De zaak betreft een geschil tussen broers en zussen over de eigendom en het beheer van aandelen in een bv, die deel uitmaken van de nalatenschappen van hun ouders die in 2022 zijn overleden. De appellant stelt dat hij de aandelen door schenking van zijn vader heeft verkregen en wil volledige zeggenschap over de onderneming. De andere erfgenamen verzochten een beheersregeling om gezamenlijk het beheer van de aandelen te regelen vanwege de verstoorde onderlinge verhoudingen.
De kantonrechter had een beheersregeling toegewezen waarbij iedere erfgenaam een gelijk aandeel van 20% in de aandelen heeft en gezamenlijk het beheer uitoefent, met uitzondering van ontbinding van de vennootschap. Het hof bekrachtigt deze beschikking en wijst het hoger beroep van appellant af. Het hof benadrukt dat de aandelen tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren en dat gezamenlijke uitoefening van aandeelhoudersrechten noodzakelijk is.
Het hof oordeelt dat de verstoorde relatie tussen de erfgenamen een constructieve samenwerking onmogelijk maakt en dat de beheersregeling billijk is en het algemeen belang van de onderneming en haar werknemers dient. Het verzoek van appellant om een doorslaggevende stem bij stemmingen en het aanwijzen van een derde beheerder wordt afgewezen. Iedere partij draagt de eigen kosten.