ECLI:NL:GHARL:2026:1391

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
21-002474-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens ongeldige volmacht

Verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van dit hoger beroep en concludeerde dat de schriftelijke volmacht, verstrekt door de vorige raadsman, niet voldeed aan de vereisten. Zo ontbrak onder meer een adres voor toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep.

Volgens het recente arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:156) leidt het ontbreken van een correcte volmacht in beginsel tot niet-ontvankelijkheid, tenzij verdachte of een gemachtigde raadsman ter zitting verschijnt en bevestigt dat het hoger beroep gewenst is, of indien de oproeping persoonlijk is uitgereikt. Geen van deze uitzonderingen was hier van toepassing.

Daarom verklaarde het hof verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit arrest werd gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens een niet-conforme schriftelijke volmacht.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002474-25
Uitspraakdatum: 20 februari 2026
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 4 april 2025 met parketnummer 18-135574-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-
Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 20 februari 2026 bij het hof is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof overweegt als volgt ten aanzien van de ontvankelijkheid van verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep.
De vorige raadsman van verdachte, mr. T. Bruinsma, heeft de griffie van de rechtbank Noord-Nederland via een e-mailbericht gemachtigd tot het instellen van dit hoger beroep.
Het hof is, onder verwijzing naar het recente arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2026 [1] , van oordeel dat voornoemde schriftelijke volmacht niet aan de daaraan te stellen voorwaarden voldoet. Zo bevatte de volmacht geen adres dat door verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep.
In een dergelijk geval is het in de regel zo dat, uitzonderingen daargelaten, verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep. De genoemde uitzonderingen omvatten de gevallen dat verdachte dan wel een gemachtigde raadsman ter zitting in hoger beroep verschijnt en aangeeft dat het inderdaad zijn wens is (geweest) om hoger beroep in te stellen, of in het geval de (nadere) oproeping voor de zitting in hoger beroep in persoon is uitgereikt. Van deze situaties is in onderhavige zaak geen sprake. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. L.T. Wemes en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 februari 2026.

Voetnoten

1.ECLI:NL:Hoge Raad:2026:156, in het bijzonder rechtsoverweging 2.3.1 tot en met 2.3.3.