Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het bezit van een revolver van het merk Arminius, model HW38, kaliber .38 Special, en zes scherpe patronen van categorie III. Het hof achtte bewezen dat verdachte op 16 februari 2025 in Nederland, al dan niet samen met anderen, deze wapens en munitie voorhanden had.
De politierechter had verdachte reeds veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof vernietigde dit vonnis om redenen van doelmatigheid en deed opnieuw recht, waarbij het dezelfde straf oplegde.
Het bewijs bestond uit verklaringen van verdachte zelf, die aanvankelijk het bezit van het vuurwapen bekende, en het proces-verbaal waarin het wapen en de munitie werden aangetroffen. Verdachte ontkende later, maar verscheen niet bij het hof om dit toe te lichten, waardoor het hof zijn eerdere bekentenissen aanhield.
Het hof hield rekening met het strafblad van verdachte, een reclasseringsrapport dat delictgerelateerde factoren zoals impulsiviteit en middelengebruik vermeldde, en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden legde het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op.
Daarnaast werd de in beslag genomen munitie, waaronder een gaspatroon, onttrokken aan het verkeer vanwege het algemeen belang en de wet. Het arrest werd uitgesproken op 20 februari 2026 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.