ECLI:NL:GHARL:2026:1321

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
200.362.337/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling kinderen wegens onveilige opvoedingssituatie

De kinderrechter stelde twee minderjarige kinderen onder toezicht vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door onrustige en onveilige thuissituaties. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof bevestigde de ondertoezichtstelling.

De kinderen hebben veel spanningen ervaren door de relatieproblemen van de ouders, huiselijk geweld en wisselende woonomstandigheden. Er zijn meerdere meldingen gedaan bij Veilig Thuis en de moeder heeft hulpverlening geweigerd. De vader erkent geen hulpvraag. De kinderen vertonen zorgelijk gedrag en hebben leerachterstanden.

Het hof oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de belangen van de kinderen te beschermen en passende hulpverlening te waarborgen. De ouders zijn onvoldoende gemotiveerd om vrijwillig aan verbetering te werken. Het hof verzoekt de gecertificeerde instelling om op traumasensitieve wijze met de moeder samen te werken.

De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de kinderen wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en onveilige opvoedingssituatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.337/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 201241)
beschikking van 5 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,
verweerder in hoger beroep.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1.[belanghebbende] (de vader),

die woont in [woonplaats] ,
2. de gecertificeerde instelling
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
gevestigd in Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , op verzoek van de raad, onder toezicht gesteld tot 5 september 2026. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 5 september 2025. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben samen twee kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2015; en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2019.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige1] . De moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige2] .
2.2.
De kinderen wonen bij de moeder. De door de ouders (begin 2025) afgesproken zorgregeling, waarbij de vader en de kinderen elkaar elk weekend en op een doordeweekse dag zien, wordt op dit moment structureel uitgevoerd.

3.De procedure bij het hof

3.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter van
5 september 2025 (genoemd onder 1). Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
3.2.
De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
3.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift met bijlage(n);
- twee brieven van de raad, van 22 en 30 december 2025, waarin de raad aangeeft ter zitting verweer te voeren;
- een brief van de GI van 13 januari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 19 januari 2026 met bijlage(n).
3.4.
[de minderjarige1] is uitgenodigd om te vertellen wat hij vindt van de ondertoezichtstelling, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
3.5.
De zitting bij het hof was op 27 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder, met haar advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de raad;
  • drie vertegenwoordigers van de GI;
  • de vader.

4.Het oordeel van het hof

De wet
4.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
De ondertoezichtstelling
4.2.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] terecht onder toezicht heeft gesteld. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter over en voegt hier het volgende aan toe.
4.3.
Uit het dossier blijken forse zorgen over de opvoedingssituatie van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
Zij hebben veel onrust en onveiligheid meegemaakt, waaronder de relatiebreuk en ruzies tussen de ouders, wisselingen in hun woon- en opvoedsituatie, een nieuwe partner van de moeder waarbij sprake was van huiselijk geweld en het overlijden van de laatste partner van de moeder. Dit heeft ook veel impact gehad op de moeder. De kinderen zijn veelvuldig blootgesteld aan spanningen en escalaties tussen de ouders, onder andere tijdens de overdrachtsmomenten. Er zijn in dit verband meerdere zorgmeldingen gedaan bij Veilig Thuis (door politie, huisarts, ambulancedienst en ziekenhuis). In februari 2025 is de situatie zodanig uit de hand gelopen dat de moeder met fors letsel (aan hoofd en bovenarm), door de vader toegebracht met een voorwerp, in het ziekenhuis is beland. Hieraan voorafgaand zou de moeder een hamer door het raam van de vader hebben gegooid. [de minderjarige2] heeft alles gezien. Vanwege de problematische situatie tussen de ouders werden de omgangsafspraken niet meer (structureel) nagekomen. Dit alles heeft zijn weerslag op de kinderen. Uit de stukken blijken zorgen over loyaliteitsproblematiek bij de kinderen en over agressieve uitlatingen van [de minderjarige1] (over bijvoorbeeld het doden van de vader of hulpverleners). Ook school heeft melding gemaakt van zorgelijk gedrag bij de kinderen, veelvuldig schoolverzuim en er is sprake van een leerachterstand bij [de minderjarige1] , waardoor hij is teruggeplaatst naar groep 6. Hij kampt(e) met lichamelijke klachten (buikpijn, een vol hoofd) en concentratieproblemen.
De ouders zijn gering gemotiveerd voor hulpverlening. Uit informatie van [naam1] blijkt dat de moeder de noodzaak van die hulpverlening niet inziet, de schuld bij de vader legt en weinig openheid wil geven. Zo wilde zij niet dat er contact werd gelegd met school, de indicatie vanuit het gebiedsteam niet tekenen en niet op gesprek komen
(d.d. 13 mei 2025). Eind mei 2025 weigerde de moeder alle hulpverlening en is zij een kort geding gestart voor ontzegging van de omgang, vanwege zorgen over drugsgebruik en agressie van de vader. Na overleg met Veilig Thuis en de raad is besloten tot een verzoek tot onderzoek.
4.4.
De GI heeft een plan van aanpak opgesteld (d.d. 18 oktober 2025) en bekeken welke hulpverlening nodig is binnen het gezin. De ouders hebben op 7 januari jl. een eerste gesprek gehad bij [naam2] . Deze organisatie biedt pendelmediation aan ouders, met als doel een (nieuw) ouderschapsplan op te stellen, en doet onderzoek naar wat de kinderen nodig hebben voor henzelf en in de woonsituatie bij beide ouders, door middel van observaties.
De ouders vinden een ondertoezichtstelling niet nodig, omdat het nu wel weer goed gaat en zij zelf hulp kunnen inschakelen. De vader heeft ter zitting aangegeven geen hulpvraag te hebben. De zorgregeling wordt uitgevoerd en [de minderjarige1] kan vaker naar de vader gaan als hij dat wil (vanwege ‘de gamekamer’ of om te sleutelen). [de minderjarige1] had baat bij de gesprekken via het gebiedsteam, maar die zijn gestopt toen de GI betrokken raakte. Hij zit nu op boksen en dat is volgens de moeder een fijne uitlaatklep voor hem. De moeder heeft contact gezocht met de huisarts en staat op de wachtlijst voor traumabegeleiding.
4.5.
Het hof is van oordeel dat de betrokkenheid van de GI noodzakelijk is om de belangen van de kinderen en de inzet van passende hulpverlening te waarborgen. Zoals hiervoor al overwogen hebben de kinderen in hun jonge leven veel negatieve gebeurtenissen meegemaakt. De ouders hebben de kinderen onvoldoende kunnen beschermen tegen hun hoogoplopende ruzies. Integendeel, er zijn signalen (vanuit de huisarts, politie en hulpverlening) dat de kinderen worden ingezet in de ruzies tussen de ouders en dat de moeder de kinderen belast met volwassenzaken. Verschillende instanties hebben zorgen geuit over het welzijn en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Deze zorgen zijn naar het oordeel van het hof nog niet weggenomen. Het is van groot belang dat de kinderen niet opnieuw worden geconfronteerd met dergelijke onveilige en belastende situaties.
Hoewel de ouders nu in rustiger vaarwater lijken te zitten, is het hof met de raad en de GI van oordeel dat de situatie nog uiterst kwetsbaar is en er nog onvoldoende zicht is op de opvoedsituatie, gezinsdynamiek en (onderliggende) gevoelens van de kinderen. Het is duidelijk dat het de ouders zelf, mede vanwege hun afhoudende en wantrouwende houding richting hulpverlening, in een vrijwillig kader niet is gelukt om te werken aan hun onderlinge communicatie en verstandhouding om de situatie voor de kinderen ten goede te keren, terwijl zij hiervoor wel voldoende de kans hebben gehad. De ouders geven onvoldoende blijk van probleeminzicht, nu zij denken dat de problemen zijn opgelost als er duidelijke afspraken op papier staan. Dat is niet voldoende; het eerder door de ouders opgestelde ouderschapsplan (d.d. 9 september 2018) heeft de zorgelijke situatie van vorig jaar ook niet kunnen voorkomen. Naast mediation en begeleiding voor de kinderen is ook (individuele) hulpverlening voor de ouders nodig, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van inzicht in hun handelen en gedrag naar elkaar en de invloed daarvan op de kinderen, en voor de vader bij zijn emotieregulatie.
4.6.
Het hof concludeert dat de gronden voor een ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aanwezig zijn, en zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
Tot slot
4.7.
De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij er moeite mee heeft dat de observaties van de kinderen door [naam2] op school (of sport) zullen plaatsvinden, omdat zij niet wil dat de kinderen een stempel krijgen en onrust/spanning ervaren in hun sociale en voor hun veilige omgeving. Het hof verzoekt de GI om hierover opnieuw met de moeder en [naam2] in gesprek te gaan en op traumasensitieve wijze te kijken naar mogelijkheden/oplossingen om deze - naar het oordeel van het hof invoelbare - zorg bij de moeder weg te nemen.

5.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 september 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.J. Voerman, mr. M.A.F. Veenstra en mr. J.G. Knot, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 5 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW