ECLI:NL:GHARL:2026:1346

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
200.357.611
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:435 lid 3 BWArt. 1:435 lid 4 BWArt. 1:452 lid 3 BWArt. 1:452 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging benoeming onafhankelijke bewindvoerder en mentor ondanks voorkeur levenspartner

In deze civiele zaak stond de vraag centraal wie als bewindvoerder en mentor voor [belanghebbende1], een persoon met dementie en een ZZP-5 indicatie, benoemd moest worden. De kantonrechter had een onafhankelijke bewindvoerder en mentor benoemd, maar de levenspartner van [belanghebbende1], [verzoekster], ging hiertegen in hoger beroep en verzocht zelf benoemd te worden.

Het hof overwoog dat hoewel de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene normaal gesproken leidend is, en ook de wettelijke voorkeur uitgaat naar een levenspartner, in dit geval gegronde redenen bestonden om hiervan af te wijken. [Verzoekster] heeft onvoldoende inzicht in het ziektebeeld van [belanghebbende1], kan niet adequaat samenwerken met de zorginstelling en handelt niet in het belang van [belanghebbende1]. Dit leidde zelfs tot een bezoekverbod.

Het hof concludeerde dat [verzoekster] niet geschikt is om de belangen van [belanghebbende1] te behartigen en bevestigde daarom de benoeming van de onafhankelijke bewindvoerder en mentor. De proceskostenveroordeling werd afgewezen en partijen dragen hun eigen kosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de benoeming van een onafhankelijke bewindvoerder en mentor en wijst het hoger beroep van de levenspartner af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.611
(zaaknummers rechtbank Gelderland 11398963 en 11398965)
beschikking van 5 maart 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. R. van Gils-Lessy,
en
Stichting Zinzia Zorggroep,
gevestigd te Wageningen ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: Zinzia ,
advocaten: mr. S. van Dijk en mr. A. Kiewiet.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: [belanghebbende1] ,
en
[belanghebbende2]en
[belanghebbende3],
correspondentieadres te [plaats1] ,
verder te noemen: de bewindvoerders,
en
Hamming Bewindvoering B.V.,
correspondentieadres te Amersfoort,
verder te noemen: de mentor.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de twee afzonderlijke beschikkingen van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team bewind, zittingsplaats Zutphen) van 30 april 2025, uitgesproken onder de hiervoor genoemde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 29 juli 2025;
  • het verweerschrift van Zinzia met producties;
  • een mailbericht van de mentor van 26 januari 2026;
  • een journaalbericht namens Zinzia van 28 januari 2026.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • [verzoekster] , bijgestaan door haar advocaat,
  • vier vertegenwoordigers van Zinzia , bijgestaan door hun advocaten,
  • de bewindvoerders.

3.De feiten

3.1
[belanghebbende1] is geboren [in] 1947.
3.2
[belanghebbende1] en [verzoekster] kennen elkaar sinds 1964 en woonden sinds januari 1972 samen.
3.3
[in] 1990 zijn [belanghebbende1] en [verzoekster] een samenlevingsovereenkomst aangegaan.
3.4
Op 22 augustus 2024 is voor [belanghebbende1] een ZZP-5 Verpleging Verzorging-indicatie afgegeven door het CIZ.
3.5
Sinds 11 september 2024 woont [belanghebbende1] in een verpleeghuis van Zinzia .

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking met zaaknummer 1138963 heeft de kantonrechter:
  • de goederen die aan [belanghebbende1] (zullen) toebehoren onder bewind gesteld wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand; en
  • de bewindvoerders als zodanig benoemd.
4.2
Bij de bestreden beschikking met zaaknummer 1138965 heeft de kantonrechter:
  • een mentorschap voor [belanghebbende1] ingesteld; en
  • de mentor als zodanig benoemd.
4.3
[verzoekster] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikkingen. [verzoekster] verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de bestreden beschikking met zaaknummer 1138963 te vernietigen, voor zover het de benoeming van de bewindvoerders betreft, en, opnieuw beschikkende, [verzoekster] te benoemen tot bewindvoerder dan wel een beslissing te nemen die het hof juist oordeelt; en
  • de bestreden beschikking met zaaknummer 1138965 te vernietigen, voor zover het de benoeming van de mentor betreft, en, opnieuw beschikkende, [verzoekster] te benoemen tot mentor dan wel een beslissing te nemen die het hof juist oordeelt.
4.4
Zinzia voert verweer. Zinzia vraagt het hof de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen. Daarnaast vraagt Zinzia om [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten van de procedure in hoger beroep.

5.De motivering van de beslissing

Omvang van het geschil in hoger beroep
5.1
Het hof stelt voorop dat [verzoekster] geen grieven richt tegen het uitspreken van het bewind over de goederen die aan [belanghebbende1] (zullen) toebehoren en het instellen van een mentorschap ten behoeve van [belanghebbende1] .
Het verzoek in hoger beroep beperkt zich daarmee tot de vraag wie tot bewindvoerder en mentor moeten worden benoemd.
Juridisch kader
5.2
Op grond van de artikelen 1:435 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder dan wel de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
5.3
In het vierde lid van de hiervoor genoemde artikelen staat dat, tenzij lid 3 is toegepast, indien de rechthebbende is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd.
De mening van [belanghebbende1]
5.4
[belanghebbende1] is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet verschenen. Het is volgens de behandelaren van Zinzia te belastend voor [belanghebbende1] om naar de mondelinge behandeling te komen. [belanghebbende1] wordt in de procedures ter verlenging van de zorgmachtiging wel gehoord en zij raakt daardoor langere tijd, zelfs meerdere weken, ontregeld.
5.5
Volgens de ‘Aanbevelingen Meerderjarigenbewind’ zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht is het uitgangspunt dat verzoekers, betrokkenen en belanghebbenden worden gehoord.
5.6
Het hof heeft in deze situatie overwogen om [belanghebbende1] in haar - inmiddels - vertrouwde omgeving bij Zinzia te horen omdat dit voor haar minder belastend is, maar heeft besloten hiervan af te zien. De reden daarvoor is dat uit de verklaringen van [belanghebbende1] bij de kantonrechter afdoende blijkt dat het haar voorkeur is dat [verzoekster] tot bewindvoerder en mentor wordt benoemd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Zinzia erkend dat [belanghebbende1] stellig en volhardend is in haar wens om naar huis - en dus naar [verzoekster] - terug te keren. Ook de mentor schrijft in haar e-mailbericht dat [belanghebbende1] naar huis wil terugkeren. Onder deze omstandigheden oordeelt het hof de uitdrukkelijke voorkeur van [belanghebbende1] om [verzoekster] te benoemen bewindvoerder en mentor, ook zonder haar te horen in hoger beroep, voldoende duidelijk.
Wat vinden partijen?
5.7
[verzoekster] vindt dat zij moet worden benoemd tot bewindvoerder en mentor van [belanghebbende1] . Zij zijn meer dan een halve eeuw samen en hebben al die tijd samen lief en leed gedeeld. Er is nooit sprake geweest van (fysieke) mishandeling, ook niet in het verleden. De familie herkent dit ook niet en er blijkt ook niet van mishandeling uit het huisartsendossier. Na de opname van [belanghebbende1] zijn [belanghebbende1] en [verzoekster] uit elkaar gerukt. [verzoekster] wordt overal buitengehouden en door Zinzia zwart gemaakt. Dit doet [verzoekster] pijn, want zij wil het beste voor [belanghebbende1] .
Als [verzoekster] tot bewindvoerder en mentor wordt benoemd, wordt hiermee niet alleen de wettelijke voorkeur gevolgd, maar ook de uitdrukkelijke voorkeur van [belanghebbende1] . [verzoekster] kent [belanghebbende1] en haar behoeften en voorkeuren erg goed. Daarom is zij geschikt om te worden benoemd als mentor voor [belanghebbende1] . [verzoekster] heeft bovendien altijd zonder problemen de financiën beheerd. De communicatie tussen [verzoekster] en de bewindvoerders verloopt moeizaam omdat de bewindvoerders volgens [verzoekster] niet in het belang van [belanghebbende1] handelen. Bovendien zijn de financiën van [verzoekster] en [belanghebbende1] volledig vervlochten. De bewindvoerder koppelt de financiën nu helemaal los, waardoor [verzoekster] in financiële problemen komt.
5.8
Zinzia vraagt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Volgens Zinzia blijkt de uitdrukkelijke voorkeur van [belanghebbende1] niet uit de stukken of haar verklaringen. Bovendien is [belanghebbende1] niet wilsbekwaam voor dergelijke uitingen, omdat zij de gevolgen hiervan niet overziet. [verzoekster] kan volgens Zinzia bovendien niet optreden als adequaat bewindvoerder of mentor. [verzoekster] zet zich sterk af tegen de medewerkers van Zinzia ; het lukt niet om tot afspraken te komen en de communicatie met haar verloopt moeizaam. [verzoekster] heeft geen inzicht in het ziektebeeld van [belanghebbende1] en weet ook niet hoe zij met de ziekte moet omgaan. Dit heeft geleid en leidt nog steeds tot verbaal en fysiek geweld. Dit speelt volgens Zinzia al sinds begin 2022 en is dus niet eenmalig geweest. De bezoeken van en de gesprekken met [verzoekster] zijn voor [belanghebbende1] erg belastend, omdat [verzoekster] blijft herhalen dat [belanghebbende1] weer naar huis moet komen. Volgens Zinzia moet op grond van al deze omstandigheden worden afgeweken van de uitdrukkelijke voorkeur én de wettelijke voorkeur bij de benoeming van de bewindvoerder en mentor.
5.9
De bewindvoerders hebben tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de samenwerking en communicatie met [verzoekster] moeizaam verloopt, maar dat zij inmiddels zicht hebben op de financiële situatie van [belanghebbende1] .
5.1
De mentor schrijft in een verklaring (die door Zinzia is overgelegd) dat een onafhankelijke mentor nodig is om het mentorschap uit te voeren, omdat [verzoekster] geen inzicht heeft in het ziektebeeld van [belanghebbende1] en (samengevat) niet in haar belang handelt.
Hoe oordeelt het hof?
5.11
Het hof stelt voorop dat het oog heeft voor de grote emotionele impact die deze zaak heeft op [verzoekster] en ongetwijfeld ook op [belanghebbende1] . [verzoekster] en [belanghebbende1] hebben veruit het grootste deel van hun leven samen doorgebracht en lief en leed met elkaar gedeeld. Dat zij nu niet meer samen kunnen zijn, is voor hen beiden verdrietig.
5.12
Het hof dient in deze procedure in hoger beroep echter uitsluitend te beoordelen of bij de benoeming van de bewindvoerder en mentor moet worden afgeweken van de uitdrukkelijke voorkeur van [belanghebbende1] en ook de wettelijke voorkeur om een levenspartner - in dit geval ook [verzoekster] - tot bewindvoerder en mentor te benoemen. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en zal deze beslissing hierna uitleggen.
5.13
In de stukken is te lezen, en dat beeld is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd, dat [verzoekster] slechts een beperkt inzicht heeft in en besef heeft van het ziektebeeld van [belanghebbende1] . [verzoekster] heeft bij herhaling uitgesproken dat het haar grootste wens is dat [belanghebbende1] weer thuis komt wonen en dat zij dan weer doorgaan op dezelfde voet waar zij waren gebleven. Volgens [verzoekster] kan dit zonder hulpverlening. Het hof deelt deze visie niet. Bij [belanghebbende1] is de diagnose dementie gesteld, waardoor het functioneren van [belanghebbende1] achteruit is gegaan en blijft gaan. In dit kader is ook een ZZP-5 Verpleging Verzorging-indicatie afgegeven door het CIZ. Daarbij komt dat het [verzoekster] niet lukt om samen te werken met (de medewerkers van) Zinzia . Er is bij [verzoekster] sprake van veel frustratie over de opname van [belanghebbende1] en het lukt haar niet dit los te laten. Dit heeft zelfs geleid tot een kortdurend bezoekverbod voor [verzoekster] . De bewindvoerders hebben tijdens de mondelinge behandeling eveneens verklaard dat het bijzonder moeilijk is om te komen tot samenwerking met [verzoekster] . Tot slot is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken dat het moeilijk is om met [verzoekster] in gesprek te komen en dat het voor [verzoekster] moeilijk is om concreet en adequaat antwoord te geven op, soms bij herhaling, gestelde vragen. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat [verzoekster] niet in staat is om de vermogensrechtelijke en de niet-vermogensrechtelijke belangen van [belanghebbende1] te behartigen. Met andere woorden: het hof zal niet [verzoekster] benoemen tot bewindvoerder en mentor voor [belanghebbende1] .
Proceskostenveroordeling
5.14
Tot slot verzoekt Zinzia om [verzoekster] te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep. Zinzia voert aan dat zij door het handelen van [verzoekster] wordt geconfronteerd met de kosten van verplichte rechtsbijstand, terwijl Zinzia talloze keren heeft geprobeerd om een werkzame manier voor [verzoekster] te vinden om contact te onderhouden met [belanghebbende1] en [verzoekster] zelf hieraan weigert mee te werken.
5.15
Het hof wijst het verzoek om [verzoekster] in de proceskosten te veroordelen af. [verzoekster] is het niet eens met de benoeming van een onafhankelijke bewindvoerder en mentor. Zoals hiervoor is beschreven, wenst [verzoekster] tot bewindvoerder en mentor te worden benoemd. Het staat [verzoekster] vrij om deze beslissing in hoger beroep nog een keer ter beoordeling voor te leggen. Op geen enkele wijze is gebleken dat [verzoekster] daarbij misbruik heeft gemaakt van recht of anderszins nodeloos heeft geprocedeerd.
5.16
Het hof zal vanwege de aard van de zaak de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de twee afzonderlijke beschikkingen van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team bewind, zittingsplaats Zutphen) van 30 april 2025 (zaaknummers rechtbank Gelderland 11398963 en 11398965);
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, M.L. van der Bel en R. Feunekes, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 5 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.