ECLI:NL:GHARL:2026:1456

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.358.931
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgregeling ondertoezichtstelling voor minderjarige in belang van het kind

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel stelde op verzoek van de GI een zorgregeling vast waarbij de minderjarige in even weekenden en de helft van de vakanties bij de vader verblijft. De moeder is het hier niet mee eens en ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

De vader had kortstondig een terugval in middelengebruik, maar het contact met de minderjarige is onder begeleiding van de GI weer opgebouwd. De moeder uitte zorgen over de veiligheid van het kind bij de vader en wilde geen contact, terwijl de GI en vader het contact als goed en in het belang van het kind beschouwen.

Het hof oordeelt dat er geen concrete aanwijzingen zijn die de zorgen van de moeder ondersteunen. De zorgregeling is passend bij de leeftijd van het kind en het contact verloopt goed. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kinderrechter en wijst het beroep van de moeder af, met het oog op het belang, welzijn en de veiligheid van de minderjarige.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling van de kinderrechter en wijst het beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.358.931
zaaknummer rechtbank Overijssel 334173
beschikking van 10 maart 2026
over de zorgregeling van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam] ,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.M. Elfrink,
en
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Hengelo,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de vader.

1.Samenvatting

1.1
De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op verzoek van de GI een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader vastgesteld. Samengevat komt de regeling op het volgende neer:
[de minderjarige] gaat in de even weekenden naar de vader op vrijdag van 18.30 uur tot zondag 18.30 uur en daarnaast zal [de minderjarige] de helft van de vakanties langer dan twee weken bij de vader doorbrengen. De kinderrechter heeft daarbij een concreet uitgewerkte vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld. De moeder moet [de minderjarige] naar de vader en de vader moet [de minderjarige] naar moeder (terug)brengen.
1.2.
Het hof beslist dat de door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling in stand moet blijven.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , die is geboren [in] 2019.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij de moeder.
2.4.
[de minderjarige] staat onder toezicht van de GI.
2.5.
De GI heeft op 5 december 2024 de volgende schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder over de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] :
Moeder dient per direct [de minderjarige] in de even weekenden weer naar zijn vader te laten gaan. [de minderjarige] heeft recht op een goed en leuk contact met zijn vader. Er is geen enkele zorg en reden waarom [de minderjarige] niet naar zijn vader zou kunnen.
De kinderrechter heeft deze schriftelijke aanwijzing bij beschikking van 20 februari 2025 bekrachtigd en een dwangsom aan de uitvoering van deze zorgregeling voor de moeder verbonden.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter vervolgens verzocht om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen. Dit verzoek heeft de kinderrechter toegewezen, zoals hiervoor onder 1.1. is vermeld.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de zorgregeling direct moet worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.2.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 9 juli 2025.
3.3.
De moeder heeft het hof in haar beroepschrift verzocht de tenuitvoerlegging van de beslissing van de kinderrechter voor de duur van de procedure te schorsen, zodat deze voorlopig niet hoeft te worden uitgevoerd. Dit verzoek heeft het hof eerder behandeld. Bij beschikking van 28 oktober 2025 heeft het hof dit verzoek tot schorsing afgewezen. De zorgregeling die de kinderrechter heeft vastgesteld moet dus nog steeds worden uitgevoerd.

4.De procedure in hoger beroep

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter en zij komt daarom in hoger beroep.
De moeder verzoekt het hof het verzoek van de GI alsnog af te wijzen en te bepalen dat er geen contact zal zijn tussen [de minderjarige] en de vader, dan wel dat het hof een beslissing geeft die het hof juist acht.
4.2.
De GI is het eens met de beslissing van de kinderrechter en voert daarom verweer tegen het verzoek van de moeder.
4.3.
De vader wil ook dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de GI
  • de brief van de raad van 1 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
4.5.
De zitting bij het hof was op 3 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de advocaat van de moeder
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de vader

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan voor de duur van de ondertoezichtstelling een zorgregeling vaststellen of wijzigen op verzoek van de GI, als dat noodzakelijk is in het belang van het kind (artikel 1:265g lid 1 BW).
Wat is de situatie?
5.2.
Gebleken is dat de vader na de bestreden beschikking kortstondig te maken heeft gehad met een terugval in middelengebruik. Onder regie van de GI is het contact tussen [de minderjarige] en de vader na de zomervakantie vervolgens weer op gang gebracht. Er wordt door de GI in het tempo dat [de minderjarige] aan kan opgebouwd naar de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling.
De vader heeft ter zitting toegelicht dat [de minderjarige] inmiddels weer van zaterdagmiddag tot zondagmiddag – dus met een overnachting – bij hem verblijft en dat dit goed verloopt.
De GI heeft toegelicht dat vanwege de zorgen en houding van de moeder de overdrachten en de aanvang van de omgang met de vader worden begeleid door [naam] .
De moeder
5.3.
De moeder heeft weinig vertrouwen in de vader en maakt zich veel zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] bij zijn vader. Een zorgregeling met zijn vader is volgens de moeder niet in het belang van [de minderjarige] . Daarom wil zij ook dat er helemaal geen contact zal zijn. De moeder vindt ook dat het verblijf bij de vader erg snel wordt opgebouwd. Zij voelt zich bovendien onvoldoende gehoord door de GI en ervaart veel stress vanwege de situatie.
De GI
5.4.
De ter zitting bij het hof aanwezige vertegenwoordigers van de GI lichten toe dat de GI de contacten enige tijd zelf heeft begeleid. Gezien wordt door de hulpverleners dat de moeder veel weerstand tegen de uitvoering van de zorgregeling uitstraalt wanneer [de minderjarige] bij haar wordt opgehaald voor het verblijf bij zijn vader. [de minderjarige] wil vaak aanvankelijk niet mee, maar uiteindelijk draait hij bij. De houding van moeder speelt daarbij een grote rol. Het verblijf bij de vader verloopt vervolgens goed, maar [de minderjarige] doet wel uitlatingen waaruit blijkt dat de moeder het contact met de vader niet legitimeert. De moeder heeft nog veel pijn vanuit het verleden en staat niet open voor hulpverlening om hiermee te leren omgaan, aldus de GI.
Voorlopig wordt toegewerkt naar de regeling die door de rechtbank is vastgesteld, maar de GI verwacht dat in de toekomst waarschijnlijk toegewerkt moet gaan worden naar een verblijf bij de vader vanuit school op vrijdagmiddag tot maandagmorgen naar school, omdat de overdrachtsmomenten tussen de ouders niet mogelijk zijn zonder begeleiding.
De vader
5.5.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verteld dat [de minderjarige] laat merken dat hij het naar zijn zin heeft bij hem en dat [de minderjarige] en zijn kleine babybroertje (zoon met zijn huidige partner) erg leuk op elkaar reageren.
Volgens de vader is zijn situatie na de terugval stabiel, hij volgt therapieën en werkt mee aan urinecontroles.
[de minderjarige] krijgt helaas veel mee van de problemen met de moeder die spelen rondom de uitvoering van de zorgregeling. De vader wil in de toekomst daarom ook graag toewerken naar een uitbreiding van het contact van vrijdagmiddag uit school tot maandagmorgen naar school, zodat [de minderjarige] minder last heeft van de slechte verstandhouding tussen zijn ouders.
Het hof
5.6.
Het hof stelt voorop dat het voor de ontwikkeling van kinderen belangrijk is dat zij een goed en onbelast contact kunnen hebben met beide ouders. Voor de door de moeder genoemde zorgen ten aanzien van de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader zijn geen concrete aanwijzingen. Moeder heeft die ook niet onderbouwd. Het contact met en het verblijf in het gezin van de vader zijn naar het hof begrijpt het afgelopen jaar steeds goed verlopen.
De huidige partner van de vader heeft de terugval van de vader gemeld bij de GI, [de minderjarige] heeft zelf hiermee niet rechtstreeks te maken gehad. De geleidelijke opbouw van de zorgregeling met de vader na de zomervakantie is naar het hof begrijpt opnieuw goed verlopen.
Net als de kinderrechter vindt het hof de basisregeling en ook de vakantie- en feestdagenregeling passend bij de leeftijd van [de minderjarige] .
Het hof is daarom van oordeel dat (het toewerken naar) de door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling in het belang is van [de minderjarige] . Het welzijn en de veiligheid van [de minderjarige] zijn naar het oordeel van het hof voldoende gewaarborgd.
5.7.
Voor zover de GI de zorgregeling in de toekomst verder wenst uit te breiden naar een weekend bij de vader per veertien dag van vrijdagmiddag uit school tot maandagmorgen naar school, is het hof van oordeel dat het nu nog te vroeg is om daarover een beslissing te kunnen geven.
5.8.
Het hof concludeert dat de door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling in stand dient te blijven en dat de ouders zich dienen in te spannen om deze regeling voor [de minderjarige] fijn en onbelast te laten verlopen. Het hof zal het verzoek van de moeder dus afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 9 juli 2025 over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en K.A.M. van Os-ten Have, en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.