De man en vrouw zijn ouders van een minderjarige die bij de vrouw woont. De rechtbank had de man veroordeeld tot een kinderalimentatie van €408 per maand vanaf 1 april 2025. De man ging in hoger beroep en betwistte de hoogte van zijn draagkracht en de behoefte van het kind.
Het hof oordeelt dat de behoefte van het kind moet worden gebaseerd op het jaar 2023, het jaar waarin partijen een bijdrage overeenkwamen, en niet op 2025 zoals de rechtbank deed. De man overlegt gedetailleerde jaarrekeningen en belastingaangiften waaruit blijkt dat zijn inkomen aanzienlijk lager is dan de schatting van de vrouw. Het hof volgt de man in deze inkomensvaststelling.
De draagkracht van de man wordt vastgesteld op €778 per maand, waaruit na aftrek van de kosten voor zijn twee andere minderjarige kinderen een bedrag van €438 resteert. Met een zorgkorting van 5% op de behoefte van €291 per maand, komt de vastgestelde kinderalimentatie neer op €276 per maand vanaf 1 april 2025, oplopend naar €289 per maand per 1 januari 2026 door indexering.
De bestreden beschikking wordt vernietigd voor het deel vanaf 1 april 2025 en het hof bekrachtigt de rest. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.