ECLI:NL:GHARL:2026:1264

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.358.328
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:267 lid 2 BWArt. 1:266 lid 1 onder a en b BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beëindiging ouderlijk gezag over minderjarige afgewezen

De rechtbank had het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige beëindigd en een gecertificeerde instelling tot voogd benoemd. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en wilde haar gezag behouden.

Het hof heeft de feiten en omstandigheden zorgvuldig gewogen, waaronder het verblijf van de minderjarige bij een gezinshuisouder, de regelmatige bezoeken aan de moeder, en de positieve ontwikkeling van het kind. Het belang van het kind staat voorop, waarbij het hof oordeelde dat de moeder in staat is de belangen van het kind voorop te stellen en dat het gezag niet beëindigd hoeft te worden.

Het hof constateerde dat de situatie stabiel is, de samenwerking tussen moeder en gezinshuisouder goed verloopt, en dat het kind voldoende zekerheid heeft over zijn woonplek. De beëindiging van het gezag zou een te grote inbreuk vormen en is niet noodzakelijk. Daarom vernietigde het hof de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek tot beëindiging van het gezag af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder af en vernietigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.358.328
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 593886
beschikking van 3 maart 2026
over de beëindiging van het gezag over
[de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. S.L. Prass
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Utrecht
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[belanghebbende](gezinshuisouder)
wonende in [woonplaats2]
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(SAVE)
die is gevestigd in Utrecht.

1.Samenvatting

De rechtbank heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de GI tot voogdes van [de minderjarige] benoemd. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
De feiten
1.1.
[de minderjarige] is geboren [in] 2011 en zijn moeder had tot de beslissing van de rechtbank van 24 juli 2025 het gezag over hem.
1.2.
[de minderjarige] staat sinds 12 juni 2019 onder toezicht.
1.3.
Sinds 6 oktober 2020 is [de minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.
2.4.
[de minderjarige] woont sinds 6 mei 2022 bij de gezinshuisouder in [woonplaats2] .
2.5.
[de minderjarige] verblijft ieder weekend van zaterdag na de voetbal tot zondagavond en een groot deel van de vakanties bij de moeder

2.De procedure bij de rechtbank

2.1.
SAVE heeft de raad verzocht om aan de rechtbank te vragen een oordeel te geven over het visieverschil tussen SAVE en de raad over de vraag of beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] noodzakelijk is. De raad vond een beëindiging van het gezag van de moeder namelijk (nog) niet nodig en SAVE wel.
2.2.
De rechtbank heeft vervolgens het gezag van de moeder over [de minderjarige] ambtshalve beëindigd en de GI met de voogdij over [de minderjarige] belast. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 24 juli 2025. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard wat betekent dat deze direct ten uitvoer kan worden gelegd, ook al is er hoger beroep ingesteld.

3.De procedure bij het hof

3.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en zij haar ouderlijk gezag houdt.
3.2.
De GI vindt dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
3.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift met de stukken van de procedure bij de rechtbank
  • het verweerschrift van de GI
3.4.
[de minderjarige] heeft op 2 februari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof via een digitale beeldverbinding (Teams). Hij heeft verteld wat hij vindt van de beëindiging van het gezag van zijn moeder.
3.5.
De zitting bij het hof was op 3 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder en haar advocaat (en een stagaire als toehoorder)
  • een vertegenwoordiger namens de GI
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • de gezinshuisouder
  • twee vertegenwoordigers namens SAVE

4.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
4.1.
De rechter kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. [1]
4.2.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont. [2]
Hoe oordeelt het hof?
4.3.
Het hof is van oordeel dat het niet noodzakelijk is om het gezag van de moeder te beëindigen. Het hof neemt daarbij onder meer het volgende in aanmerking.
4.4.
In het rapport van de raad van 11 april 2025 wordt al beschreven dat het erg goed gaat met [de minderjarige] . In het gezinshuis wordt hem dagstructuur geboden en ingestoken op het uitpraten van gebeurtenissen. [de minderjarige] doet het goed op school en hij kan beter over zijn gevoelens praten. Er is geen sprake meer van een verzwaarde opvoedvraag. In de afgelopen jaren is de moeder steeds meer betrokken en betrouwbaar geweest naar [de minderjarige] . De samenwerking, communicatie en afstemming tussen de moeder en de gezinshuisouder gaan ook goed. Beëindiging van het gezag van de moeder vond de raad nog niet aan de orde.
In hoger beroep voert de raad aan dat, nu sinds de gezagbeëindiging sprake is van meer rust zowel bij de moeder als [de minderjarige] , het een goede beslissing van de rechtbank gebleken is om het gezag te beëindigen. De raad twijfelt bovendien aan de intrinsieke emotionele toestemming die de moeder geeft aan [de minderjarige] om in het gezinshuis te blijven wonen en voert daarom in hoger beroep aan dat de beslissing van de rechtbank in stand moet blijven
4.5.
Uit het gesprek met [de minderjarige] en wat de moeder en de gezinshuisouder aan het hof op de mondelinge behandeling hebben verteld blijkt dat de positieve ontwikkeling van [de minderjarige] zich verder heeft doorgezet en er zowel bij [de minderjarige] als de moeder acceptatie is gekomen over de woon/verzorgingssituatie van [de minderjarige] . Daarin zal wat hen betreft geen verandering komen.
4.6.
[de minderjarige] heeft verteld dat hij rustiger is geworden en dat hij het er nu mee eens is dat hij doordeweeks bij de gezinshuisouder woont. [de minderjarige] denkt dat dat komt omdat hij ouder wordt. Daardoor gaat hij anders met dingen om. Misschien heeft hij zijn situatie zelfs al meer geaccepteerd dan zijn moeder, maar zijn moeder zet hem hierover zeker niet onder druk. Hij vindt dat zijn moeder prima in staat is om beslissingen over hem te nemen. Ook vindt hij het belangrijk dat niet jaarlijks in het kader van een procedure naar zijn mening wordt gevraagd. Dat ervaart hij als irritant.
4.7.
De moeder heeft aan het hof verteld zij inmiddels, hoewel dit best moeilijk is, ook heeft aanvaard dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij doordeweeks bij de gezinshuisouder woont. Het gaat heel goed met [de minderjarige] en ook met haarzelf, ze volgt nog steeds therapieën. [de minderjarige] verblijft regelmatig bij haar en ze kan goed met [de minderjarige] praten. [de minderjarige] , zijn zussen en de moeder hebben een sterke familieband. Zij is prima in staat om beslissingen voor [de minderjarige] te nemen en het is haar niet duidelijk wat de toegevoegde waarde van de voogdij is. Ook heeft zij nooit een beslissing over [de minderjarige] tegengehouden.
De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat gelet op de acceptatie van de moeder haar grieven tegen de beslissing van de rechtbank over de aanvaardbare termijn, de opvoedingsvaardigheden van de moeder en het perspectiefbesluit nu niet meer relevant zijn. De moeder baseert haar beroep met name op haar vierde grief, die inhoudt dat – zelfs indien het toekomstperspectief is dat [de minderjarige] doordeweeks bij de gezinshuisouder blijft wonen – een beëindiging van haar gezag niet noodzakelijk is. De moeder wijst daarbij op artikel 8 EVRM Pro en artikel 9 VRK Pro. Een ingrijpende maatregel als een gezagsbeëindiging mag uitsluitend worden opgelegd indien dit noodzakelijk is. Kan het doel met een minder vergaande maatregel worden bereikt dan dient voor deze lichtere maatregel te worden gekozen. Een gezagsbeëindiging voelt voor de moeder in haar situatie als onrechtvaardig.
De advocaat van de moeder betwist de visie van de raad, SAVE en de GI dat het feit er meer rust is gekomen het afgelopen jaar het directe gevolg is van de gezagsbeëindiging sinds juli 2025.
Wat betreft de slechte samenwerking van de moeder met SAVE en de GI, licht zij toe dat zij boos was op de GI omdat de GI het advies van de raad niet volgde. Daarop volgde de uitspraak van de rechtbank die voor haar teleurstellend was. Zij is niet ingegaan op de uitnodiging van de GI om aanwezig te zijn bij de overdracht van [de minderjarige] vanuit SAVE, omdat zij zich toen nog erg gefrustreerd voelde. Zij is wel in staat om samen te werken, zoals blijkt uit het feit dat haar samenwerking met de gezinshuisouder al meerdere jaren heel goed is.
4.8.
De pleegmoeder heeft ter zitting toegelicht dat [de minderjarige] de situatie inmiddels volledig heeft geaccepteerd. Zij ziet de oude vrolijke [de minderjarige] weer en het klopt dat er vaak overleg is met de moeder. Zij ziet geen toegevoegde waarde in het beëindigen van het gezag van de moeder. Het is altijd goed gelukt in overleg beslissingen over [de minderjarige] te nemen en zij verwacht daarin geen verandering.
4.9.
Het hof neemt verder in aanmerking dat de GI ook heeft geconstateerd dat er een fijne balans is tussen de moeder en de gezinshuisouder en dat [de minderjarige] zich in de huidige situatie heel goed kan ontwikkelen. Vanuit de GI is er geen specifieke medewerker beschikbaar als voogd, de situatie van [de minderjarige] wordt vanuit een team gemonitord. Er is sinds de gezags- beëindiging geen contact met [de minderjarige] persoonlijk geweest. Er is wel contact met de gezinshuisouder geweest, maar tot nu toe hoefden er geen beslissingen voor [de minderjarige] te worden genomen. De financiële situatie van [de minderjarige] is niet geïnventariseerd door de GI.
4.10.
Het hof concludeert dat de moeder een wezenlijk aandeel heeft in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hij verblijft regelmatig bij zijn moeder (elk weekend en de vakanties) en er zijn geen signalen dat dit niet goed verloopt. SAVE en de GI hebben de situatie bij de moeder ook niet nader bekeken en/of onderzocht. De pleegmoeder stelt dat [de minderjarige] altijd zonder problemen is teruggekomen. De moeder heeft sinds het perspectiefbesluit in 2023 veel vooruitgang geboekt en werkt nog steeds aan zichzelf door het volgen van therapieën. Zij is naar een voor haar meer gezonde woonomgeving verhuisd en lijkt voldoende in staat om bij het zorgen voor [de minderjarige] en het nemen van beslissingen de belangen van [de minderjarige] voorop te kunnen stellen en te kunnen afwegen.
Er is dus sprake stabiliteit en acceptatie, ook bij de moeder. Voor het hof staat niet vast dat dit komt door de gezagsbeëindiging sinds juli vorig jaar. Er is namelijk al langere tijd sprake van een stijgende lijn en de GI geeft bovendien maar zeer beperkt invulling aan haar taak als voogd over [de minderjarige] .
4.11.
Een beëindiging van het gezag vormt een grote inbreuk op de rechten en plichten van de moeder en de belangen van [de minderjarige] . Op grond van de huidige omstandigheden is het hof van oordeel dat een beëindiging van het gezag van de moeder geen recht doet aan de feitelijke situatie en dat van de noodzaak voor een dergelijke maatregel onvoldoende is gebleken. Wel is het noodzakelijk voor [de minderjarige] dat hij bij de gezinshuisouder blijft wonen. [de minderjarige] heeft voldoende zekerheid over zijn woonplek en zorgverdeling en dat is in zijn belang.
De beslissing van de rechtbank blijft daarom niet in stand.

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juli 2025 en beslist:
5.2.
wijst het verzoek om het gezag van de moeder te beëindigen alsnog af;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, J.H. Lieber en P.B. Kamminga, en is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:267 lid 2 in Pro combinatie met artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind