ECLI:NL:GHARL:2026:145

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
Wahv 200.349.970/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wahv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing kantonrechter inzake negeren inhaalverbod vrachtauto's

De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd met een boete van €280,- wegens het negeren van een inhaalverbod voor vrachtauto's op 2 mei 2023 op de A7 in Tolbert. Tegen deze beslissing van de kantonrechter werd hoger beroep ingesteld door de gemachtigde van de betrokkene, die tevens een proceskostenvergoeding vorderde.

De gemachtigde voerde aan dat de mondelinge uitspraak tijdens de zitting afweek van de schriftelijke uitspraak, met name over een vermeende vermelding van de maximumsnelheid en het gelijkheidsbeginsel. Tevens werd gesteld dat de kantonrechter tijdens de zitting niet over het volledige dossier beschikte en werd verzocht de kantonrechter als getuige te dagvaarden.

Het hof oordeelde dat het proces-verbaal de kenbron is van hetgeen ter zitting is voorgevallen en dat het Nederlandse rechtssysteem het horen van de kantonrechter als getuige over de zitting uitsluit. De vermeende verschillen tussen mondelinge en schriftelijke uitspraak werden als kennelijke verschrijvingen en vergissingen beoordeeld zonder gevolgen voor de beslissing.

Verder werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen omdat dit niet voldoende was onderbouwd. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €280,- voor het negeren van het inhaalverbod en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.349.970/01
CJIB-nummer
: 257570331
Uitspraak d.d.
: 13 januari 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordNederland van 3 oktober 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is W.A. Grünbauer, wonende te Woudenberg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “negeren van een inhaalverbod vrachtauto’s: bord F3”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 mei 2023 om 09.17 uur op de A7 in Tolbert met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de uitspraak die mondeling is gedaan verschilt van de later gestuurde schriftelijke uitspraak. In de schriftelijk uitspraak staat iets over de maximumsnelheid geschreven, terwijl tijdens de zitting het woord snelheid niet eens is gevallen. Daarnaast was de mondelinge uitspraak dat geen sprake was van rechtsongelijkheid, terwijl in de schriftelijke uitspraak is opgenomen dat de gemachtigde dit onvoldoende aannemelijk had gemaakt. Echter, nadat dit verweer is gevoerd, had het op de weg van de officier van justitie gelegen om hierover informatie te verstrekken. Daarbij komt dat om onopgehelderde redenen tijdens de zitting het dossier niet aanwezig was bij de kantonrechter. De officier van justitie en de gemachtigde werden uit de rechtszaal gezet en toen ze weer binnen werden geroepen had de kantonrechter wat oppervlakkig een summier deel van het dossier doorgenomen. Dit geeft de indruk dat de kantonrechter wat warrig te werk is gegaan. De gemachtigde verzoekt om de kantonrechter als getuige te dagvaarden om aan hem voor te leggen dat de mondelinge uitspraak niet overeenkomt met wat in de schriftelijke uitspraak staat.
3. Op grond van het bepaalde in artikel 13, derde lid, van de Wahv wordt de beslissing van de kantonrechter aangetekend in het proces-verbaal van de zitting. Het door de kantonrechter en de griffier ondertekende proces-verbaal is de kenbron van hetgeen ter zitting is voorgevallen. Voor het als getuige horen van de kantonrechter over hetgeen ter zitting is voorgevallen bestaat in het Nederlandse rechtstelsel geen ruimte. Het proces-verbaal omvat de standpunten van partijen, alsmede een zakelijke weergave van wat er op de zitting is voorgevallen. Er bestaat geen verplichting om daarin een letterlijke weergave van wat naar voren is gebracht op de zitting op te nemen. Dit kan dus betekenen dat de door de kantonrechter ter zitting gebruikte bewoordingen niet identiek zijn aan hetgeen is opgenomen in de schriftelijke vastlegging daarvan in het proces-verbaal van de zitting.
In het dossier bevindt zich het proces-verbaal van de behandeling van het beroep ter zitting van de kantonrechter. Hieruit volgt dat de kantonrechter na sluiting van het onderzoek onmiddellijk mondeling uitspraak heeft gedaan. Uit wat de gemachtigde heeft aangevoerd blijkt het hof niet dat de inhoud van de beslissing die is opgenomen in het proces-verbaal zozeer afwijkt van de beslissing zoals die op de zitting is uitgesproken dat geoordeeld moet worden dat het proces-verbaal hier niet meer als kenbron kan gelden van hetgeen ter zitting is voorgevallen.
4. De vermelding over de maximumsnelheid ziet het hof als een kennelijke verschrijving. Dit is een evidente vergissing, nu de opmerking over de maximumsnelheid geen betrekking heeft op de onderhavige gedraging of aangevoerde gronden. Het hof verbindt daar dan ook geen gevolgen aan. Dat laatste geldt ook voor de omstandigheid dat de kantonrechter tijdens de zitting geen beschikking zou hebben gehad over het (volledige) dossier. Uit het proces-verbaal blijkt dat de door de gemachtigde genoemde gronden daarin zijn opgenomen en, aan de hand van de informatie die uit het dossier volgt, gemotiveerd zijn verworpen.
5. Voor zover de gemachtigde aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat niet-Nederlandse chauffeurs een lager boetebedrag moeten betalen, overweegt het hof dat de gemachtigde dit slechts heeft gesteld maar niet heeft onderbouwd, in het bijzonder niet dat het hier gaat om verschillende behandeling bij de toepassing van de Wahv. Daarom was er voor de kantonrechter geen aanleiding om naar de juistheid hiervan onderzoek te (laten) doen.
6. Hetgeen is aangevoerd treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten zal worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.