ECLI:NL:GHARL:2026:1405

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
Wahv 200.358.839/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet stellen zekerheid bij Wahv-sanctie

De betrokkene stelde beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat geen zekerheid was gesteld voor de betaling van een sanctie van €225,- of meer op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

De gemachtigde voerde een draagkrachtverweer aan, stellende dat de betrokkene deelnam aan een schuldsaneringstraject en niet in staat was zekerheid te stellen. Dit verweer werd echter niet met stukken onderbouwd en de betrokkene en zijn gemachtigde verschenen niet op de zitting bij de kantonrechter.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter het draagkrachtverweer terecht ongegrond heeft verklaard en de betrokkene een nieuwe termijn heeft gegeven om alsnog zekerheid te stellen. Het hof wees het beroep af en bevestigde de beslissing van de kantonrechter, waarbij ook het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet stellen van zekerheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.358.839/01
CJIB-nummer
: 257094176
Uitspraak d.d.
: 9 maart 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 18 juli 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter het draagkrachtverweer ten onrechte heeft verworpen. De gemachtigde wijst daarbij op de brief van 30 april 2025 aan de kantonrechter. Het draagkrachtverweer kan niet anders dan leiden tot de conclusie dat de betrokkene niet over voldoende draagkracht beschikt om zekerheid te kunnen stellen. De betrokkene ziet zich hierin gesteund door een aantal uitspraken van kantonrechter in andere Wahv-zaken van de betrokkene, waarin op basis van hetzelfde draagkrachtverweer keer op keer is geoordeeld dat de betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen. De betrokkene beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Niet begrijpelijk is te achten dat de ene kantonrechter hetzelfde draagkrachtverweer van de betrokkene heeft verworpen en de ander niet, terwijl de financiële situatie van de betrokkene ongewijzigd is.
3. Artikel 11 van Pro de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter bij sancties van € 225,- of meer zekerheid te stellen voor de betaling van € 225,- en de administratiekosten.
4. Artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.
5. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
6. Het hof stelt vast dat in de procedure bij de kantonrechter is aangevoerd dat de betrokkene de zekerheid niet kan voldoen. De kantonrechter heeft (de gemachtigde van) de betrokkene uitgenodigd voor een zitting als hiervoor bedoeld. De gemachtigde en de betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft het draagkrachtverweer ongegrond geacht en de betrokkene een nadere termijn gegeven om alsnog zekerheid te stellen. Niet kan worden geoordeeld dat de kantonrechter, gelet op de hem ter beschikking staande informatie, niet tot die beslissing heeft kunnen komen. De gemachtigde heeft in de brief van 30 april 2025 aangevoerd dat de betrokkene deelneemt aan een schuldsaneringstraject en vanuit deze regeling een bedrag van € 100,- per week aan leefgeld ontvangt en zelf geen beschikking heeft over enige (andere) inkomsten of gelden, maar stukken waarmee dit wordt onderbouwd bevinden zich niet in het dossier. Dat andere kantonrechters in andere Wahv-zaken van de betrokkene de zekerheid wel op nihil hebben gesteld, brengt niet mee dat de kantonrechter dit in deze zaak ook had moeten doen. De kantonrechter is namelijk niet gebonden aan de beslissing van een andere (kanton)rechter. Het is vaste rechtspraak van dit hof dat van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene slechts sprake is indien zonder geldige reden ten nadele van de betrokkene wordt afgeweken van met betrekking tot zaken als deze geldende beleid. Daarvan is hier niet gebleken.
7. De kantonrechter heeft gehandeld overeenkomstig wat onder 5. is overwogen. De kantonrechter heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.