Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1263

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.363.088
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 810a lid 2 RvArt. 1:265g lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en wijziging contactregeling minderjarige kinderen

De ouders van twee minderjarige kinderen zijn betrokken bij een procedure over de uithuisplaatsing en contactregeling. De moeder heeft gezag over de kinderen, die sinds maart 2023 in een gezinshuis verblijven onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De rechtbank Midden-Nederland verlengde de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 juni 2026 en wijzigde de contactregeling tussen de moeder en de kinderen. Tevens wees de rechtbank het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek af.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissingen en verzocht het hof om de machtiging tot uithuisplaatsing slechts voor zes maanden toe te wijzen onder aanhouding van het overige en om een deskundige te benoemen. Ook wilde zij dat het hof de wijziging van de contactregeling afwijst. De GI en de vader steunden de beslissingen van de rechtbank, waarbij de vader tevens een uitbreiding van de contactregeling wenste zonder nieuw onderzoek.

Het hof bevestigde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft voor de verzorging en opvoeding van de kinderen en dat de GI terecht de machtiging heeft gekregen. Het hof benadrukte dat uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is met als doel terugkeer naar huis, en dat de GI daaraan moet blijven werken. Het verzoek tot deskundigenonderzoek werd afgewezen omdat het niet relevant was voor de beslissing over de verlenging tot 1 juni 2026.

De gewijzigde contactregeling, waarbij de oudste minderjarige zelf kan bepalen of hij aansluit bij een deel van het contactmoment op zaterdag, werd eveneens bekrachtigd. Het hof vond dit passend bij zijn leeftijd en sociale behoeften. De beschikking van de rechtbank werd daarmee in stand gelaten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en de gewijzigde contactregeling en wijst het verzoek tot deskundigenonderzoek af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.088
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 591377 en 595967
beschikking van 3 maart 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en over het contact tussen [de minderjarige1] en de moeder
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. F. Pool
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht
en
[belanghebbende](de vader)
die verblijft in [woonplaats]

1.Samenvatting

De meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 1 juni 2026. Daarnaast heeft de rechtbank de contactregeling tussen [de minderjarige1] en de moeder gewijzigd en het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten, afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is [in] 2011 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2016 geboren.
2.2.
De moeder heeft het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen staan onder toezicht van de GI en wonen sinds maart 2023 in gezinshuis ‘ [naam] ’ in [plaats] .
2.4.
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 22 januari 2025, hersteld bij beschikking van 20 maart 2025, de volgende contactregeling met de moeder vastgesteld:
  • [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben op woensdagmiddag van 12.30 uur tot 16.30 uur onder begeleiding omgang met de moeder in [plaats] , voor zover het schoolrooster van de kinderen dit toelaat;
  • [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven minimaal een dag per maand onder begeleiding op een
zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de moeder;
  • zodra er een gezinsbuddy beschikbaar is, verblijven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nog een extra dag per maand bij de moeder waarbij de gezinsbuddy het bezoek monitort door een gedeelte van de omgang aanwezig te zijn, en verder op afstand beschikbaar is voor de moeder en/of de kinderen;
  • waarbij de GI de regie voert over deze regeling en deze kan uitbreiden als zij daartoe aanleiding ziet in het belang van de kinderen.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De GI heeft de rechtbank verzocht de kinderen nog langer uit huis te mogen plaatsen. Ook heeft de GI de rechtbank verzocht de contactregeling tussen de moeder en de kinderen te wijzigen en de door de GI verzochte regeling vast te stellen.
3.2.
De rechtbank heeft de verzoeken van de GI toegewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 1 juni 2026 en de contactregeling gewijzigd. Ook heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten, afgewezen.
De rechtbank heeft de volgende contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vastgesteld:
  • [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben eens per twee weken op woensdagmiddag van 12.30 uur uit school tot 16.30 uur onder begeleiding contact met de moeder in [plaats] , voor zover het schoolrooster van de kinderen dit toelaat;
  • [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven minimaal eenmaal per vier weken onder begeleiding op een zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de moeder;
  • [de minderjarige2] verblijft daarnaast ééns per vier weken nogmaals op zaterdag bij de moeder van 10.00 uur tol 19.00 uur, waarbij de GI de regie heeft over de vorm en mate van begeleiding tijdens dit contactmoment. [de minderjarige1] mag zelf kiezen of hij gedurende (een deel van) dit contactmoment wil aansluiten;
  • de GI krijgt de regie om deze contactregeling uit te breiden, bijvoorbeeld met een overnachting, als zij dat in het belang van de kinderen acht;
  • in overleg met de GI wordt gekeken naar mogelijke omgangsmomenten in de vakanties.
3.3.
De rechtbank heeft ook beslist dat de machtiging tot uithuisplaatsing en de gewijzigde contactregeling mogen worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard).
3.4.
Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 30 september 2025.
4. De procedure bij het hof
4.1.
De moeder is het niet eens met de beschikking van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank ongedaan maakt of anders (
subsidiair) het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing toewijst voor de duur van zes maanden onder aanhouding van het overige en een deskundige te benoemen om onderzoek te doen. Zij wil verder dat het hof het verzoek van de GI tot wijziging van de contactregeling, afwijst.
4.2.
De GI wil dat de beslissingen in stand blijven.
4.3.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat hij wil dat de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing in stand blijft. Daarnaast vindt hij dat zou moeten worden onderzocht of de contactregeling kan worden uitgebreid. Hij vindt niet dat er nog een onderzoek moet plaatsvinden, dat is volgens hem te belastend voor de kinderen.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • een journaalbericht namens de moeder van 22 januari 2026
  • het verweerschrift van de GI
  • de brief van de raad van 27 januari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
4.5.
[de minderjarige1] heeft op 2 februari 2026 gesproken met een raadsheer van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de uithuisplaatsing en van de contactregeling. [de minderjarige1] heeft laten weten dat hij de beslissing van het hof van de gezinshuisouders wil horen.
[de minderjarige2] is uitgenodigd om te vertellen wat zij vindt van de uithuisplaatsing. [de minderjarige2] heeft via de GI laten weten dat zij niet zou komen.
4.6.
De zitting bij het hof was op 3 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de vader

5.Het oordeel van het hof

De machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de kinderen in een gezinshuis verblijven. Het hof begrijpt de bestreden beschikking daarom zo dat dat waar in het dictum ‘een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder’ staat, ‘gezinshuis’ is bedoeld.
Wat staat in de wet?
5.2.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De machtiging is terecht aan de GI gegeven, omdat de kinderen nog niet thuis kunnen wonen. De beslissing van de rechtbank zal dan ook in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof vindt ook dat de rechtbank die beslissing onder punten 4.12 en 4.13 van de bestreden beschikking goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg na eigen onderzoek daarom over. Het hof merkt in aanvulling daarop het volgende op.
5.4.
De moeder heeft laten weten dat zij en de GI in een patstelling zijn terechtgekomen omdat de GI niet meer inzet op thuisplaatsing, terwijl de uithuisplaatsing hier wel op gericht dient te zijn. Het hof benadrukt in dat kader dat een uithuisplaatsing een maatregel is die naar zijn aard tijdelijk is [3] . Het doel van deze maatregel is om ervoor te zorgen dat de ouders de verzorging en opvoeding voor de kinderen op termijn weer zelf kunnen dragen. Zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing, is het uitgangspunt dan ook dat er moet worden gewerkt aan thuisplaatsing. Een eventueel door de GI genomen perspectiefbesluit brengt daarin geen verandering. Dat geldt hier temeer waar de rechtbank in de bestreden beschikking heeft overwogen dat het perspectiefbesluit van de GI niet op deugdelijk onderzoek is gebaseerd.
De maatregelen van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing kunnen wel worden benut om de periode van een onderzoek naar, en een beslissing over, een eventuele beëindiging van het gezag te overbruggen. In dat geval is, mede gelet op de aanvaardbare termijn voor de kinderen en de grote gevolgen die de GI in de praktijk aan een perspectiefbesluit verbindt, voortvarendheid geboden. Dat brengt met zich dat de GI een genomen perspectiefbesluit zo snel mogelijk door de raad moet laten toetsen door middel van een verzoek tot onderzoek naar een eventuele beëindiging van het gezag. Hiervan is in deze zaak echter geen sprake geweest.
5.5.
Omdat de GI ervoor heeft gekozen om een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken en niet is gebleken dat deze verlenging is verzocht om de periode van een onderzoek naar en een beslissing over een eventuele beëindiging van het gezag te overbruggen, wordt gelet op het voorgaande van de GI verwacht dat zij, zoals de wet voorschrijft, blijft werken aan een terugkeer van de kinderen naar huis.
Deskundigenonderzoek
Wat staat in de wet?
5.6.
In zaken over de ondertoezichtstelling van kinderen kan de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemen, als dat ook tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind of de kinderen zich daartegen niet verzet. [4] Artikel 810a Rv is niet alleen van toepassing in zaken over de ondertoezichtstelling maar ook in zaken die gaan over de uithuisplaatsing van kinderen. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen.
Hoe oordeelt het hof?
5.7.
Het hof zal geen deskundige benoemen en het
subsidiaireverzoek van de moeder dan ook afwijzen. Uit de toelichting van de moeder op haar verzoek tot het gelasten van een deskundigenonderzoek maakt het hof op dat de moeder wil dat er een gedegen onderzoek komt naar het perspectief van de kinderen. In deze zaak moet het hof echter alleen beoordelen of de kinderen tot 1 juni 2026 in het gezinshuis moeten blijven wonen. Het gevraagde onderzoek naar het perspectief van de kinderen staat hier los van, zodat de uitkomst van het gevraagde onderzoek voor een beslissing in deze zaak niet van belang is en dan ook niet mede tot beslissing van de zaak kan leiden.
De contactregeling tussen [de minderjarige1] en de moeder
Wat staat in de wet?
5.8.
De kinderrechter kan voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een zorgregeling vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is [5] .
Hoe oordeelt het hof?
5.9.
De moeder is het niet eens met de gewijzigde contactregeling voor zover daarin is bepaald dat [de minderjarige1] voortaan zelf mag beslissen of hij op de zaterdag waarop het contact mogelijk deels onbegeleid plaatsvindt wil aansluiten bij het contact tussen de moeder en [de minderjarige2] .
5.10.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde contactregeling het meest in het belang van [de minderjarige1] is. Het hof vindt ook dat de rechtbank die beslissing onder punt 4.19 van de bestreden beschikking goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg na eigen onderzoek daarom over. Het hof merkt in aanvulling daarop het volgende op.
5.11.
Het hof vindt het passend bij de leeftijd van [de minderjarige1] dat hij zijn weekenden (gedeeltelijk) zelf kan inrichten. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige1] is het immers te verwachten dat hij in weekenden ook tijd in (de buurt van) het gezinshuis zal willen doorbrengen om eigen sociale activiteiten te ondernemen, zoals het afspreken met vrienden van school.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 september 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , met dien verstande dat waar in het dictum van die beschikking gesproken wordt over ‘een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder’ het hof dit begrijpt als ‘gezinshuis’;
6.2.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 september 2025 over het contact tussen [de minderjarige1] en de moeder;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, E. de Boer en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.
3.zie ECLI:HR:2023:1148 r.o.v. 3.3.4 en Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 8-11, 23.
4.artikel 810a lid 2 Rv.
5.artikel 1:265g lid 1 BW.