ECLI:NL:GHARL:2026:1472

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.347.696/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:30 BWArt. 64 Deense faillissementswetArtikel 4 lid 1 Brussel I-bis VerordeningVerordening (EU) nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep curator faillisementsboedel tegen Stet Holland over onverschuldigde betaling en faillissementspauliana

De curator van de failliete eenmanszaak [naam2], gevestigd in Denemarken, vorderde terugbetaling van betalingen die Stet Holland had ontvangen, stellende dat deze betalingen onverschuldigd waren en onderdeel van een witwasconstructie. Stet Holland voerde aan dat de betalingen legitiem waren als koopprijs voor geleverde pootaardappelen aan een Syrische klant, waarbij [naam2] als tussenpersoon fungeerde vanwege bancaire restricties.

De rechtbank wees de vorderingen af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat de betalingen zonder rechtsgrond zijn verricht. De omstandigheden, waaronder Whatsapp-berichten en factuurgegevens, ondersteunen dat de betalingen namens de Syrische klant GOSM zijn gedaan.

Daarnaast faalt de vordering op grond van onrechtmatige daad omdat de curator geen schade heeft aangetoond en onvoldoende bewijs leverde dat Stet Holland op de hoogte was van witwaspraktijken. Ook de faillissementspauliana-vordering strandt omdat niet aan alle vereisten is voldaan, met name het ontbreken van wetenschap van Stet over het ontbreken van tegenprestatie.

Het hof veroordeelt de curator tot betaling van de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de curator wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.347.696/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 566975
arrest van 10 maart 2026
in de zaak van
[appellant] , in hoedanigheid van curator van de heer [naam1] , h.o.d.n. [naam2] (de Curator)
die kantoor houdt te [plaats1] , Denemarken
advocaat: mr. M.B.A. Hetterscheidt
en
Stet Holland B.V. (STET)
die is gevestigd in Emmeloord
advocaat: mr. Y.H. Talstra

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Op 11 december 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd om arrest te wijzen.
1.2
In een brief van 27 januari 2026 heeft STET nog opmerkingen gemaakt naar aanleiding van het proces-verbaal. De Curator heeft dat, van zijn kant, gedaan bij brief van 5 februari 2026. Voor zover voor de beoordeling van belang, zal op die opmerkingen worden ingegaan.

2.De kern van de zaak

2.1
STET heeft in 2021 betalingen ontvangen vanuit de eenmanszaak [naam2] . Volgens de Curator bestaat daarvoor geen (geldige) grondslag. STET ziet dat anders; door middel van die betalingen zou haar, via [naam2] , de koopprijs zijn betaald voor een legitieme levering van een partij pootaardappelen aan een klant van haar in Syrië. Dat de betaling via het in Denemarken gevestigde [naam2] liep was volgens haar enkel nodig omdat Nederlandse banken in die tijd rechtstreekse betalingen uit Syrië weigerden. De Curator heeft op grond van verschillende rechtsgronden in essentie terugbetaling van de door [naam2] betaalde bedragen gevorderd. Het hof is echter, evenals de rechtbank, van oordeel dat de Curator op de door hem gestelde gronden geen recht toekomt om van STET betaling van die bedragen te krijgen. Het hoger beroep van de Curator slaagt dus niet.
2.2
Deze beslissing licht het hof hierna toe. Daarbij gaat het hof uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet ter discussie staan.

3.De feiten die het hof in aanmerking neemt

3.1
STET handelt onder andere in pootaardappelen en levert die aan bedrijven wereldwijd, waaronder in Syrië.
3.2
De heer [naam1] dreef in Denemarken een eenmanszaak onder de naam “ [naam2] ” ( [naam2] ). In het Deense handelsregister was deze onderneming ingeschreven als timmermansbedrijf dat ook actief was in de branches “gecombineerde diensten, uitzendbureaus, pizzeria’s, grillrestaurants, ijssalons, enz.”.
3.3
De in Aleppo, Syrië, gevestigde General Organisation for Seed Multiplication (GOSM) is al sinds de jaren 90 een afnemer van pootaardappelen van STET. GOSM verkoopt de pootaardappelen die zij van STET afneemt op haar beurt in Syrië weer door aan, vooral, landbouwers.
3.4
Sinds medio 2019 weigerden alle Nederlandse banken en de meeste Europese banken betalingen uit Syrië te accepteren. Om die reden was GOSM genoodzaakt op andere wijze te voorzien in de betaling van de pootaardappelen. De import daarvan viel niet onder enige sanctieregeling.
3.5
De heer [naam3] ( [naam3] ) was voor STET de vaste contactpersoon bij haar contacten met GOSM. Hij deed dat vanuit het bedrijf [naam4] . [naam3] faciliteerde namens GOSM de betalingen. Vanaf 2019 liepen die betalingen via derde partijen.
3.6
Een door STET opgemaakte factuur van 12 november 2020 vermeldt de verkoop van een partij pootaardappelen van in totaal (bruto) 1.634.029 kilo aan GOSM, voor een bedrag van € 1.779.635.
3.7
Een zogeheten “Bill of Lading” van 18 november 2020, geeft aan dat STET op 17 november 2020 540 zakken pootaardappelen voor een (bruto) totaalgewicht van 1.634.029 kilo heeft verscheept aan GOSM te Aleppo.
3.8
Op 18 oktober 2021 heeft [naam3] aan mevrouw [naam5] , een medewerker van STET, een Whatsappbericht gestuurd dat betaling van een bedrag van € 72.000 naar STET onderweg is. Op dezelfde dag stuurde [naam3] het Whatsappbericht dat een betaling van € 58.000 aan STET werd gezonden. Op 22 oktober 2021 stuurde [naam3] aan STET het Whatsappbericht dat een betaling van € 35.600 naar STET onderweg is. Mevrouw [naam5] stuurde steeds kort (één of enkele dagen) na deze Whatsappberichten van [naam3] aan hem een Whatsappbericht dat de door [naam3] genoemde bedragen door STET waren ontvangen.
3.9
STET heeft in de periode van 20 oktober 2021 tot en met 25 oktober 2021 aldus een drietal betalingen ontvangen van [naam2] :
3.1
Bij deze drie betalingen staat steeds de volgende beschrijving vermeld: “ [betalingskenmerk] ”.
3.11
Tot het moment waarop STET deze betalingen ontving, was [naam2] voor haar onbekend.
3.12
Op 3 november 2022 heeft de rechtbank in Aalborg , Denemarken , [naam2] , als eenmanszaak van de heer [naam1] ( [naam1] ), in staat van faillissement verklaard. Daarbij is de Curator, advocaat te [plaats1] , Denemarken , als zodanig aangesteld.
3.13
Dezelfde rechtbank heeft, in een strafrechtelijke procedure, [naam1] op 9 mei 2023 tot een gevangenisstraf veroordeeld wegens, kort gezegd, witwassen van (omgerekend) ruim € 26 miljoen via de bankrekening(en) van [naam2] . In die procedure heeft [naam1] schuld bekend.
3.14
De Deense belastingautoriteit heeft bij besluit van 16 januari 2023 tegenover de heer [naam1] vastgesteld dat [naam2] betalingsfacturen had gefabriceerd om (1) te bewerkstelligen dat de (niet-bestaande) Deense klanten van [naam2] ongeoorloofde btw teruggaven konden doen en (2) de bedragen die door [naam2] werden ontvangen door te betalen naar buitenlandse bedrijven, terwijl [naam2] niet daadwerkelijk de door haar gefactureerde diensten had verricht, maar de facturen slechts zijn opgesteld om witwaspraktijken via [naam2] te verhullen. Op basis van die feiten heeft de Deense belastingautoriteit vastgesteld dat [naam1] in het kader van deze activiteiten van [naam2] in de periode tussen januari 2020 en juni 2022 in totaal DKK 40.052.159 aan btw moest terugbetalen.
3.15
De Curator heeft STET verzocht de onder 3.9 vermelde bedragen terug te betalen. Dat heeft STET niet gedaan.

4.Het geschil en de beslissing van de rechtbank

4.1
De Curator heeft bij de rechtbank Midden-Nederland gevorderd dat STET wordt veroordeeld aan de boedel van [naam2] te betalen een bedrag van DKK 1.235.539,27 althans € 165.606,52 te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, primair op grond van onverschuldigde betaling of onrechtmatige daad, subsidiair als gevolg van de gevorderde vernietiging van de betalingen op grond van de faillissementspauliana.
4.2
De rechtbank heeft de vorderingen van de Curator afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. [1] Daartoe overwoog de rechtbank:
Onverschuldigde betaling
1.2.
Op dit onderdeel is Nederlands recht van toepassing.
De Curator heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door Stet niet onderbouwd dat de
betaling zonder rechtsgrond is verricht. Stet heeft onderbouwd met stukken aangevoerd hoe
de transacties zijn uitgevoerd. De curator heeft daar niets tegenover gesteld, behalve een
gebrek aan wetenschap. Dat is onvoldoende. Het enkele feit dat door [naam2] [2] ontvangen
betalingen kennelijk niet een op een overeenkomen met de door [naam2] aan Stet betaalde
bedragen, maakt nog niet dat de [naam2] geen betalingen heeft ontvangen ten behoeve van Stet.
Onrechtmatige daad
1.3.
Op dit onderdeel is Deens recht van toepassing.
Het verwijt dat de curator Stet maakt, is dat op Stet een zorgplicht zou rusten die door Stet is
geschonden. Die zorgplicht bestaat er volgens de curator uit dat Stet had moeten zorgen
voor een ‘transaction trail’. Wat de grondslag is voor deze verplichting wordt niet gesteld,
laat staan onderbouwd. Daarnaast heeft de curator niet duidelijk kunnen maken wat de
schade is en dat deze schade, voor zover geleden, het gevolg is van het ontbreken van een
transaction trail. Bovendien neemt de curator innerlijk tegenstrijdige standpunten in over de
schade. Enerzijds neemt de curator het standpunt in dat er geen tegenprestatie is verricht,
terwijl anderzijds de curator erkent dat [naam2] substantiële betalingen heeft ontvangen.
Faillissementspauliana
1.4.
Op dit onderdeel is Deens recht van toepassing.
Voor het bestaan van paulianeuze transactie bestaan drie vereisten:
1 geen tegenprestatie
2 geen commerciële rechtvaardiging en
3 wetenschap van Stet dat [naam2] niets van waarde heeft ontvangen als tegenprestatie.
Voor zover aan de eerste twee vereisten al zou zijn voldaan, is aan het laatste vereiste niet
voldaan. De curator erkent dat de mogelijkheid bestaat dat er ook legitieme transacties over
de rekening van [naam2] zijn gegaan. Niet valt in te zien waarom de betalingen van [naam2] aan Stet
daarvan geen deel van zouden kunnen uitmaken.

5.De toelichting op de beslissing van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Dit is een zaak met internationale aspecten: de Curator is aangesteld in een Deens faillissement van de in Denemarken wonende [naam1] die tevens handelde als eenmanszaak onder de naam [naam2] , en houdt in Denemarken kantoor. Dat brengt mee dat het hof ambtshalve moet onderzoeken of het rechtsmacht heeft om over dit geschil te oordelen.
5.2
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 4 lid 1 de Pro Brussel I-bis Verordening [3] , aangezien dit geschil een burgerlijke en handelszaak betreft als bedoeld in artikel 1 lid 1 Brussel Pro I-bis, en de aangesproken partij, STET, gevestigd is in Nederland.
5.3
Voor wat betreft het toepasselijk recht geldt het volgende. In haar vonnis heeft de rechtbank in dit verband onder meer geoordeeld: (i) dat op de vordering die de Curator stelt te hebben op grond van onverschuldigde betaling, Nederlands recht van toepassing is; (ii) dat op de vordering die de Curator stoelt op onrechtmatige daad Deens recht van toepassing is; en (iii) dat op de vorderingen van de Curator die gebaseerd zijn op de faillissementspauliana Deens recht van toepassing is. Tegen deze oordelen zijn in hoger beroep geen grieven gericht. Daarom zal het hof deze beslissingen voor de beoordeling in hoger beroep tot uitgangspunt nemen.
Het standpunt van de Curator in hoger beroep
5.4
Het hoger beroep van de Curator strekt ertoe dat STET wordt veroordeeld aan hem te betalen de bedragen die [naam2] in oktober 2021 aan STET heeft overgemaakt, of dat nu is als schadevergoedingsvordering op grond van onverschuldigde betaling (grief 1) of onrechtmatige daad (grief 2), of als gevolg van de vernietiging van die betalingen op de grond dat zij paulianeus zijn verricht (grief 3).
5.5
Samengevat komt het standpunt van de Curator hierop neer. De heer [naam1] heeft zijn eenmanszaak [naam2] misbruikt voor witwasdoeleinden op grote schaal (hiermee is ruim € 26 miljoen gemoeid). Dit heeft hij bekend en hij is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld tot gevangenisstraf. Ook de Deense Fiscus is tot dat oordeel gekomen. Dit witwassen volgde steeds hetzelfde patroon: [naam2] stuurde fictieve facturen, inclusief btw [4] , aan andere Deense bedrijven. Deze facturen waren in zoverre fictief dat daaraan geen daadwerkelijke transactie voor goederen of diensten ten grondslag lag. Die andere bedrijven betaalden echter wel het factuurbedrag aan [naam2] , met gelden die (deels) van criminele herkomst waren. De gelden die [naam2] ontving betaalde zij vervolgens weer aan buitenlandse ondernemingen. Daarmee werd het ‘besmette’ geld van de onderwereld naar de bovenwereld gebracht. [naam2] is inmiddels failliet verklaard, en de aanzienlijke schuldenlast is aan de witwasconstructie toe te schrijven. Ook STET heeft, aldus nog steeds de Curator, geprofiteerd van deze handelwijze van [naam2] . Zij heeft immers betalingen van [naam2] ontvangen, zonder dat voor die betalingen een aanwijsbare verklaring is. Die verklaring is er niet gelet op het feit dat tussen STET en [naam2] nooit enige commerciële rechtsverhouding heeft bestaan. En voor de verklaring van STET, dat er tussen haar Syrische afnemer en haar Nederlandse bank geen betalingsverkeer mogelijk was en dat [naam2] daarom als tussenpersoon heeft gefungeerd door betalingen van de Syrische klant door te betalen aan STET, bestaan volgens de Curator onvoldoende aanwijzingen. Zo blijkt uit de administratie van [naam2] niet dat [naam2] bedragen heeft ontvangen die corresponderen met de naar STET uitgaande betalingen; sluit het betalingskenmerk niet aan op de factuur van STET; is het tijdverloop tussen het verschepen van de aardappelen en de betalingen bijna een jaar; en betreft de betaling door [naam2] een totaal ander bedrag dan het factuurbedrag. STET heeft zich bediend van een ongereguleerd betalingssysteem waarbij betalingen moeilijk te traceren zijn en dat daarom inherente risico’s kent op misbruik door onder andere witwassen. Het blijkt ook dat STET geen zicht heeft op de betalingsketen tussen haar Syrische klant en de laatste stap in de door haar gestelde betalingsketen: de betalingen door [naam2] aan STET. Zonder concrete aanwijzingen dat de betalingen door [naam2] aan STET op een deugdelijke rechtsgrond zijn gebaseerd houdt de Curator het er op dat deze onderdeel uitmaken van een witwasconstructie, althans in ieder geval dat een rechtsgrond voor die betalingen ontbreekt. Onder de gegeven omstandigheden had STET de betalingen niet mogen accepteren, aldus nog steeds de Curator.
5.6
Het hof zal hierna, aan de hand van de grieven van de Curator en het gemotiveerde verweer van STET, beoordelen of de vorderingen jegens STET op de door de Curator gestelde gronden kunnen worden toegewezen.
Onverschuldigde betaling (grief 1)
Rechtsgrond voor betaling
5.7
De Curator legt aan zijn vorderingen allereerst het standpunt ten grondslag dat er voor de betalingen van [naam2] aan STET geen rechtsgrond aanwezig is. STET heeft in het kader van haar verweer gesteld dat die rechtsgrond er wel is, namelijk de betaling die GOSM blijkens de factuur van 12 november 2020 aan STET verschuldigd was voor de partij pootaardappelen. [naam2] heeft de betalingen ten behoeve van GOSM gedaan. STET verwijst daarbij naar artikel 6:30 lid 1 BW Pro.
5.8
Het hof is van oordeel dat de Curator, in het licht van de uitvoerige onderbouwing door STET van haar verweer, onvoldoende heeft onderbouwd dat de betalingen door [naam2] zonder rechtsgrond hebben plaatsgevonden. Daarvoor is het volgende van belang.
5.9
Het staat tussen partijen niet ter discussie dat zich in de jaren 2020-2021 het praktische probleem voordeed dat alle Nederlandse banken en de meeste Europese banken geen betalingen vanuit Syrië accepteerden. De reden daarvoor was, aldus STET onweersproken, dat financiële sancties het voor Europese banken moeilijk en kostbaar maakten om voldoende controles uit te voeren. STET heeft verder onweersproken gesteld dat het indertijd niet alleen volstrekt legaal was om met een Syrische partij als GOSM een transactie als de verkoop van pootaardappelen aan te gaan, maar dat zij ook een verantwoordelijkheid voelde om in die periode van relatieve onrust de plaatselijke markt aldaar te blijven bevoorraden met dergelijke levensmiddelen. Deze omstandigheden brachten mee dat STET voor het aanvaarden van betaling van haar Syrische klant GOSM aangewezen was op een alternatieve manier van betalen dan via het reguliere bankverkeer.
5.1
STET heeft vervolgens haar verweer verder onderbouwd door aan te geven dat de betaling door [naam2] ook daadwerkelijk die alternatieve manier van betalen was. Zij heeft erop gewezen dat dit uit meerdere documenten en omstandigheden kan worden afgeleid.
Allereerst is er de beschrijving die is gegeven bij de betalingen van [naam2] aan STET. Die luidt bij alle drie betalingen: “ [betalingskenmerk] ”. De Curator wijst er weliswaar terecht op dat die vermelding niet correspondeert met het nummer van de factuur van 12 november 2020, maar STET heeft aangegeven dat dit bij de verwerking van de betalingen niet tot problemen leidde omdat voor STET niet het factuurnummer, maar het debiteurnummer van belang was. GOSM was namelijk een klant die jaarlijks slechts één lading pootaardappelen afnam – maar wel een zeer omvangrijke – en die aardappelen vervolgens in Syrië doorverkocht aan agrariërs die op hun beurt pas betaalden op het moment van oogsten, vele maanden later. Wanneer GOSM – druppelsgewijs – van haar Syrische afnemers betalingen ontving, betaalde zij dat weer door aan STET als afbetaling op haar factuur. Gelet op de zeer lange handelsrelatie tussen GOSM en STET en de plaatselijke praktijk (waarbij pas vanuit de opbrengst van de oogst werd betaald) was het voor STET een normale gang van zaken om, zowel veel later dan de datum van de factuur betaald te worden, als ook steeds gedeeltelijke betaling van kleinere bedragen binnen te krijgen. Omdat GOSM slechts één uitstaande factuur had, was het nummer daarvan minder belangrijk. Met deze onderbouwing heeft STET een verklaring gegeven voor de omstandigheid dat de betalingen veel later plaatsvonden dan de datum van de factuur waarop deze betrekking hadden en eveneens voor de omstandigheid dat de bedragen niet corresponderen met het factuurbedrag. STET heeft verder aangegeven dat het bij de betalingen vermelde nummer “ [nummer1] ” het debiteurnummer van GOSM is, en het hof constateert dat dit nummer ook te lezen is op de factuur van 12 november 2020. Dat dit nummer, dat correspondeert met het debiteurnummer op de factuur van 12 november 2020 voor de levering aan GOSM, vermeld wordt bij de betaling van [naam2] , laat zich moeilijk anders verklaren dan dat de betalingen door [naam2] derde betalingen waren namens GOSM aan STET. Een andere verklaring voor het feit dat [naam2] over dit debiteurennummer kon beschikken, heeft de Curator niet aangereikt.
5.11
Van belang is verder dat de betalingen steeds, onbetwist, aangekondigd werden door [naam3] en na ontvangst daarvan vanuit STET aan [naam3] werd bericht dat de betaling was ontvangen. Uit deze Whatsappberichten, waarvan de Curator de authenticiteit niet (gemotiveerd) heeft betwist, blijkt dat betalingen plaatsvonden namens GOSM, voor wie [naam3] als tussenpersoon optrad.
5.12
STET heeft naar het oordeel van het hof met het bovenstaande haar verweer ruimschoots onderbouwd dat de betalingen door [naam2] ertoe dienden om de vordering van STET op GOSM, in verband met de levering van pootaardappelen in november 2020, (gedeeltelijk) te voldoen. STET heeft op overtuigende wijze uiteengezet dat GOSM sinds 2019 wel gebruik moest maken van een omslachtige, alternatieve manier van betalen, en dat [naam2] de partij is geweest die door GOSM (in de persoon van [naam3] ) opgedragen betalingen aan STET heeft verricht onder vermelding van het debiteurnummer van GOSM bij STET.
5.13
De Curator heeft verder nog veel aandacht besteed aan de omstandigheid dat binnen de bedrijfsvoering van [naam2] op zeer grote schaal sprake is geweest van het witwassen van geldbedragen, en dat de werkwijze in dat verband nu juist grote gelijkenissen vertoont met dit geval, namelijk in die zin dat onderdeel van die witwasoperaties was dat bedragen werden betaald aan bedrijven waarmee [naam2] helemaal geen daadwerkelijke zakelijke verhoudingen onderhield. Het hof gaat aan die stellingen voorbij. Hoezeer, gelet op de strafrechtelijke veroordeling van de heer [naam1] en de uitingen van de Deense belastingautoriteit inzake [naam2] , ook moet worden aangenomen dat [naam2] zich inderdaad op grote schaal voor witwassen en btw fraude leende; dat neemt niet weg dat de Curator niet aannemelijk heeft gemaakt dat STET daarvan op de hoogte was, laat staan daarbij actief betrokken was. Integendeel, STET heeft haar verweer dat het hier ging om betalingen door een derde namens GOSM, op overtuigende wijze onderbouwd.
5.14
Het voorgaande betekent dat grief 1 faalt.
Onrechtmatige daad (grief 2)
5.15
De door de Curator gestelde vordering uit hoofde van onrechtmatige daad moet naar Deens recht worden beoordeeld (zie rov. 5.3). Een van de voorwaarden die dat recht aan een onrechtmatige daadsvordering stelt is dat de partij die schadevergoeding vordert schade moet hebben geleden.
5.16
Waar de Curator erop heeft gewezen dat niet blijkt dat [naam2] zelf ook de bedragen vanuit (uiteindelijk) Syrië heeft ontvangen die aan STET zijn betaald, gaat het hof daaraan voorbij. Ten eerste omdat, zoals hiervoor overwogen, steeds voorafgaand aan de betalingen door [naam3] aan STET werd aangekondigd dat er vanuit Syrië voor gezorgd zou worden dat in een tijdbestek van hoogstens enkele dagen de besproken bedragen aan STET zouden worden overgemaakt. Het ligt dan zeer sterk voor de hand, ook omdat de precieze bedragen daarbij steeds werden aangegeven, dat dit geld ook op de een of andere manier ter beschikking van [naam2] werd gesteld, juist zodat [naam2] die bedragen ook aan STET kon doorbetalen. Ten tweede geldt dat de Curator weliswaar heeft gesteld dat deze transacties passen in het patroon van witwassen dat op grote schaal plaatsvond bij [naam2] , maar dat ook bij het soort van witwassen waarvan volgens de Curator sprake was, sprake is van geldbedragen die eerst worden verstrekt aan een partij (zoals [naam2] ), en vervolgens pas worden doorbetaald. Ook in het witwasscenario waarvan de Curator uitgaat, is het niet zo dat een bedrijf als [naam2] dat uiteindelijk bedragen aan een niet-gelieerd bedrijf als STET (door)betaalt, dat voor eigen rekening doet, zonder daarvoor zelf al in een eerder stadium de middelen langs andere weg te hebben verkregen. De Curator heeft niet, of in ieder geval niet onderbouwd, aangegeven dat de witwasconstructie waarbij [naam2] betrokken was een werkwijze volgde waarbij een bedrijf als [naam2] , als laatste in de keten van bedrijven die gelden doorbetaalden, dat deed zonder zelf eerst die bedragen te hebben ontvangen van een ander persoon of bedrijf. Ook in zoverre heeft de Curator onvoldoende onderbouwd dat [naam2] door het doen van de betalingen schade zou hebben geleden.
5.17
Dat betekent dat de vordering van de Curator uit hoofde van onrechtmatige daad niet kan slagen en grief 2 faalt.
Faillissementspauliana (grief 3)
5.18
De Curator heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de betalingen van [naam2] kunnen worden aangemerkt als om niet verrichte vermogensoverdrachten die op grond van artikel 64 van Pro de Deense faillissementswet vernietigbaar zijn, en deze vernietigbaarheid ingeroepen.
5.19
Het hof stelt voorop dat deze vernietigingsvordering van de Curator inderdaad naar Deens recht moet worden beoordeeld (zie rov. 5.3). De maatstaf die de rechtbank heeft gehanteerd heeft de Curator niet bestreden – de Curator betoogt in hoger beroep dat de rechtbank deze maatstaf verkeerd heeft
toegepast. Ook voor het hof is daarom uitgangspunt dat de betalingen slechts aantastbaar zijn als is voldaan aan de volgende vereisten:
  • i) de betaling is de een overdracht van een goed waarvoor niets van waarde als tegenprestatie is ontvangen;
  • ii) de betaling heeft geen commerciële rechtvaardiging; en
  • iii) de ontvanger wist of had moeten weten dat de overdracht zonder tegenprestatie was (de ontvanger is te kwader trouw).
5.2
Daarbij geldt dat aan al deze vereisten moet zijn voldaan, wil het beroep op vernietiging van de Curator slagen. Het hof is echter van oordeel dat dit niet het geval is. Dat wordt hierna verder uitgewerkt.
5.21
Ten aanzien van (i): tegenprestatie. Tussen partijen bestaat er geen discussie over dat dit vereiste zo moet worden uitgelegd dat er sprake is van een tegenprestatie op het moment dat [naam2] middelen heeft ontvangen ten behoeve van de betaling die zij op haar beurt aan STET heeft gedaan. Aan die eis is dus ook voldaan als moet worden aangenomen dat [naam2] geldbedragen heeft ontvangen, maar die vervolgens weer heeft doorbetaald aan STET; het is dus niet noodzakelijk dat [naam2] iets aan deze transactie heeft ‘overgehouden’ in de vorm van commissie of iets dergelijks. Het hof gaat ook van deze uitleg uit.
5.22
Uit hetgeen hiervoor is overwogen – zie met name rov. 5.16 – volgt dat ervan uitgegaan moet worden dat [naam2] – zelfs als zou worden uitgegaan van het witwasscenario van de Curator – de betalingen niet heeft gedaan zonder eerst zelf de betreffende bedragen te hebben ontvangen. Dat leidt tot het oordeel dat [naam2] niet heeft gehandeld zonder een tegenprestatie voor de betalingen te hebben ontvangen.
5.23
Hiermee valt het doek al voor de op de Deense faillissementspauliana gebaseerde vordering van de Curator. Ten overvloede zal het hof hierna nog toetsen aan de verdere vereisten.
5.24
Ten aanzien van (ii): commerciële rechtvaardiging. De Curator voert in dit verband aan dat nergens uit blijkt wat voor (commerciële) reden – uitgerekend – [naam2] heeft gehad om de betalingen aan STET te verrichten. Volgens STET ligt die commerciële rechtvaardiging in het gegeven dat STET en GOSM een overeenkomst hadden met betrekking tot de levering pootaardappelen en dat [naam2] instrumenteel was voor GOSM om de betaling daarvoor te verrichten. Niet duidelijk is echter wat voor [naam2] de commerciële motivatie was om aan deze betaling mee te werken. STET heeft daar begrijpelijkerwijs geen verklaring voor kunnen geven. Zij raakte immers pas door de betaling op de hoogte van het bestaan van [naam2] . Voor zover de conclusie moet luiden dat aldus niet aan het vereiste van commerciële rechtvaardiging (bezien vanuit [naam2] ) is voldaan, kan dat, zoals overwogen, niet tot het slagen van de vordering van de Curator leiden.
5.25
Ten aanzien van (iii): wetenschap. GOSM heeft om de vordering van STET te voldoen volgens STET gebruik gemaakt van een keten van derdenbetalingen. Dat alternatief ging buiten het reguliere bankstelsel om, en STET tastte bovendien in het duister over welke tussenschakels en -personen allemaal bij die keten betrokken zouden worden. Wat daar ook van zij, het gaat hier om de vraag of STET wist of hoorden te weten dat [naam2] niets van waarde zou terugkrijgen voor haar betalingen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat dit niet zo was, omdat STET pas bij ontvangst van de betalingen van het bestaan van [naam2] op de hoogte raakte. Aan deze eis kan ook worden voldaan indien STET wist of had moeten weten dat de manier van betalen waarvan GOSM/ [naam3] zich zouden bedienen een inherent risico had dat een van de entiteiten in de betalingsketen zelf wel een betaling zou verrichten, zonder ook een corresponderende betaling verstrekt te krijgen. De contacten tussen STET en [naam3] , steeds kort voor de betalingen, impliceren echter dat STET er steeds vanuit is gegaan, en onder die omstandigheden ook vanuit mocht gaan, dat de betalingen die haar uiteindelijk bereikten, vanuit Syrië in gang werden gezet, en dat dus de eventuele tussenschakels geen eigen geld kwijtraakten aan deze keten van transacties. Dat dat het geval zou zijn – dus dat een meewerkende partij ‘eigen geld’ zou schenken in het kader van een dergelijke keten van derdenbetalingen – ligt ook zo weinig voor de hand, dat STET daar onder de gegeven omstandigheden niet van hoefde uit te gaan. Ook aan dit vereiste is dus niet voldaan.
5.26
De conclusie is dat niet aan alle vereisten van artikel 64 Deense Pro Fw is voldaan. Grief 3 van de Curator slaagt dus evenmin. [5]
De conclusie
5.27
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat de Curator in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof de Curator tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [6]
5.28
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 8 juli 2024;
6.2
veroordeelt de Curator tot betaling van de volgende proceskosten van STET:
€ 6.561 aan griffierecht;
€ 112,37 aan kosten van het anticipatie-exploot
€ 7.594 aan salaris van de advocaat van STET (2 procespunten x het toepasselijke tarief V van € 3.797);
totaal: € 14.267,37;
6.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.A.M. Essed, mr. M.M.A. Wind en mr. A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
10 maart 2026.

Voetnoten

1.Het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, betreft een mondeling vonnis dat is uitgesproken op 8 juli 2024. Het is op het moment van wijzen van dit arrest niet gepubliceerd. Het zaaknummer is C/16/566975 / HL ZA 23-337.
2.Voetnoot hof: met deze afkorting bedoelt de rechtbank [naam2] .
3.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.
4.In verband met dit aspect is de Deense Fiscus betrokken.
5.Hetzelfde geldt voor grief 4, die geen zelfstandige betekenis heeft.
6.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.