ECLI:NL:GHARL:2026:128

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.354.212/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake gezag over minderjarige na echtscheiding en strafrechtelijke veroordeling van de vader

In deze zaak gaat het om een hoger beroep betreffende het gezag over de minderjarige [de minderjarige1] na de echtscheiding van de ouders. De vader, die in hoger beroep is gekomen, heeft een strafrechtelijke veroordeling voor het bezit van kinderporno en is verminderd toerekeningsvatbaar verklaard. De rechtbank Midden-Nederland had op 23 januari 2025 bepaald dat de moeder alleen het gezag over [de minderjarige1] zou krijgen. De vader verzoekt het hof deze beschikking te vernietigen en het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag af te wijzen. De moeder verzet zich hiertegen en vraagt het hof de beschikking te bekrachtigen.

De mondelinge behandeling vond plaats op 9 december 2025, waarbij de moeder en haar advocaat aanwezig waren, evenals de advocaat van de vader en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming. Het hof oordeelt dat de vader, door zijn strafrechtelijke veroordeling en het ontzeggen van het recht op omgang met [de minderjarige1], niet in staat is om het gezag uit te oefenen. De moeder heeft inmiddels meerdere beslissingen over [de minderjarige1] genomen zonder dat dit tot problemen heeft geleid, wat in het belang van het kind is. Het hof bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en bekrachtigt de beschikking, waarbij de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.212
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 579122)
beschikking van 13 januari 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.A.H. Boom,
en
[verweerster],
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.L. Sterrenberg-Ellerbroek.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 april 2025;
- het verweerschrift met een productie;
- een journaalbericht van mr. Sterrenberg van 25 november 2025 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 9 december 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de advocaat van de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van partijen is [in] 2024 ontbonden door echtscheiding.
3.2
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2018 (hierna: [de minderjarige1] ).
[de minderjarige1] woont bij de moeder.
3.3
De vader heeft uit een eerdere relatie een dochter, [de minderjarige2] , geboren [in] 2014.
3.4
Op 10 mei 2023 is de vader onherroepelijk veroordeeld voor het (gewoonte)bezit en vervaardigen van grote hoeveelheden kinderporno en het bezit van dierenporno bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Rotterdam. Hij is verminderd toerekeningsvatbaar geoordeeld en heeft een gevangenisstraf gekregen van 36 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van vijf jaar met bijzondere voorwaarden, waaronder het volgen van een ambulante behandeling voor zijn problematiek bij [naam1] of een andere door de reclassering te bepalen zorgverlener en de voorwaarde dat hij op geen enkele wijze contact zal zoeken met minderjarigen; als deze contacten onvermijdelijk zijn, zorgt de veroordeelde dat de moeders van zijn kinderen hierbij altijd aanwezig zijn en/of een gespecialiseerde hulpverlenende instantie.
Sinds 14 januari 2025 verblijft de vader niet meer in detentie.
3.5
Op 17 april 2025 heeft dit hof aan de vader het recht op omgang met [de minderjarige1] ontzegd tot zij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.
3.6
[de minderjarige1] heeft onder toezicht gestaan van de gecertificeerde instelling [naam2] vanaf 31 mei 2024 tot 31 mei 2025.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de moeder bepaald dat de moeder voortaan alleen is belast met het gezag over [de minderjarige1] .
4.2
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag over [de minderjarige1] alsnog af te wijzen.
4.3
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met de veroordeling van de vader in de daadwerkelijke proceskosten van de moeder dan wel een bedrag dat het hof juist acht.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De moeder heeft de [land] nationaliteit. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit. Gelet op het internationale karakter van de zaak is eerst aan de orde of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om van het verzoek kennis te nemen.
Het voorliggende verzoek betreft de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee, nu het inleidend verzoek is ingediend na 1 augustus 2022, onder het toepassingsgebied van de Verordening Brussel II-ter (Verordening 2019/1111). Omdat [de minderjarige1] op het moment van het inleiden van de procedure (bij de rechtbank) haar gewone verblijfplaats in Nederland had, waar zij ook nu nog woont, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening Brussel II-ter rechtsmacht toe om over het verzoek te oordelen. Daarom heeft de rechtbank terecht kennisgenomen van het verzoek tot wijziging van het gezag over [de minderjarige1] en is het hof in hoger beroep bevoegd om kennis van de zaak te nemen.
De rechtbank heeft het Nederlands recht toegepast. Ten aanzien van het toepasselijk recht zijn geen grieven opgeworpen, zodat het hof Nederlands recht zal toepassen.
Gezag
5.2
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek staat dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3
Het hof is net als de rechtbank en op dezelfde gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt van oordeel dat er is voldaan aan deze voorwaarden om het gezag van [de minderjarige1] alleen aan de moeder toe te kennen. Ter aanvulling overweegt het hof dat er zich sinds de mondelinge behandeling bij de rechtbank nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan die de beslissing van het eenhoofdig gezag van de moeder over [de minderjarige1] bevestigen. Op 17 april 2025 heeft dit hof beslist dat de vader het recht op omgang met – de toen zesjarige – [de minderjarige1] is ontzegd tot zij de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Doordat de vader de komende jaren geen contact zal hebben met [de minderjarige1] is hij moeilijk in staat om zich een voorstelling te maken van hoe het met haar gaat, welke beslissingen in haar belang zijn en kan hij feitelijk het gezag niet uitoefenen.
Daarbij is op 31 mei 2025 de ondertoezichtstelling over [de minderjarige1] geëindigd, zodat [naam2] geen bemoeienis meer heeft en ook niet meer kan fungeren als buffer in de communicatie tussen de ouders. Tegelijkertijd kan momenteel niet van de moeder worden verwacht dat zij steeds weer met de vader in overleg treedt om gezamenlijk beslissingen te nemen over [de minderjarige1] . De ouders hebben al lange tijd geen contact met elkaar en de moeder heeft geen vertrouwen in de vader. Daarbij roept het contact met de vader bij de moeder nog veel spanningen op, wat een negatief effect heeft op [de minderjarige1] . Zoals de raad op de mondelinge behandeling bij het hof naar voren bracht, blijft de vader in een slachtofferrol steken en kan hij zich niet inleven in wat de hele situatie voor de moeder en [de minderjarige1] betekent. Dit is belastend voor de moeder en [de minderjarige1] . Dit hof heeft al in de beschikking van 17 april 2025 geoordeeld dat het nu van groot belang is dat er rust komt voor [de minderjarige1] en dat de moeder als opvoeder overeind blijft. Dat geldt nog steeds en kan niet worden bereikt als de vader mede het gezag heeft over [de minderjarige1] . Het hof ziet – net als de raad voor de kinderbescherming – geen enkele basis voor gezamenlijk gezag.
5.4
Sinds de bestreden beschikking heeft de moeder al meerdere beslissingen over [de minderjarige1] genomen zonder dat dit de nodige spanningen en vertraging met zich bracht door in contact te moeten treden met de vader. Dit is in het belang van [de minderjarige1] .
5.5
De vader ageert ook in hoger beroep tegen de strafrechtelijke veroordeling, maar zoals de rechtbank al oordeelde is het vonnis van de strafrechter onherroepelijk en staat de strafbaarheid vast. De vader klaagt daarnaast ook over het onderzoek en de diagnoses van de GZ-psycholoog. Het hof is het met de rechtbank eens dat het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) dat het onderzoek van de GZ-psycholoog onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, geen afbreuk doet aan de bewezenverklaring van de door de vader gepleegde feiten en de strafbaarheid daarvan, zoals blijkt uit de – onherroepelijke – strafrechtelijke veroordeling. Daarbij heeft dit hof al eerder geoordeeld (op 17 april 2025) dat door het RTG slechts wordt beoordeeld of de GZ-psycholoog in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen en niet of de gestelde diagnoses juist zijn.
5.6
Alhoewel de vader inmiddels voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, is het hem niet gelukt om naar de mondelinge behandeling van het hof te komen, waar het belangrijke onderwerp van het gezag over zijn dochter [de minderjarige1] werd besproken.

6.De slotsom

6.1
Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat de procedure gaat over het gezag over het kind van partijen. Het hof ziet geen aanleiding voor de door de moeder gevraagde (werkelijke) proceskostenveroordeling.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 januari 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en A.T. Bol, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 13 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.