslagverlof vielen, maar die de deurwaarder op 20 december 2023 niet had aangetroffen. De vordering tot afgifte van deze sieraden is vervolgens gehandhaafd in de daarop volgende beslagverzoeken, waarna op grond van het verlof van 22 augustus 2024 op 16 oktober 2024 alsnog (ook) inbeslagname van de sieraden volgde. [appellante] heeft voor de afgifte daarvan dus wel tijdig - al voorafgaand aan de inbeslagneming ervan - een eis tot afgifte in hoofdzaak ingesteld. Het beslag ten aanzien van die sieraden is daarom niet van rechtswege komen te vervallen.
3.6
[geïntimeerde] heeft in dit kortgeding onvoldoende aangevoerd voor de conclusie dat het beslag onrechtmatig of onnodig is gelegd.
3.7
Bij de beoordeling van de vordering tot opheffing van het beslag op de sieraden en overige inbeslaggenomen zaken moet het hof nog wel de wederzijdse belangen van partijen afwegen. Het belang van [appellante] bij het beslag op waardevolle sieraden waarvan zij zegt eigenaar te zijn, is evident. Dat is temeer het geval omdat die eigendom ter discussie staat en deze sieraden bij een eerste beslaglegging niet werden aangetroffen. Omdat [geïntimeerde] benadrukt dat geen sprake meer was van een dreigende veiling van zijn woning ten tijde van het beslag dat op de sieraden uiteindelijk wel mogelijk was, kan zijn belang niet zijn gelegen in het voorkomen van die veiling. Ook voor het overige heeft [geïntimeerde] niets aangevoerd dat reden zou kunnen zijn tot opheffing van dit specifieke beslag in kortgeding.
3.8
Voor het overige heeft [geïntimeerde] ten tijde van de uitspraak van het hof in dit kortgeding geen belang meer bij zijn vordering, omdat (i) [geïntimeerde] naar eigen zeggen in een ingerichte woning verblijft en (ii) verdeling van de boedel inmiddels heeft plaatsgevonden. Het beslag zal in de hoofdzaak om die reden worden opgeheven.
3.9
De conclusie van het hof luidt dat de beslissing van de voorzieningenrechter niet in stand kan blijven, en dat de vordering van [geïntimeerde] tot teruggave van de inbeslaggenomen sieraden in dit kortgeding moet worden afgewezen op grond van wat daarover in deze procedure is aangevoerd. Het hof zal de proceskosten compenseren.
3.1
De procedure in de zaak
591695/200.355.926bouwt op de eerste beslissing van de voorzieningenrechter voort, en ook hier protesteert [appellante] tegen de genomen beslissing. Die luidt dat zij een dwangsom is verschuldigd indien zij nalaat te voldoen aan de veroordeling in de hiervoor behandelde zaak, voor zover die strekt tot het terugbezorgen van de beslagen zaken (het hof leest: sieraden).
3.11
Het hof komt aan een inhoudelijke beoordeling niet toe, omdat de bestreden beslissing is gebaseerd op een beslag dat naar het oordeel van het hof niet is vervallen.
-
de eigendom van de sieraden
3.12
De hiervoor besproken, beslagen sieraden vormen de kern van dit geding. In de hoofdzaak heeft dat tot de volgende discussie geleid.
3.13
Tussen partijen is ter zitting bij de rechtbank komen vast te staan dat [appellante] eigenaar is van de gouden ring met amethist en diamanten en de gouden oorbellen (randnummer 37 van het verzoekschrift van 15 december 2023, met subproductie 26). Die moet [geïntimeerde] aan haar afgeven, samen met een nerts bontjas (randnummer 31) en een Louis Vuitton-tas, een zilveren halssnoer en een slavenband (randnummer 32). [geïntimeerde] is eigenaar van een Breitling Navitimer World met zwart/donkerblauwe band en een Tissot-horloge goud (randnummer 49 van hetzelfde verzoekschrift, met subproductie 38).
3.14
Een set van Tiffany heeft de rechtbank afzonderlijk beoordeeld: oorbellen, een kort kettinkje met hanger en een lange ketting met medaillon, diamantjes wit en blauw (randnummer 35). [appellante] zou de set hebben gekregen bij de geboorte van [de minderjarige2] . De rechtbank is ervan uitgegaan dat zij ook daarvan de eigenaar is, omdat een bonnetje van die sieraden op haar naam staat.
3.15
[geïntimeerde] wijst erop dat het bonnetje waar de naam van [appellante] op staat alleen betrekking heeft op het kettinkje met hanger (€ 3.600). Volgens [geïntimeerde] heeft hij dat kettinkje afzonderlijk gekocht. Hij zou dat hebben gedaan (en niet aan [appellante] hebben gegeven) omdat het paste bij de eerder gekochte set.
3.16
Omdat de bon van deze ketting op naam van [appellante] staat en past bij de geboortedatum van [de minderjarige2] , gaat het hof uit van haar standpunt dat zij die geschonken heeft gekregen bij diens geboorte. Dat [geïntimeerde] de ketting heeft betaald, kan daaraan niet afdoen. Het standpunt dat [appellante] hiermee ongerechtvaardigd is verrijkt, kan om die reden niet worden gevolgd.
3.17
Niet is echter uitgesloten dat [geïntimeerde] ten tijde van die aankoop al in het bezit was van de oorbellen en de lange ketting met medaillon, diamantjes wit en blauw. Ten aanzien daarvan heeft [appellante] niet voldoende onderbouwd dat zij er door schenking de eigendom van heeft verkregen.
3.18
[geïntimeerde] is onder verbeurte van dwangsommen veroordeeld tot afgifte van de hiervoor besproken zaken. Hij zegt echter pas aan die veroordeling te kunnen voldoen (de set van Tiffany uitgezonderd; die wil hij niet afgeven omdat hij er de eigendom van claimt) op het moment dat hij de spullen terugkrijgt die in bewaring zijn genomen. Hij verzoekt het hof om de veroordeling tot teruggave van deze zaken aan te vullen met de voorwaarde 'voor zover een en ander in gerechtelijke bewaring is genomen én bij de teruggave van de zaken die in gerechtelijke bewaring zijn genomen, tevoorschijn komen'.
3.19
Het hof zal de veroordeling tot teruggave afwijzen omdat de sieraden en de andere goederen waarop [appellante] aanspraak kan maken, zich na de inbewaringneming op last van [appellante] niet meer in zijn macht bevinden.
3.2
Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen sieraden pretenderen beide partijen de eigendom. Uitgangspunt bij de beoordeling van dat onderdeel van de discussie is de onbestreden constatering van de rechtbank dat deze sieraden door [geïntimeerde] zijn gekocht, dat ze niet gemeenschappelijk eigendom zijn, en dat [appellante] moet bewijzen dat zij ze van [geïntimeerde] heeft gekregen. Hij bestrijdt dat laatste, omdat het zijn bedoeling zou zijn geweest er een bijzondere en waardevolle collectie mee op te bouwen (het gaat om antieke sieraden van Cartier, Van Cleef en Arpels en Tiffany), als appeltje voor de dorst of na zijn overlijden voor [appellante] . Hij onderbouwt dit verweer met het feit dat de sieraden zijn gekocht bij bekende kunsthandelaren, onder wie een bekende antiquair in Amsterdam en op de kunstbeurzen Tefaf en PAN Amsterdam. De antieke ringen uit circa 1925, 1930 en uit de 2e helft vorige eeuw zegt hij niet op de maat van [appellante] te hebben laten aanpassen.
3.21
De rechtbank volgde hem daarin. Zij constateerde weliswaar dat [appellante] enkele foto´s had overgelegd waarop zij sieraden draagt, maar heeft dat onvoldoende geoordeeld om de gestelde schenking aan te nemen. [appellante] heeft toen nog wel aangeboden nader bewijs te leveren over de gelegenheden waarop zij de sieraden heeft gekregen, maar daaraan kwam de rechtbank niet toe, omdat [appellante] niet voldoende had uitgelegd dat de sieraden van haar zijn. Daarnaast had zij inmiddels al meer dan een jaar geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om gedetailleerde verklaringen over de verkrijging van de sieraden in het geding te brengen.
3.22
[appellante] voert nu aan (i) dat het steeds om tweedehands vrouwensieraden gaat (ii) die zij ook gebruikte (vooral de verlovings- en trouwring), (iii) dat ze niet allemaal bij kunsthandelaren of antiquairs zijn gekocht, (iv) dat de ringen wel op haar maat zijn gemaakt en (v) dat de sieraden niet verzekerd waren.
3.23
Met uitzondering van punt (iv) wordt dit alles door [geïntimeerde] niet bestreden, en het is ook geenszins strijdig met zijn verweer dat het om verzamelobjecten ging. Mogelijk is een enkele ring aangepast aan de maat van [appellante] (ter zitting sprak zij niet over meerdere ringen), maar dat kan ook de gouden ring met amethist zijn waarvan zij inderdaad eigenaar is. Dat ook andere ringen op maat zijn gemaakt, is niet onderbouwd. Met het verweer van [geïntimeerde] is verder in overeenstemming dat hij [appellante] indertijd testamentair tot zijn enig erfgenaam had benoemd. Dat is onbestreden, en ondersteunt zijn bewering dat hij de sieraden aan haar heeft willen nalaten als hij als eerste zou komen te overlijden.
3.24
[appellante] heeft foto’s overgelegd die zij telkens heeft voorzien van bijschriften. Daarmee beoogt zij te onderbouwen dat de sieraden op die foto’s aan haar zijn geschonken. Het hof kan daaraan geen doorslaggevende betekenis toekennen, omdat op ieder van die foto’s door [geïntimeerde] uitgebreid is gereageerd. Dat verweer van [geïntimeerde] , dat erop neerkomt dat de sieraden bij gelegenheden wel door [appellante] gedragen werden, zonder dat ze aan haar geschonken waren, kan niet als onaannemelijk terzijde worden gesteld.
3.25
In aanvulling op de foto’s heeft [appellante] in dit hoger beroep verklaringen van derden overgelegd die op een aantal beweerdelijke schenkingen betrekking hebben. Ook dat is onvoldoende.
3.26
[appellante] heeft de eigendom gepretendeerd van de sieraden die zijn vermeld in de randnummers 15 t/m 32, 34, 35, 36, 39, 40, 46 t/m 49 van de grosse van het beslagverzoek van 15 december 2024. Over een deel van die sieraden is hiervoor al geoordeeld. Ten aanzien van de overige sieraden heeft het hof ter zitting benadrukt dat de gepretendeerde eigendom ervan per item afzonderlijk zal moeten worden beoordeeld, en dat - zonder nadere toelichting - noch de schriftelijke getuigenverklaringen noch de nadere foto’s van [appellante] met haar eigen bijschriften aan de sieraden genoemd in die randnummers kunnen worden gekoppeld. [appellante] en haar advocaat is de gelegenheid gegeven daarover duidelijkheid te verschaffen, en mede met dat doel is de zitting twee maal onderbroken. Een nadere toelichting is echter uitgebleven. Op die constatering moet de vordering van [appellante] ten aanzien van deze sieraden bij gebrek aan een afdoende (nadere) onderbouwing stranden. Daarbij is nog van belang dat [geïntimeerde] op zichzelf niet heeft ontkend verschillende sieraden aan [appellante] te hebben geschonken. Die sieraden had [appellante] naar zijn zeggen echter al meegenomen bij het verbreken van de relatie.
3.27
Het beroep op de redelijkheid en billijkheid en ongerechtvaardigde verrijking dat [appellante] in dit verband heeft gedaan en de subsidiair gevorderde schadevergoeding, moeten het (ook in hoger beroep) geheel zonder onderbouwing stellen en falen daarom.
-
het bewijsaanbod van [appellante]
3.28
[appellante] herhaalt in dit hoger beroep dat zij in eerste aanleg heeft aangeboden getuigen te horen die bij de schenkingen aanwezig waren. Voor zover daarmee is bedoeld dat aanbod te herhalen, gaat het hof eraan voorbij, omdat het gelet op wat hiervoor over de sieraden is besproken (nog steeds) onvoldoende specifiek is.
-
afgifte van de sieraden door [appellante] (de dwangsom)
3.29
De rechtbank heeft een dwangsom verbonden aan de veroordeling van [geïntimeerde] tot afgifte van de sieraden die aan [appellante] zijn toegewezen.
3.3
Het hof constateert dat deze sieraden zich niet in zijn macht bevinden, en dat hij aan die verplichting niet kan voldoen.
-
vergoeding van de door [appellante] gemaakte beslagkosten
3.31
Op grond van artikel 706 Rv Pro komen beslagkosten voor rekening van de schuldenaar indien het beslag gerechtvaardigd was. [appellante] beroept zich op die regel en vraagt vergoeding van de door haar gemaakte kosten van het beslag van 16 oktober 2024 (€ 11.988,37).
3.32
De rechtbank heeft die vordering afgewezen, omdat er volgens haar van moest worden uitgegaan dat dit beslag was komen te vervallen (zie hiervoor). Het hof zal de desbetreffende beslissing van de voorzieningenrechter vernietigen. Dat betekent dat op grond van de beoordeling in de hoofdzaak over de eigendom van de beslagen sieraden zal moet worden beslist of het beslag terecht is gelegd. Hiervoor is al vastgesteld dat dit in overwegende mate niet het geval is. Deze vordering moet daarom inderdaad worden afgewezen.
-
de verplichting van [appellante] om handelaren te informeren
3.33
Kort na het beëindigen van de affectieve relatie heeft [appellante] volgens [geïntimeerde] contact gehad met diverse kunsthandelaren om een mogelijke verkoop van de sieraden door hem te voorkomen. Daardoor zouden deze sieraden zijn 'besmet' en willen de handelaren ze niet aan- of verkopen. Ervan uitgaande dat deze sieraden voor het grootste deel eigendom van [geïntimeerde] zijn, heeft de rechtbank hierin aanleiding gezien om [appellante] op te dragen alle handelaren met wie zij hier passief of actief contact over heeft gehad te laten weten dat die sieraden niet langer besmet zijn en haar te veroordelen tot betaling van schade, op te maken in een afzonderlijke procedure (de schadestaat).
3.34
Los van het standpunt dat de sieraden haar toekomen, voert [appellante] hiertegen aan dat de veroordeling tot benadering van handelaren niet uitvoerbaar is, omdat (i) zij nooit enige verkoop heeft belemmerd, (ii) [geïntimeerde] ook nooit heeft geprobeerd sieraden te verkopen, zelfs niet in situaties van nood (hij was in 2022 al zijn BIG-registratie kwijt) en (ii) onduidelijk is op welke handelaren wordt gedoeld. [geïntimeerde] heeft namelijk geen namen, data of inhoud van contacten aangedragen.
3.35
Voor het geval dat het hof van oordeel zou zijn dat deze verplichting van [appellante] niet uitvoerbaar zou zijn, heeft [geïntimeerde] gevorderd haar te veroordelen om binnen vijf dagen na de datum van het arrest de hieronder te noemen handelaren schriftelijk te berichten dat het hun vrij staat om weer zaken voor hem te verkopen of kopen en/of van en/of aan [geïntimeerde] te kopen of verkopen en/of dat het hun vrij staat om met hem zaken te doen. Het gaat dan om [naam7] , [naam8] , Epoque Fine Jewels, Tiffany New York, Tiffany Amsterdam, Tiffany Paris, [naam9] , [naam10] , [naam11] , [naam12] en [naam13] .
3.36
Naar het oordeel van het hof volstaat zijn uitspraak in dit arrest hier: daarmee kan [geïntimeerde] zo nodig alle handelaren geruststellen over zijn bevoegdheid te handelen in de sieraden die in zijn bezit zijn.
3.37
Onvoldoende is komen vast te staan dat [appellante] zich zodanig heeft gedragen dat handel in sieraden door [geïntimeerde] feitelijk is belemmerd. Als dat al zo zou zijn, dan nog heeft hij niet de mogelijkheid aannemelijk gemaakt dat hij daardoor in de korte tijd dat dit speelde (de periode tussen de verbreking van de relatie en de beslaglegging op 16 oktober 2024) schade heeft geleden. Zijn vorderingen wijst het hof daarom niet toe.
-
de schadevordering van [geïntimeerde] op grond van op 16 oktober 2024 onrechtmatig gelegd beslag op de sieraden
3.38
Wat hiervoor over het beslag op sieraden is overwogen (het is niet vervallen), betekent nog niet dat het rechtmatig is gelegd. Zoals gezegd, is dat niet het geval als de door [appellante] gevorderde afgifte van die sieraden moet worden afgewezen. In dat geval (omdat zij de eigendom ervan niet heeft bewezen) is de beslaglegging onrechtmatig en is in beginsel ruimte voor een vordering tot vergoeding van schade die [geïntimeerde] als gevolg van het beslag heeft geleden. De rechtbank, die heeft geconcludeerd dat de beslagen sieraden aan hem toebehoren, heeft de kans dat dergelijke schade is geleden aannemelijk geacht en heeft daarom een afzonderlijke procedure gelast (de zogenaamde schadestaat) om die schade te begroten.
3.39
Het hof is echter van oordeel dat [geïntimeerde] de mogelijkheid dat hij door het beslag schade heeft geleden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Hij heeft aangevoerd dat hij door het beslag geen sieraden kon verkopen om schulden af te lossen. Daardoor moest zijn woning executoriaal worden verkocht. Die heeft daardoor minder opgebracht dan bij een onderhandse verkoop het geval zou zijn geweest. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] echter onvoldoende concreet gemaakt dat hij daadwerkelijk sieraden had willen verkopen om een executoriale verkoop van zijn woning te voorkomen. In dat verband verdient opmerking dat het beslag pas is gelegd in oktober 2024, terwijl de executoriale verkoop in mei 2025 heeft plaatsgevonden. Gelet op de lange periode die voorafgaat aan een executoriale verkoop, moet [geïntimeerde] geacht worden voldoende gelegenheid te hebben gehad om sieraden te verkopen indien hij dat daadwerkelijk had gewild. In het eerste kortgeding heeft hij bovendien benadrukt dat de veiling ten tijde van het beslag op de sieraden niet meer dreigde. Een schadevordering die erop is gebaseerd dat dat juist wel het geval was, is daarmee onverenigbaar.
De inboedel
3.4
Ook de discussie over de gemeenschappelijke inboedel valt uiteen in een aantal, hierna te bespreken onderdelen.
-
de verdeling van de inboedel
3.41
De gemeenschappelijke inboedel is verdeeld overeenkomstig de door [appellante] overgelegde productie 5 bij de dagvaarding, waarbij de geel gearceerde zaken aan haar zijn toegedeeld. [geïntimeerde] stemde daarmee in.
3.42
In dit hoger beroep voert [appellante] aan dat deze verdeling berust op een vergissing. Zij verzoekt het hof te bepalen dat [geïntimeerde] de waarde van de inboedel aan haar vergoedt voor zover die niet meer beschikbaar is.
3.43
Het hof verwerpt dat verweer. Expliciet is door de rechtbank overwogen dat [appellante] nog twee andere versies van de lijst met gemeenschappelijke zaken heeft ingediend, en dat tijdens de zitting de erkenning van [geïntimeerde] van de verdeling volgens productie 5 bij de dagvaarding ter sprake is gebracht. De rechtbank heeft toen gevraagd naar de bedoeling van de latere versies van de lijst. De advocaat van [appellante] heeft daarop geantwoord dat de verdeling volgens productie 5 kon worden aangehouden. Dat heeft de rechtbank toegewezen. Als partijen - zoals hier - het eens zijn geworden over de feitelijke verdeling van de inboedel en de financiële consequenties daarvan, dan heeft een obligatoire verdeling plaatsgevonden in de zin van artikel 3:182 BW Pro. Behoudens uitzonderlijke gevallen - waarvan nu geen sprake is - kan [appellante] daar niet op terugkomen [1] .
3.44
Een ander standpunt dat [appellante] nu inneemt, is dat de schilderijen dienden ter stoffering en afwerking van de inboedel van de woning, en om die reden deel uitmaken van de gemeenschappelijke inboedel. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - is dit onverenigbaar met artikel 6-2 van de samenlevingsovereenkomst, waarin een uitzondering is gemaakt voor verzamelingen van voorwerpen van kunst. Alleen al om die reden verwerpt het hof dit verweer.
-
in Nederland: afgifte aan [appellante] (de dwangsom)
3.45
De rechtbank heeft een dwangsom verbonden aan de veroordeling tot afgifte van Nederlandse huisraad aan [appellante] .
3.46
Het hof constateert dat de vermelde sieraden en de andere zaken zich niet in de macht van [geïntimeerde] bevinden, en dat hij daarom aan die verplichting niet kan voldoen.
-
in Nederland: het conservatoir beslag van 20 december 2023
3.47
[appellante] heeft geëist dat de zaken genoemd in de randnummers 33, 38, 41, 42, 43, 44, 45,50,51, en 52 van de grosse van het verzoekschrift van 15 december 2023 aan haar worden toegedeeld. Die vordering is grotendeels toegewezen. Uitgezonderd zijn vier Alessitrommels (45) en keukeninventaris (51).
3.48
Gelet op de hiervoor genoemde beslissingen heeft de rechtbank het beslag van 20 december 2023 opgeheven en [appellante] verboden op grond van het desbetreffende verlof opnieuw beslag te leggen.
3.49
[geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van de kosten van dit beslag (€ 3.159,63). Hij maakt daartegen bezwaar, omdat hij steeds alle persoonlijke zaken van [appellante] apart, en voor haar beschikbaar zegt te hebben gehouden. Hij citeert om dat te onderbouwen een bericht van zijn advocaat van 20 december 2023:
Uw cliënte heeft zelfs niet de moeite genomen om haar persoonlijke zaken op te halen die cliënt heeft opgeslagen en waarvan ik tijdens ons overleg nogmaals heb aangegeven dat uw cliënte kan aangeven wanneer zij deze op wil halen. Cliënt zou de deur openen en weggaan en zou terugkomen om de deur te sluiten zodra uw cliënte laat weten dat zij klaar is.
3.5
Het hof wijst de vordering van [appellante] af, omdat het inderdaad onvoldoende reden heeft om aan te nemen dat ten tijde van de beslaglegging een gerechtvaardigde vrees voor verduistering bestond die de sekwestratie van een groot deel van de inboedel kon rechtvaardigen. Voor een goed begrip: de sieraden vallen hier buiten.
- in [land] : verdeling van de inboedel van het appartement van [appellante]
3.51
De inboedel van het appartement in [land] is overeenkomstig de genoemde lijst toegedeeld aan [geïntimeerde] . De strekking van het verweer dat bepaalde zaken niet zonder meer kunnen ‘mee verdwijnen’ in een generieke toedeling, is het hof niet duidelijk geworden.
3.52
Voor de volledigheid herhaalt het hof op deze plaats dat een obligatoire verdeling heeft plaatsgevonden als partijen het - zoals hier - eens zijn geworden over de feitelijke verdeling en de financiële consequenties,.
Het appartement van [appellante] in [land] : de lening van [geïntimeerde] voor de verbouwing
3.53
[geïntimeerde] vordert aflossing van een lening van oorspronkelijk € 50.000, die met rente inmiddels is opgelopen tot € 121.129,58, en nog te vermeerderen met wettelijke rente. Deze vordering ziet op kosten die zijn gemaakt bij de verbouwing en inrichting van een appartement van [appellante] (indertijd nog eigendom van haar vader). Hij heeft dat onderbouwd met een kopie van de desbetreffende leningsovereenkomst van 20 april 2014. Daarop staan handtekeningen van beide partijen. In de overeenkomst is onder andere bepaald dat de lening opeisbaar is bij het verbreken van de relatie door [appellante] . Daarnaast onderbouwt [geïntimeerde] zijn vordering met foto's waarop de woning in aanbouw zichtbaar is, net als de geplaatste keuken en badkamer. Verder heeft hij, naast de leningsovereenkomst zelf, een gedetailleerde Excellijst ingediend van alle uitgaven die tussen februari 2007 en september 2012 door hem voor het afbouwen en inrichten zijn gedaan, en die een op een overeenkomen met de specificatie in de overeenkomst.
3.54
De rechtbank heeft deze vordering in weerwil van de betwisting door [appellante] toegewezen, omdat zij hierover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en heeft nagelaten duidelijk te maken hoe zij zelf aan het geld voor de verbouwing was gekomen. Haar verjaringsverweer is ook – op goede gronden - afgewezen. In hoger beroep wordt niets aangevoerd dat daaraan kan afdoen.
3.55
[appellante] vult haar verweer nu aan met een (handgeschreven) rapportage over het niet-authentieke karakter van haar handtekening op de overgelegde kopie (productie 6 bij haar grieven). Naar het oordeel van het hof heeft zij daarmee onvoldoende twijfel gezaaid over de echtheid van de overeenkomst. Daar doet onvoldoende aan af dat het origineel niet beschikbaar is (dat ligt volgens [geïntimeerde] in [land] ). Daar staat in het bijzonder tegenover dat de nauwkeurige specificatie van uitgaven in de overeenkomt precies overeenstemt met een pas na overlegging van de overeenkomst door [geïntimeerde] bemachtigd Excelbestand ter zake van die uitgaven.
3.56
Daar komt verder bij dat de door de rechtbank genoemde tegenstrijdigheden in de verklaringen van [appellante] niet uit de weg zijn geruimd. Zo heeft zij geen verklaring gegeven voor de onbestreden constatering dat zowel zijzelf als haar vader niet over de financiële middelen beschikte om een kostbare verbouwing te financieren. Dit, terwijl zij wel beweert dat zij beiden die verbouwing hebben betaald (Memorie van Grieven onder N). Die bewering is ook niet te verenigen met haar opmerking dat [geïntimeerde] indertijd zelf heeft besloten te investeren in de afbouw van het appartement, waar hij nadien ook talloze keren vakantie heeft gevierd (Akte uitlating van 31 juli 2024 bij rechtbank en Memorie van Grieven onder 12).
3.57
Doorslaggevend bij dit alles is de verklaring van de broer van [appellante] dat zij het geld om het appartement naar haar zin af te bouwen en vervolgens in te richten van [geïntimeerde] heeft geleend, en dat zij daar toen altijd open over is geweest, zowel naar hem als naar de rest van de familie. Ook haar broer heeft het over bescheiden eigen financiële middelen:
In die periode verliet zij( [appellante] , hof)
net school zonder die af te ronden en zoveel spaargeld kon ze nog niet hebben. Mijn vader verdiende € 900 per maand en gaf gelijk uit wat ie binnenkreeg(…). Daar is geen financieel hulp van gekomen voor het inrichten of het afwerken van de twee woningen (…).[appellante] heeft weliswaar verklaard dat de relatie met haar broer verstoord is en dat hij een goede relatie heeft met [geïntimeerde] , maar dat op zichzelf maakt nog niet voldoende aannemelijk dat hij in strijd met de waarheid zou verklaren.
3.58
Ook het beroep op de redelijkheid en billijkheid is niet onderbouwd.
Mini Cooper
3.59
De discussie over de
Mini Coopervalt uiteen in de volgende onderdelen.
-
De waardebepaling
3.6
De door [appellante] gebruikte mini Cooper is aan haar toegedeeld. Voor de waardepeildatum gaan partijen uit van 25 mei 2023. Tegen deze door de rechtbank gehanteerde waardepeildatum zijn althans geen (kenbare) grieven geformuleerd. De dagwaarde heeft de rechtbank bepaald op € 25.000. Rekening houdend met nog uitstaande leasetermijnen is de feitelijke waarde bepaald op € 13.378,16. De helft daarvan moest [appellante] naar het oordeel van de rechtbank vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 april 2024.
3.61
[appellante] beroept zich op andere taxaties dan de rechtbank en komt uit op een gemiddelde dagwaarde van € 13.750. Zij beroept zich erop dat zij de leasetermijnen betaalde en dat de betaling van termijnen en premies door [geïntimeerde] kwalificeren als huishoudelijke kosten. De inruilwaarde van haar Fiat 500 (€10.500) is indertijd niet aan haar ten goede gekomen.
3.62
Het hof stelt voorop dat de mini aan [appellante] is en blijft toegedeeld en dat voor de bepaling van het aan [geïntimeerde] daarvoor te bepalen bedrag slechts de dagwaarde op de waardepeildatum van belang is, rekening houdend met de termijnen die ten tijde van deze peildatum nog niet waren voldaan (toen de auto nog geen eigendom van partijen was). Hoe de betaling van de mini indertijd is verlopen (de inruil) is daarbij niet van belang. Overigens heeft [geïntimeerde] gemotiveerd betwist dat die inruilauto van [appellante] was. Een vordering ter zake van de waarde van de ingeruilde auto moet bij gebrek aan onderbouwing dus worden afgewezen.
3.63
Het hof stelt vast dat de door [appellante] genoemde schade is ontstaan na de waardepeildatum, zoals [geïntimeerde] onbetwist heeft gesteld. Dat betekent dat de taxaties die [appellante] heeft laten verrichten, waarbij rekening is gehouden met deze schade, niet bruikbaar zijn. Ook het hof gaat daarom uit van de waardeschatting van [geïntimeerde] , en ziet geen aanleiding om de auto opnieuw (met terugwerkende kracht) te laten taxeren. Het door de rechtbank bepaalde bedrag (€ 25.000 minus € 11.621,84 = € 13.378,16 gedeeld door 2 = € 6.689,08) kan dan ook worden gehandhaafd.
-
afgifte van een reservesleutel
3.64
[appellante] voert aan dat [geïntimeerde] de reservesleutel nog steeds niet heeft ingeleverd, zoals de rechtbank hem had opgedragen. [geïntimeerde] zegt die sleutel nog niet te zijn tegengekomen.
3.65
De rechtbank heeft een dwangsom verbonden aan de veroordeling tot afgifte van de autosleutel van [appellante] . In reactie hierop heeft [geïntimeerde] aangeboden de kosten van een nieuwe sleutel te betalen. Omdat veel ingewikkeld is tussen partijen, verzoekt hij te bepalen dat een vriend van hem bij de afgifte van de sleutel aanwezig zal zijn.
3.66
Het hof kan er niet als vaststaand vanuit gaan dat [geïntimeerde] nog over de reservesleutel beschikt. De desbetreffende vorderingen worden afgewezen.
-
door [geïntimeerde] gemaakte kosten
3.67
De rechtbank heeft geen beslissing genomen over de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van door hem betaalde kosten voor de Mini van € 35.572,29, althans € 15.262,01. Hij verzoekt deze alsnog toe te wijzen.
3.68
Naar het oordeel van het hof vallen deze uitgaven onder de kosten van de huishouding, en ontbreekt een deugdelijke grondslag voor het terugvorderen ervan. Ook het hof zal die vordering daarom niet toewijzen.
De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking van [appellante]
3.69
De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is door de rechtbank afgewezen. Daartoe had [appellante] aangevoerd dat twee leningen van derden door haar zijn afgelost (een lening van € 5.000 van een gezamenlijke kennis aan [geïntimeerde] en een creditcardschuld van € 3.028,78), maar aan [geïntimeerde] ten goede zijn gekomen. Dat [appellante] zich moreel verplicht voelde deze schulden af te lossen, maakt in haar ogen niet dat sprake was van een vrijwillige bevoordeling of schenking.
3.7
Het hof ziet net zomin als de rechtbank in waarom het onverplicht aflossen van de lening op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor rekening van [geïntimeerde] moet komen.
3.71
Voor zover het gaat om creditcarduitgaven, volgt het hof het verweer van [geïntimeerde] dat het uitgaven/schulden voor de gezamenlijke huishouding betreft (tanken, vakanties, boodschappen, kleding voor de kinderen of [appellante] ). De rechtbank is niet voorbijgegaan aan de concrete en gespecificeerde transacties.
3.72
Voor de persoonlijke lening van € 5.000 geldt dat het enkele feit dat [geïntimeerde] zich moreel verplicht heeft gevoeld die schuld af te lossen nog geen recht oplevert om dat bedrag van [geïntimeerde] terug te vorderen; voldoening aan een (gevoelde) verplichting van morele aard levert op zichzelf nog geen ongerechtvaardigde verrijking op.
Kruimelvorderingen van [appellante] (CZ en [naam4] )
Voor zover [appellante] klaagt over toegewezen vorderingen ter zake van CZ, [naam4] (€ 385 en € 202,14), schaart het hof zich achter de beoordelingen en beslissingen van de rechtbank.
De Preventelregistratie
3.73
[appellante] is op straffe van een dwangsom veroordeeld tot het verwijderen van een registratie van [geïntimeerde] bij de [naam15] . Volgens [geïntimeerde] zou die registratie zijn ontstaan omdat [appellante] facturen voor mobiele telefoons die zij in gebruik had ( [naam4] ) niet tijdig had voldaan. [appellante] voert aan dat die veroordeling niet uitvoerbaar is, omdat alleen de contracthouder of de provider dat kan.
3.74
Het hof ziet in het gevoerde debat onvoldoende grond om deze vordering (met dwangsom) toe te wijzen; geloofwaardig is dat [appellante] niet zelf in staat is om die registratie te verwijderen.
Het bewijsbeslag van 24 april 2024
(de kortgedingen588175/200.354.435 en 591695/200.355.926)
3.75
Op 22 maart 2024 heeft [appellante] een verzoekschrift tot het leggen van bewijsbeslag ingediend op digitale
bestandenop de harde schijf van de computers en in de inbox van [geïntimeerde] met informatie over de aan- en verkoop en de certificaten van de sieraden. Op 26 maart 2024 is daartoe verlof verleend. De eis in de hoofdzaak moest binnen 14 dagen na de beslaglegging worden ingesteld. Het beslag is op 24 april 2024 gelegd, dus de eis in de hoofdzaak moest uiterlijk op 8 mei 2024 worden ingesteld. Op dat moment was al wel een eis ingesteld ten aanzien van de afgifte van
ordner(s) met betrekking tot dergelijke certificaten (waartoe ook beslagverlof was verleend), maar voor afgifte van de bestanden heeft [appellante] pas op 7 juni 2024 een eis in hoofdzaak ingediend (een eisvermeerdering in de lopende procedure).
3.76
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de zaak met nummer
588175/200.354.435was dat te laat, zodat het bewijsbeslag ten aanzien van de digitale bestanden van rechtswege is komen te vervallen. Dat leidde tot de beslissing dat [appellante] de onder het bewijsbeslag vallende digitale bestanden aan [geïntimeerde] moest teruggeven.
3.77
[appellante] komt tegen die beslissing op in het hoger beroep. Haar bezwaren worden hierna besproken.
3.78
De rechtbank heeft voldoende belang bij [geïntimeerde] aanwezig geacht bij het kortgeding tot opheffing van dat beslag, omdat spoedeisend belang niet is vereist en hij de inbeslaggenomen administratie nodig heeft, onder meer om zijn belastingaangifte te kunnen doen. [appellante] bestrijdt nu dat hij die stukken daarvoor nodig heeft.
3.79
Het hof gaat daaraan voorbij, omdat het standpunt van [geïntimeerde] aannemelijk voorkomt (belang moet al snel worden aangenomen) en [appellante] haar verweer daartegen niet onderbouwt.
3.8
De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat [appellante] niet heeft voldaan aan de verplichting om uiterlijk op 8 mei 2024 een gewijzigde eis in de hoofdzaak in te stellen. Zij voert daartegen aan dat hiertoe de mogelijkheid ontbrak, mede vanwege verblijf in het buitenland van haar advocaat.
3.81
Dat zij om die reden uitstel heeft gevraagd voor het nemen van een conclusie van repliek, tevens vermeerdering van eis, waardoor de termijn niet werd gehaald, ligt daarmee naar het oordeel van het hof geheel in de risicosfeer van [appellante] zelf. Daarop strandt ook dit verweer. Dezelfde conclusie moet worden getrokken voor het argument dat zij een ‘gerechtvaardigd belang heeft bij handhaving van het bewijsbeslag’.
3.82
Een en ander betekent dat de bestreden beslissing ten aanzien van het bewijsbeslag op de digitale bestanden in stand blijft. Het hof zal de proceskosten compenseren.
3.83
De procedure in de zaak
591695/200.355.926bouwt voort op de eerste beslissing van de voorzieningenrechter, die in die beslissing een dwangsom heeft verbonden aan de verplichting tot teruggave. Ook hier is [appellante] het niet mee eens. Zij meent geen dwangsom verschuldigd te zijn als zij nalaat te voldoen aan de veroordeling in de hiervoor behandelde zaak voor zover die strekt tot het terugbezorgen van de beslagen bestanden.
3.84
Het hof verwerpt de bezwaren van [appellante] voor zover die zien op een motiveringsgebrek of de verplichting tot teruggave. Zij miskent daarbij namelijk dat zij ook gehouden is tot teruggave als zij die verplichting oneerlijk vindt, zoals zij ook miskent dat nergens uit blijkt dat een uitzondering gerechtvaardigd zou zijn op het uitgangspunt dat een dwangsom aan de veroordeling kan worden verbonden in een geval als dit, waar niet vrijwillig aan de veroordeling wordt voldaan.
3.85
Net als in eerste aanleg bij de voorzieningenrechter, kan bovendien niet worden vastgesteld dat de bewaarder een retentierecht uitoefent dat aan teruggave in de weg staat.
3.86
Tot slot het verweer dat [appellante] niet gehouden kan worden tot teruggave, omdat haar moeder en tante ten laste van [geïntimeerde] conservatoir beslag hebben gelegd op de goederen die zich onder bewaarder in de opslag bevinden: de voorzieningenrechter heeft dit verweer terecht verworpen, omdat
dezebeslaglegging er niet aan in de weg staat de door [appellante] in bewaring gegeven zaken bij [geïntimeerde] terug te laten bezorgen. In het beslag van moeder en tante (die op grond van beweerdelijk verstrekte leningen eigen vorderingen op [geïntimeerde] pretenderen) is immers niet verzocht om inbewaringneming van die zaken. Belangrijker is echter, dat dit beslag helemaal niet is gelegd op de ordners waar deze beoordeling betrekking op heeft (het ziet slechts op de in een rekest van 30 april 2025 genoemde sieraden en kunstwerken) en dat niet in geschil is dat dit beslag inmiddels is opgeheven.
3.87
De conclusie luidt dat de beslissingen ten aanzien van deze beslaglegging in stand blijven. Dat geldt ook voor de uitvoerbaarbijvoorraadverklaringen van de beslissingen. [appellante] heeft daar weliswaar bezwaren tegen naar voren gebracht, maar het hof vindt die niet steekhoudend. Wel ziet het hof aanleiding om de dwangsommen te matigen als in het dictum van dit arrest nader wordt aangegeven. Het hof zal de proceskosten compenseren.
3.88
Door de hiervoor gegeven beslissing heeft [geïntimeerde] geen belang meer bij zijn vordering tot opheffing van dit beslag, met bevel tot teruggave aan hem van de bestanden.
De vordering tot inzage in de ordners
3.89
De rechtbank heeft de vordering tot afgifte van ordners met administratie afgewezen. Het gaat daarbij deels om de hiervoor al behandelde informatie over de aan- en verkoop en de certificaten van de sieraden. De aanschafbewijzen zijn door [appellante] zelf namelijk al in het geding gebracht en uit deze aanschafbewijzen blijkt niets van een eventuele schenking van de sieraden. [appellante] heeft volgens de rechtbank ook geen belang bij de aankoopnota's en gebruiksaanwijzingen van de inboedel van de vakantiewoning in [land] , omdat partijen het erover eens zijn dat deze inboedel aan [geïntimeerde] wordt toegedeeld. Van de overige administratie in de ordners (de Visacard-afschriften van de afgelopen 10 jaar, de wachtwoorden van Visa-bankieren en telebankieren) is onvoldoende uitgelegd wat het belang daarbij is.
3.9
[appellante] meent belang te hebben bij de gevraagde inzage in ordners om aan te kunnen tonen dat zij tien jaar fulltime in de tandartspraktijk van [geïntimeerde] heeft gewerkt, maar nooit officieel op de loonlijst stond en geen loonstroken of jaaropgaven kreeg. Zij zegt nooit een regulier salaris ontvangen te hebben en berekent het door haar als schade gekarakteriseerd tekort op een totaal van € 691.263,24. Dit voert zij aan, zo begrijpt het hof, om haar stelling te onderbouwen dat zij recht heeft op ‘verrekening’, in die zin dat [geïntimeerde] een deel van de sieraden aan haar moet afstaan. Juist de vraag of zij aanspraak heeft op achterstallig salaris, maakt de gevraagde inzage in deze redenering essentieel, aldus nog steeds [appellante] .
3.91
Het hof heeft moeite [appellante] in deze redenering te volgen, ten eerste omdat het haar vrijstaat in een verzoekschriftprocedure achterstallig loon te vorderen. Het standpunt dat zij aanspraak kan maken op sieraden van [geïntimeerde] omdat geen salaris aan haar is betaald waar zij aanspraak op meent te kunnen maken, vindt ook geen steun in het recht - temeer niet omdat het in haar ogen niet [geïntimeerde] in persoon is die formeel haar werkgever was, maar de BV waarin hij de praktijk dreef. De vordering tot afgifte van de ordners wordt dus afgewezen
De vordering tot inzage in een beleggings- en levensverzekering en afgifte van digitale foto’s, de benoeming van een deskundige
3.92
[appellante] handhaaft haar vordering tot inzage in beleggings- en verzekeringspapieren en kopieën van digitale familiefoto's over de periode 2003-2023. De vordering tot inzage in de papieren verwerpt het hof op de gronden van de rechtbank. Het debat in hoger beroep geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
3.93
Terecht heeft [geïntimeerde] tegen de afgifte van foto’s aangevoerd dat de AVG niet van toepassing is op verwerking van persoonsgegevens door een natuurlijke persoon bij de uitoefening van een zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit (artikel 2 lid Pro 2.c AVG).
3.94
Uit wat is overwogen over (het vervallen zijn van) het bewijsbeslag volgt dat het hof evenmin aanleiding ziet tot benoeming van een deskundige.
3.95
Op meerdere plaatsen is nader bewijs aangeboden door het overleggen van stukken. Ook dat aanbod wordt gepasseerd, omdat niets is aangevoerd dat de conclusie kan dragen dat (en in hoeverre) daartoe de gelegenheid heeft ontbroken.
3.96 Wat partijen verder nog meer hebben aangevoerd dan hierboven is besproken, geeft geen aanleiding tot een andere beslissing.
Proceskosten in de hoofdzaak
3.97
Het hof zal de proceskosten in de hoofdzaak compenseren.
De conclusie
3.98
Het hoger beroep van beide zijden slaagt deels. Het hof bepaalt hierna dat iedere partij in alle procedures de eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (verbroken samenleving).
3.99
Alle drie de vonnissen zullen omwille van de leesbaarheid hierna geheel worden vernietigd - ook voor zover de beslissing van dit hof neerkomt op bekrachtiging.

4.De beslissing

In het kortgeding 588175/200.354.435
4.1
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 14 maart 2025,
4.2
bepaalt dat het gelegde beslag op 24 april 2024 ten aanzien van het gelegde bewijsbeslag op de digitale bestanden die zich bevinden op de harde schijf van de computer/laptops en in de inbox van [geïntimeerde] , met informatie over de aan- en verkoop en de certificaten van de sieraden van rechtswege is komen te vervallen,
4.3
bepaalt dat voor zover onder de afgegeven ordners met certificaten zich ook ordners bevinden met informatie anders dan de certificaten van de sieraden, die ordners aan [geïntimeerde] moeten worden teruggegeven, omdat daarvoor op 26 maart 2024 geen verlof is verleend,
4.4
handhaaft het bevel aan [appellante] tot het terug (laten) bezorgen van alle zaken - waaronder die in gerechtelijke bewaring zijn gegeven - van het hiervoor genoemde vervallen
beslag van 24 april 2024 en van de genoemde ordners met andere informatie dan certificaten van de sieraden, binnen een week na de betekening van
het vonnis van 2 juli 2025, door de deurwaarder die het beslag heeft gelegd en/of de aangewezen bewaarder,
4.5
verbiedt [appellante] om opnieuw beslag te laten leggen onder [geïntimeerde] op de digitale bestanden die onder de beslagen van 24 april 2024 vielen,
4.6
bepaalt dat [appellante] de kosten van betekening moet betalen als zij niet (tijdig) aan dit gebod of verbod voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Veroordeelt [appellante] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over deze kosten,
4.7
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
4.8
wijst het meer of anders gevorderde af,
4.9
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en de voorzieningenrechter en het hof.
In het kortgeding 591695/200.355.926
4.1
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 15 mei 2025,
4.11
veroordeelt [appellante] tot het betalen van een dwangsom aan [geïntimeerde] van € 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij heeft nagelaten te voldoen aan de veroordelingen in het kortgeding vonnis van 14 maart 2025 voor zover hiervoor in stand gelaten, tot een maximum van € 100.000 is bereikt,
4.12
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
4.13
wijst het meer of anders gevorderde af,
4.14
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en de voorzieningenrechter en het hof.
In de hoofdzaak 569576/200.359.387/01
4.15
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 2 juli 2025,
4.16
bepaalt dat de zaken, genoemd in de randnummers 33, 38, 41, 42, 43, 44 (met uitzondering van de persoonlijke boeken van [geïntimeerde] ), 45 (met uitzondering van de vier Alessi-trommels), 50 en 52 van de grosse het verzoekschrift van 15 december 2023, zonder verrekening worden toebedeeld aan [appellante] waarbij de gerechtelijk bewaarder [naam5] B.V. gehouden is deze zaken aan haar te overhandigen,
4.17
bepaalt dat de persoonlijke boeken van [geïntimeerde] en de genoemde vier Alessi-trommels zonder verrekening worden toebedeeld aan hem, waarbij de gerechtelijk bewaarder [naam5] B.V. gehouden is deze zaken aan [geïntimeerde] te overhandigen,
4.18
veroordeelt [geïntimeerde] tot afgifte aan [appellante] van:
(i) de nerts bontjas genoemd in randnummer 31 van het verzoekschrift van 15 december 2023,
(ii) de Louis Vuitton-tas, het zilveren halssnoer en de slavenband genoemd in randnummer 32 van dat verzoekschrift,
(iii) een kort kettinkje met hanger uit de Tiffany-set, genoemd in randnummer 35 van dat verzoekschrift,
(iv) de gouden ring met amethist en diamanten en de gouden oorbellen, zichtbaar op de tweede foto op de tweede pagina van productie 26 bij dat verzoekschrift (waar bladzijdenummer '41' zichtbaar is) en genoemd in randnummer 37 van dat verzoekschrift,
4.19
alles tegen behoorlijk bewijs van kwijting en in aanwezigheid van Yards Deurwaarders, binnen veertien dagen na de datum van dit arrest,
4.2
veroordeelt [geïntimeerde] tot afgifte aan [appellante] van de gearceerde zaken op productie 5 bij de dagvaarding, met uitzondering van de kleine Bric-trolley van zacht (nep)leer,
4.21
bepaalt dat de Mini Cooper wordt toebedeeld aan [appellante] ,
4.22
veroordeelt [geïntimeerde] om de inboedel van de vakantiewoning in [land] , zoals vermeld op de laatste twee pagina's van productie 5 bij de dagvaarding, binnen zes weken na de datum van dit arrest te laten ophalen,
4.23
heft het namens [appellante] gelegde beslag van 20 december 2023 op,
4.24
verbiedt [appellante] om met het beslagverlof van 15 december 2023 opnieuw conservatoir beslag te leggen,
4.25
veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 1.000 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000 is bereikt,
4.26
veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 6.689,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.27
veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] € 121.129,58 te betalen, jaarlijks te vermeerderen met 6% rente over het toegewezen bedrag, voor het eerst per 31 december 2024,
4.28
veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] € 385 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024,
4.29
veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] € 202,14 te betalen met alle bijkomende kosten (zoals incassokosten en in rekening gebrachte rente), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024,
4.3
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en de voorzieningenrechter en het hof,
4.31
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.32
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door M.W. Zandbergen, C. Koopman en O.E. Mulder, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
10 maart 2026.