Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.De procedure in eerste aanleg
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gescheiden en hebben afspraken gemaakt over de hoofdverblijfplaats van hun drie minderjarige kinderen en de kinderalimentatie. Na een incident op 25 augustus 2024 zijn de kinderen bij de man gaan wonen en is het contact met de vrouw verbroken. De man verzocht de hoofdverblijfplaats te wijzigen en de kinderalimentatie op nihil te stellen vanaf die datum.
De rechtbank bepaalde de hoofdverblijfplaats voorlopig bij de man en stelde de kinderalimentatie op nihil vanaf de datum van de beschikking, maar niet met terugwerkende kracht. De man ging hiertegen in hoger beroep en verzocht de nihilstelling met ingang van 25 augustus 2024 te laten gelden. De vrouw stelde zich op het standpunt dat de man niet ontvankelijk was en kwam zelf in incidenteel hoger beroep voor de hoofdverblijfplaats.
Het hof oordeelde dat de man ontvankelijk is omdat de rechtbank een eindbeslissing had gegeven over de alimentatie tot de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats. De vrouw trok haar incidenteel hoger beroep in, waardoor zij niet-ontvankelijk werd verklaard. Het hof stelde vast dat de man sinds 25 augustus 2024 de kosten van de kinderen draagt en dat de vrouw geen alimentatie hoeft terug te betalen. Daarom wijzigde het hof de ingangsdatum van de nihilstelling naar 25 augustus 2024.
Daarnaast veroordeelde het hof de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep, omdat zij de man onnodig heeft doen procederen door niet expliciet afstand te doen van de alimentatie over de periode tot de definitieve beslissing. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof stelt de ingangsdatum van de nihilstelling van de kinderalimentatie vast op 25 augustus 2024 en veroordeelt de vrouw in de proceskosten.