ECLI:NL:GHARL:2026:1461

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.356.063
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep partneralimentatie en verdeling aandelen na echtscheiding

De man en vrouw zijn in 2003 gehuwd en hebben in 2012 huwelijkse voorwaarden opgesteld. Het huwelijk is in mei 2025 ontbonden. De rechtbank had partneralimentatie vastgesteld op €3.569 bruto per maand en bepaalde de wijze van verdeling van aandelen in de onderneming van de man, alsmede de toedeling van bepaalde voertuigen.

De man kwam in hoger beroep met veertien grieven, onder meer over de partneralimentatie, waardering van de aandelen en toedeling van de Landrover. De vrouw voerde verweer en kwam incidenteel in hoger beroep met een verzoek tot verhoging van de partneralimentatie.

Het hof oordeelde dat de waardering van de aandelen door de deskundige met de discount cashflow methode passend is en dat de man de helft van de waarde aan de vrouw moet betalen. De partneralimentatie werd verhoogd naar €5.269 netto per maand, rekening houdend met de behoefte van de vrouw, haar eigen inkomsten en de draagkracht van de man. De toedeling van de Landrover aan de vrouw werd bevestigd, met een dwangsom voor de man bij niet-naleving.

Het hof wees verzoeken tot terugbetaling van teveel betaalde alimentatie af en verwierp het bewijsaanbod van de man. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof stelt de partneralimentatie vast op €5.269 netto per maand, bevestigt de waardering van de aandelen en wijst de Landrover toe aan de vrouw met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.356.063 en 200.356.064
(zaaknummers rechtbank Gelderland 435235 en 440795)
beschikking van 10 maart 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Oosterhuis-Boeve,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H.J. Scholten.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 26 maart 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 juni 2025;
  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;
  • een journaalbericht namens de vrouw van 6 november 2025 met producties 1-5;
  • een journaalbericht namens de vrouw van 10 november 2025 met productie 6;
  • een journaalbericht namens de man van 10 november 2025 met productie XI-XXVI;
  • een journaalbericht namens de vrouw van 13 november met een geactualiseerd vermogensoverzicht;
  • een journaalbericht namens de man van 17 november 2025 met productie XXVII;
  • een journaalbericht namens de vrouw van 18 november 2025 met een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat,
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn [in] 2003 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.
3.2
Partijen hebben staande het huwelijk, op 5 november 2012, huwelijkse voorwaarden opgemaakt waarbij zij nadere afspraken hebben gemaakt voor het geval het huwelijk zou eindigen door echtscheiding. Daarnaast hebben zij de omvang van de tussen partijen bestaande wettelijke gemeenschap van goederen voor de toekomst enigszins beperkt.
3.3
De man en de vrouw zijn de ouders van:
  • [kind1] , geboren [in] 2000,
  • [kind2] , geboren [in] 2002,
  • [kind3] , geboren [in] 2005.
Alle drie de kinderen zijn inmiddels meerderjarig.
3.4
Het huwelijk van partijen is op 7 mei 2025 ontbonden door inschrijving van de hierna te noemen echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • bepaald dat de man vanaf de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, dus 7 mei 2025, € 3.569,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie);
  • de navolgende wijze van verdeling van de aandelen in [naam1] B.V. gelast:
  • partijen benoemen binnen één week na de datum van de beschikking een deskundige die de aandelen bindend zal taxeren. Als partijen het niet eens worden over de keuze van een deskundige, dan moet de man binnen één week na afgifte van deze beschikking schriftelijk drie erkende deskundigen voorstellen aan de vrouw. Uit die drie deskundigen moet de vrouw binnen één week er schriftelijk één kiezen. Als de man niet drie deskundigen noemt, binnen de genoemde termijn, dan is het aan de vrouw om een deskundige te kiezen. Als omgekeerd de vrouw niet binnen de genoemde termijn een keuze uit de drie genoemde deskundigen maakt, dan is de man gerechtigd om zelf een van die deskundigen te kiezen;
  • ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;
  • na de taxatie van de aandelen heeft de man het exclusieve recht om de aandelen tegen de door de taxateur vastgestelde waarde toebedeeld te krijgen, onder vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw, waarbij de man - desgewenst - gebruik mag maken van een betalingsregeling, zoals is weergegeven in artikel 3 van Pro de huwelijkse voorwaarden. Voor zover de man de aandelen niet tegen de door de taxateur vastgestelde waarde toebedeeld wil of kan krijgen, zullen de aandelen worden verkocht aan een derde en dienen partijen de verkoopopbrengst bij helfte te verdelen;
  • bepaald dat de auto van het merk Landrover en de auto van het merk Fiat Arbath aan de vrouw worden toebedeeld en dat de motor aan de man wordt toebedeeld, onder vergoeding van € 4.950,- door de vrouw aan de man.
4.2
De man is met veertien grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, uitsluitend wat betreft de vastgestelde partneralimentatie, de overweging ten aanzien van de verdeling van de aandelen van [naam1] B.V. en de toedeling van de Landrover Defender, en:
  • het verzoek van de vrouw om partneralimentatie vast te stellen alsnog af te wijzen;
  • te bepalen dat de waarde van de aandelen van [naam1] B.V. op de peildatum moet worden vastgesteld tegen de intrinsieke waarde, rekening houdend met de latente belastingclaim;
  • aanvullende verzoeken ten aanzien van de partneralimentatie:de man verzoekt
    voorwaardelijk, indien het hof zich onvoldoende geïnformeerd acht ten aanzien van de mogelijkheid van de man onttrekkingen te doen uit zijn onderneming, rekening houdend met de wijze waarop de waarde van de aandelen tot stand is gekomen, een deskundige te benoemen die het hof op deze punten adviseert;
  • te bepalen dat de vrouw hetgeen zij sinds 7 februari 2025 te veel aan partneralimentatie heeft ontvangen aan de man dient terug te betalen en wel binnen veertien dagen na de beschikking van het hof, bij gebreke waarvan de vrouw zonder nadere aankondiging in verzuim is en wettelijke rente over hetgeen moet worden terugbetaald verschuldigd zal zijn;
  • aanvullend verzoek ten aanzien van de aandelen van [naam1] B.V., in het geval dat het hof de waarde van de aandelen van [naam1] B.V. op een andere wijze vaststelt dan op basis van de intrinsieke waarde minus de latente belastingclaim, de deskundige te vragen zich uit te laten over de financierbaarheid van de uitkoopsom die de man aan de vrouw dient te voldoen, rekening houdend met de mogelijkheid zoals genoemd in de huwelijkse voorwaarden op in termijnen te voldoen, waarbij er rente vergoed dient te worden over het openstaande bedrag;
  • aanvullend ten aanzien van de Landrover Defendereen deskundige te benoemen die de waarde van de Landrover Defender vaststelt, waarna de man veertien dagen de tijd krijgt om aan de vrouw te laten weten of hij de Landrover Defender tegen de genoemde waarde toebedeeld wenst te krijgen, onder vergoeding van de helft van die waarde aan de vrouw. Indien de man de Landrover Defender niet toebedeeld wenst te krijgen, krijgt de vrouw veertien dagen de tijd zich uit te laten of zij de auto toebedeeld wenst te krijgen, onder vergoeding van de helft van die waarde aan de man. Indien ook de vrouw de Landrover Defender niet toebedeeld wenst te krijgen, dan zal de auto worden verkocht en dient de opbrengst bij helfte te worden gedeeld.;
  • kosten rechtens.
4.3
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man in het principaal hoger beroep. Zij is met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • in het principaal hoger beroepde bestreden beschikking, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de vastgestelde partneralimentatie, te bekrachtigen; en
  • in het incidenteel hoger beroepde bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze beschikking ziet op de daarin vastgestelde partneralimentatie, en opnieuw beschikkende de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op € 27.809,- bruto per maand, dan wel op een bijdrage als het hof juist oordeelt; en
  • voorwaardelijkte bepalen dat de man de Landrover binnen drie dagen na de beschikking van het hof aan de vrouw dient af te geven in de staat waarin deze zich bevond op 25 maart 2025 op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de man niet of niet volledig aan deze veroordeling voldoet.
4.4
De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep. De man vraagt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in het incidenteel hoger beroep dan wel dit verzoek af te wijzen.
4.5
De grieven V, VIII, XI en XII in het principaal hoger beroep missen zelfstandige betekenis en zullen daarom niet afzonderlijk worden besproken.

5.De motivering van de beslissing

Waardering onderneming
5.1
De man voert in hoger beroep aan dat de rechtbank heeft verzuimd te beslissen op zijn verzoek om vast te stellen welke waarderingsgrondslag de deskundige voor zijn onderzoek moet gebruiken. Inmiddels hebben partijen de heer drs. [naam2] (verder de deskundige) benaderd als deskundige, maar zijn opdracht is nu onduidelijk. De man meent dat de aandelen van zijn onderneming moeten worden gewaardeerd op grond van de intrinsieke waarderingsmethode. Als wordt uitgegaan van een andere waarderingsmethode, dan dient te worden onderzocht of de man wel in staat is om de vastgestelde waardering aan de vrouw te voldoen zonder dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt. De man verzoekt het hof daarom aanvullend om, wanneer de deskundige de aandelen op een andere manier waardeert dan volgens de intrinsieke waarderingsmethode, de deskundige te vragen zich uit te laten over de financierbaarheid van de uitkoopsom, rekening houdend met voldoening van de uitkoopsom in termijnen.
5.2
De vrouw heeft in hoger beroep verweer gevoerd. De vrouw meent dat de rechtbank een duidelijke opdracht heeft gegeven aan de deskundige. De man kan er ook vanuit gaan dat de deskundige de meest voor de hand liggende waarderingsmethode zal hanteren. De vrouw is het wel eens met de man dat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar moet komen als de vrouw wordt uitgekocht, maar gelet op de hoge solvabiliteit van de onderneming zal dat volgens de vrouw niet snel gebeuren.
5.3
Het hof stelt voorop dat de deskundige inmiddels op 18 oktober 2025 een waarderingsrapportage heeft uitgebracht, zodat duidelijkheid bestaat over de waarde en de wijze van waardering van de onderneming van de man.
5.4
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de waarderingsmethode van de onderneming van de man overgelaten aan de door partijen aan te wijzen deskundige. In de waarderingsrapportage is te lezen dat de deskundige heeft gekozen voor een methodiek waarbij toekomstige vrije geldstromen uit de operationele activiteiten van de entiteit contant worden gemaakt tegen de gewogen gemiddelde kostenvoet van het vermogen (discount cashflow methode). Deze waarderingsmethode komt het hof niet onrechtmatig voor. Het hof benadrukt in dit kader dat de door de deskundige gehanteerde waarderingsmethode meer gebruikelijk is dan de door de man voorgestane waarderingsmethodiek. Door de man zijn tijdens de mondelinge behandeling - en eerder in zijn beroepschrift, voor het gereed zijn van het waarderingsrapport - onvoldoende steekhoudende argumenten aangevoerd die leiden tot het oordeel dat bij de beoordeling van een andere waarderingsmethodiek moet worden uitgegaan.
5.5
Het hof ziet tot slot geen aanleiding om de deskundige te vragen om zich uit te laten over de financierbaarheid van de uitkoopsom door de man. Partijen zijn in hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat de man een eventuele uitkering aan de vrouw wegens overbedeling kan spreiden in vijf jaarlijkse termijnen. Het hof is op geen enkele manier gebleken dat de continuïteit van de onderneming bij een gespreide betaling van vijf jaar in gevaar komt. Het staat partijen bovendien vrij om hierover verdere afspraken te maken.
Partneralimentatie
5.6
Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.
Behoefte vrouw
5.7
De man voert in hoger beroep aan dat de rechtbank bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw ten onrechte is uitgegaan van de hofnorm. De situatie van partijen leent zich volgens de man niet voor toepassing van de hofnorm. Daarom moet de vrouw haar behoefte volgens de man onderbouwen met een concreet behoeftelijstje. De man wijst erop dat de rechtbank bij de vaststelling van de behoefte rekening heeft gehouden met hoge incidentele dividenduitkeringen, waardoor de behoefte van de vrouw op een veel te hoog bedrag is vastgesteld. De vrouw heeft immers geen behoefte om jaarlijks nieuwe vakantiehuizen of auto’s aan te schaffen, zoals dat de laatste tijd is gebeurd met het inkomen uit die dividenduitkeringen. Bovendien was er slechts tijdelijk, gedurende een korte tijd van het huwelijk, ruimte voor de dividenduitkeringen. Dit was geen normale bedrijfsvoering. Kortom: volgens de man mag bij de berekening van de behoefte van de vrouw geen rekening worden gehouden met de dividenduitkeringen.
5.8
Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de hoogte van de behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode, om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.
5.9
De hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. Dit bedrag wordt geacht beschikbaar te zijn geweest voor partijen ongeacht of het al dan niet is gebruikt (of deels gespaard) en de hofnorm vermijdt aldus discussies over dit laatste. Uitgangspunt voor het hof is dan ook dat de hofnorm wordt toegepast, tenzij het bedrag dat aan de hand van deze vuistregel is berekend voldoende gemotiveerd is betwist.
Omdat het huishouden van een alleenstaande meer kosten met zich brengt dan dat van een samenwoner, wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde daarbij gelijkgesteld aan 60% van het netto gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk.
5.1
Het hof ziet in de door de man aangevoerde argumenten geen redenen om af te wijken van het uitgangspunt om in deze zaak de hofnorm toe te passen. De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw gebaseerd op het inkomen dat partijen genoten gedurende meerdere jaren voorafgaand aan het uiteengaan. Het geeft daarom een representatief beeld van de mate van welstand waaraan partijen gewend waren (geraakt). Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat het hier slechts een tijdelijke situatie betreft, omdat er in ieder geval vanaf 2019 dividend werd uitgekeerd en partijen sinds die tijd daarvan gebruik hebben kunnen maken. Dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen minder geld uitgeeft dan dat partijen deden tijdens het huwelijk, leidt evenmin tot een ander oordeel. De vrouw kan niet anders en heeft haar uitgavenpatroon moeten aanpassen aan de voor haar nieuwe feitelijke situatie. Met andere woorden: de vrouw heeft de ‘tering naar de nering’ moeten zetten. Dit zegt niets over de
huwelijksewelstand zoals partijen die genoten. De man stelt tot slot dat de vrouw geen behoefte heeft aan grote eenmalige uitgaven, zoals vakantiewoningen en auto’s. Het hof overweegt in dit kader dat dit weliswaar eenmalige uitgaven waren, maar dat partijen tijdens hun huwelijk deze gelden wel tot hun beschikking hadden. De uitleg van de man dat alleen de kosten van de huishouding bepalend zijn voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is te beperkt, zodat het hof hieraan voorbij gaat.
5.11
Evenals de rechtbank zal het hof de behoefte van de vrouw vaststellen aan de hand van de inkomensgegevens over 2023 nu partijen tegen dit oordeel niet hebben gegriefd.
5.12
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat het fiscaal inkomen van de vrouw in 2023 € 11.028,- bedroeg.
5.13
Tussen partijen is in hoger beroep evenmin in geschil dat de man in 2023 als DGA een fiscaal inkomen ontving van € 78.452,- op jaarbasis. Dit bedrag is inclusief de fiscale bijtelling voor de auto van de zaak van € 683,17 per maand (productie 3 bij het verweerschrift in eerste aanleg, tevens zelfstandig verzoek), maar dit bedrag had de man feitelijk maandelijks niet tot zijn beschikking en strekt daarom in mindering op het fiscaal jaarloon van de man. Bij de berekening van het NBI van de man gaat het hof daarom uit van een fiscaal loon van € 70.256,-.
5.14
De man voert aan dat bij de berekening van de behoefte van de vrouw de dividenduitkeringen buiten beschouwing moeten worden gelaten. De dividenduitkeringen hebben volgens de man plaatsgevonden tijdens een korte periode van het huwelijk, namelijk in 2023 en 2024. Deze dividenduitkeringen waren niet bedoeld voor de kosten van de huishouding, maar voor de aankoop van vakantiewoningen, auto’s en verbouwingen. Daarnaast is het dividend ook deels gebruikt voor de aflossing van de schuld in rekening-courant.
5.15
Evenals de rechtbank houdt het hof bij de berekening van de behoefte van de vrouw wel rekening met dividenduitkeringen. Evenals de rechtbank volgt het hof de man niet in zijn betoog dat sprake was van incidentele dividenduitkeringen tijdens een korte periode van het huwelijk. Uit de stukken blijkt dat in ieder geval in 2019, 2020, 2022 en 2023 dividenduitkeringen zijn gedaan. Als naar het gemiddelde van de periode over vijf jaren wordt gekeken, komt dat op € 563.936. Partijen hebben tijdens de laatste jaren van hun huwelijk - mede - van deze dividenduitkeringen geleefd en hun levensstandaard aan deze uitkeringen aangepast. Dat de dividenduitkeringen niet waren bedoeld voor de kosten van de huishouding, zoals door de man wordt betoogd, is, zoals hiervoor ook al is overwogen, een te beperkte uitleg voor het vaststellen van de behoefte van de vrouw. Gelet op het voorgaande zal het hof, bij de berekening van de behoefte van de vrouw uitgaan van een jaarlijkse dividenduitkering van € 500.000,-.
5.16
De man voert verder aan dat de kosten die hij maakt voor de kinderen van partijen in mindering strekken op de behoefte van de vrouw. De man betaalt in totaal € 870,- per maand aan de kinderen.
5.17
Het hof overweegt dat kosten voor kinderen voor wie partijen onderhoudsplichtig zijn in beginsel in mindering strekken op de behoefte van de vrouw. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt en houdt daarom rekening met € 50,- per maand aan zakgeld voor [kind3] en € 625,- per maand als bijdrage in de studentenkamer en studie van [kind2] . [kind1] was ten tijde van het uit elkaar gaan van partijen ouder dan 21 jaar. Het hof houdt daarom, net als de rechtbank, geen rekening met kosten die de man voor [kind1] maakt.
5.18
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat € 675,- per maand in mindering strekt op de behoefte van de vrouw.
5.19
Het hof heeft de hiervoor genoemde uitgangspunten opgenomen in een behoefteberekening die aan deze beschikking wordt gehecht. Uit deze behoefteberekening blijkt dat de behoefte van de vrouw in 2023 € 20.608,- netto per maand bedroeg. Na indexering bedraagt de behoefte van de vrouw in 2025 € 23.308,- netto per maand.
Behoeftigheid
5.2
Zoals al door de rechtbank is overwogen, blijkt uit de salarisspecificaties van de vrouw over januari 2025 dat de vrouw € 2.272,- bruto per maand verdient, op basis van een werkweek van 32 uur, verspreid over vijf werkdagen. De rechtbank heeft vervolgens rekening gehouden met 8% vakantietoeslag, een pensioenpremie van € 57,67 per maand, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het NBI van de vrouw heeft de rechtbank vervolgens vastgesteld op € 2.231,- per maand. De man heeft niet gegriefd tegen dit feitelijke inkomen van de vrouw, zodat het hof hier van uitgaat.
5.21
De man voert aan dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij 40 uur per week werkt. Als dat niet bij haar huidige werkgever kan, dan kan vrouw elders een dienstverband zoeken van acht uur per week.
5.22
Het hof stelt voorop dat de vrouw tijdens het huwelijk niet dan wel nauwelijks heeft gewerkt. Er was sprake van een traditioneel rollenpatroon, waarbij de man werkte en de vrouw voor het huishouden en de kinderen zorgde. Direct na het uit elkaar gaan, heeft de vrouw zich ingespannen om betaald werk te vinden. De vrouw werkt inmiddels 32 uur per week, verdeeld over vijf dagen. Dat de vrouw bij deze werkgever niet meer uren kan werken, komt het hof geloofwaardig voor. Anders dan de man is het hof van oordeel dat de vrouw haar uren niet (bij een andere werkgever) verder hoeft uit te breiden. Het hof onderschrijft in dit kader het oordeel van de rechtbank dat de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om zo veel als mogelijk te voorzien in haar eigen behoefte.
5.23
De man vindt verder dat de vrouw kan interen op haar vermogen. De man voert hiervoor aan dat de vrouw een aanzienlijk bedrag zal ontvangen uit de afwikkeling van het huwelijk, minimaal € 550.000,-. Van de vrouw mag worden verwacht dat zij dit inkomen rendabel maakt. Voor zover nog onduidelijk is over welk vermogen de vrouw zal beschikken, dient de beslissing ten aanzien van de partneralimentatie te worden aangehouden.
5.24
Evenals de rechtbank gaat het hof aan deze stelling voorbij. Partijen hebben de laatste jaren van hun huwelijk in grote welstand geleefd. Daaruit vloeit voort dat de vrouw een hoge behoefte heeft. De man zal niet volledig in deze behoefte voorzien. Het hof onderschrijft in deze situatie het oordeel van de rechtbank dat in deze concrete situatie van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij (verder) inteert op haar vermogen. Weliswaar zal de vrouw een aanzienlijk bedrag van de man ontvangen in het kader van de financiële afwikkeling van het huwelijk, maar op dit moment beschikt de vrouw nog niet over (alle) gelden. Gelet op de betalingsregeling die partijen in de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, kan dit ook nog tot vijf jaar duren. Tot slot overweegt het hof dat de vrouw deze uitkeringen nodig zal hebben om haar leven weer verder op te bouwen en een woning te kopen.
5.25
Gelet op het voorgaande bedraagt de behoefte van de vrouw in 2025 (de huwelijksgerelateerde behoefte van € 23.308,- per maand minus de eigen inkomsten van de vrouw van € 2.231,- per maand) € 21.077,- netto per maand.
Draagkracht man
5.26
De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen.
5.27
Bij de berekening van de draagkracht van de man houdt het hof rekening met een fiscaal DGA-salaris van € 78.452.- op jaarbasis. Dit bedrag wordt verminderd met de fiscale bijtelling voor de leaseauto van de man van € 683,17 per maand.
5.28
De man voert aan dat bij de berekening van zijn draagkracht geen rekening mag worden gehouden met dividenduitkeringen. Deze dividenduitkeringen zijn volgens de man incidenteel van aard geweest en vloeiden voort uit bijzondere omstandigheden. Er is binnen de onderneming van de man in de toekomst dan ook geen ruimte om uitkeringen van deze omvang te doen. Het door de rechtbank becijferde bedrag aan dividenduitkering is volgens de man absurd hoog en onverantwoordelijk. Hierdoor is het voor de man niet mogelijk om de onderneming op een gezonde wijze voort te zetten. De continuïteit van de onderneming komt zelfs in gevaar. Bovendien hangt de hoogte van de dividenduitkeringen ook af van de wijze waarop de aandelen zullen worden gewaardeerd. Het kan niet zo zijn dat bij de waardering van de onderneming én bij de vaststelling van de partneralimentatie rekening wordt gehouden met toekomstige winsten. Tot slot, zo voert de man aan, is op geen enkele manier rekening gehouden met pensioenopbouw aan de zijde van de man. De man moet in de gelegenheid worden gesteld om te sparen voor zijn pensioen.
5.29
De vrouw benadrukt dat sprake is van structurele dividenduitkeringen over meerdere jaren. De vrouw heeft altijd achter de man gestaan en haar bijdrage geleverd in het verkrijgen van het vermogen door de man. Het is onder die omstandigheden niet meer dan redelijk dat ook de vrouw kan meeprofiteren van de dividenduitkeringen. Er is volgens de vrouw bovendien geen enkele reden om aan te nemen dat de man in de toekomst geen dividenduitkeringen meer kan doen. De man onderbouwt deze stelling ook niet. De rechtbank heeft het dividendbedrag vastgesteld aan de hand van door de man zelf aangeleverde cijfers. De dividenduitkeringen zijn tot slot ook passend bij het bestedingspatroon van partijen, aldus nog steeds de vrouw.
5.3
Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de deskundige inmiddels zijn waarderingsrapportage uitgebracht, en heeft de waarde van de aandelen in de onderneming van de man gewaardeerd op € 1.336.422,-. De man zal de helft van deze waarde aan de vrouw moeten betalen. Deze uitkering aan de vrouw zal de komende vijf jaar ontegenzeggelijk invloed hebben op de financiële situatie van zowel de man als van de onderneming. Het hof is het met de man eens dat de uitkering aan de vrouw ten koste zal gaan van de dividenduitkeringen in de toekomst. Anders dan de man is het hof van oordeel dat de afgelopen jaren sprake is geweest van een structurele dividenduitkering. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat van de man in redelijkheid kan worden verwacht dat hij jaarlijks een dividenduitkering doet van € 100.000,- op jaarbasis, zonder dat de continuïteit van zijn onderneming daarmee gevaar loopt. Door de man is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van onderneming met een dividenduitkering van deze hoogte gevaar loopt. Het hof benadrukt in dit kader dat bij de berekening van de draagkracht van de man niet alleen van belang is welk inkomen de man feitelijk uit zijn onderneming haalt, maar ook welk inkomen de man in redelijkheid aan zijn onderneming kan onttrekken waarbij de continuïteit van de onderneming wordt gewaarborgd.
5.31
De man heeft (in zijn onderneming) geen pensioen opgebouwd. Hij maakt niet inzichtelijk hoeveel pensioenopbouw nodig zal zijn. Het hof kan daarmee dus geen rekening houden. Bovendien is het hof van oordeel dat de man voldoende vrije ruimte over houdt om pensioen op te bouwen.
5.32
Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening met de kosten van de man voor de kinderen. De ingangsdatum van de onderhoudsverplichting is dat datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, dus 7 mei 2025. Op die datum was [kind1] 25 jaar, [kind2] 22 jaar en [kind3] 19 jaar. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat de kinderen op die leeftijd nog steeds behoefte hebben aan een bijdrage van hun ouders.
5.33
Het voorgaande neemt niet weg dat het de man uiteraard vrij staat om vanuit zijn vrije ruimte geld aan de kinderen te geven, net zoals de vrouw dit vrijstaat.
5.34
Uit de aangehechte draagkrachtberekening, waarin de hiervoor genoemde bedragen zijn opgenomen, blijkt dat de man beschikt over een draagkracht van € 5.269,- per maand voor partneralimentatie. Het hof zal deze bijdrage dan ook vaststellen.
Benoeming deskundige
5.35
De man heeft het hof verzocht om - als het hof zich onvoldoende geïnformeerd oordeelt - verzocht een deskundige te benoemen die zich kan uitlaten over eventuele onttrekkingen aan de onderneming, rekening houdend met de waardering van de aandelen. Het hof passeert dit verzoek. Het hof heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de man, waarbij in de berekening van de draagkracht van de man rekening is gehouden met de omstandigheid dat de man een (aanzienlijk) bedrag aan de vrouw zal moeten voldoen. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om te komen tot de conclusie dat nader onderzoek noodzakelijk is. Hierbij neemt het hof nogmaals in aanmerking dat partijen in hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat de man een eventuele uitkering aan de vrouw wegens overbedeling kan spreiden in vijf jaarlijkse termijnen.
Terugbetaling
5.36
De man verzoekt het hof om te bepalen dat de vrouw de partneralimentatie die zij op basis van de nieuwe draagkrachtberekening te veel heeft ontvangen aan de man dient terug te betalen. Het hof stelt de door de man te betalen partneralimentatie vast op een hoger bedrag dan de rechtbank, zodat van terugbetaling door de vrouw geen sprake is. Het hof wijst dit verzoek daarom af.
Landrover Defender
5.37
De man voert in hoger beroep aan dat hij voor zijn gevoel onder druk heeft ingestemd met toedeling aan vrouw tegen een waarde van € 10.634,-. De man heeft veel energie in de auto gestoken en de auto is echt “zijn ding.” De man wil om die reden de auto graag behouden, maar niet tegen elke waarde. Het is volgens de man daarom redelijk als de auto wordt getaxeerd en tegen die waarde aan hem wordt toebedeeld.
5.38
Het hof overweegt dat in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg is te lezen dat de man heeft ingestemd met toedeling van de Landrover aan de vrouw tegen een waarde van € 10.634,-. Dat de man daarbij onder druk is gezet, blijkt niet uit het proces-verbaal en wordt door de vrouw ook betwist. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de man tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is bijgestaan door een advocaat. Het hof ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om de Landrover te laten taxeren en hem vervolgens aan de man toe te wijzen. Dat de man spijt heeft van zijn beslissing tijdens de mondelinge behandeling maakt dit niet anders.
5.39
Het hof ziet aanleiding om aan deze beslissing een dwangsom te verbinden. Vast staat dat de man de Landrover nog steeds onder zich houdt, terwijl hij gehouden was deze aan de vrouw af te geven. De man heeft dit tijdens de mondelinge behandeling ook erkend. Het hof ziet daarom hier aanleiding om tot oplegging van een dwangsom over te gaan. Het hof zal de man veroordelen om binnen twee weken na de datum van de beschikking tot afgifte van de Landrover aan de vrouw over te gaan, op straffe van verbeurte van een in het dictum nader te omschrijven dwangsom ten behoeve van de vrouw voor iedere dag dat de man na die datum verzuimt aan die verplichting te voldoen.
Bewijsaanbod
5.4
De man doet, tenslotte, een algemeen bewijsaanbod, meer in het bijzonder door het horen van getuigen, zoals de heer [naam3] Ra. De heer [naam3] kan volgens de man een toelichting geven op de cijfers van de onderneming van de man. Het hof overweegt dat van een partij die bewijs aanbiedt, in principe zal mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet toelicht op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft. Dat heeft de man niet gedaan zodat het hof aan dit bewijsaanbod voorbij zal gaan. Daarbij komt dat de deskundige inmiddels heeft gerapporteerd over de waardering van de onderneming van de man.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen, uitsluitend voor zover deze beschikking ziet op de partneralimentatie, en beslissen als volgt. Daarnaast zal het hof aanvullend een dwangsom verbinden aan de toedeling van de Landrover aan de vrouw.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.

7.Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de behoefte van de vrouw en van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
8.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 26 maart 2025, uitsluitend voor zover deze beschikking ziet op de daarin vastgestelde partneralimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
8.2
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 7 mei 2025 (de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 5.269,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
8.3
bepaalt aanvullend dat de auto van het merk Landrover aan de vrouw wordt toegedeeld, onder vergoeding van € 5.317,- door de vrouw aan de man. De man dient de Landrover
uiterlijk 17 maart 2026aan de vrouw af te geven. Aan de verplichting tot afgifte van de Landrover wordt een dwangsom verbonden van € 500,- per dag dat de man nalatig is om de Landrover aan de vrouw af te geven, met een maximum van € 25.000,-.
8.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.5
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
8.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.L. van der Bel en L. Hamer, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 10 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.