ECLI:NL:GHARL:2026:1261

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.358.695
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag wegens negatieve communicatie tussen ouders

De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2018. De moeder heeft het gezag en het kind woont bij haar. De vader verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag, maar dit verzoek werd afgewezen. De vader ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

Het hof verwijst naar de eerdere beschikkingen van de rechtbank en baseert zich op het juridisch kader van artikel 1:253c lid 1 en 2 BW. Uit onderzoek blijkt dat er sprake is geweest van geweld, dreigingen en een onveilige situatie tussen de ouders, wat het kind belast. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling adviseerden dat gezamenlijk gezag de ongezonde dynamiek zou versterken.

Hoewel er enige stabiliteit was, is de communicatie tussen de ouders recentelijk weer verslechterd. De ouders zijn niet in staat om gezamenlijk op een verantwoorde wijze het gezag uit te oefenen. Het hof concludeert dat het belang van het kind prevaleert en bekrachtigt de bestreden beschikking, waarbij het verzoek van de vader wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag te verkrijgen wordt afgewezen vanwege aanhoudende communicatieproblemen en onveilige dynamiek tussen de ouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.695
(zaaknummer rechtbank Gelderland 441720)
beschikking van 3 maart 2026
inzake
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.E. Mulder,
en
[verweerster],
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.P. ter Linden.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
verder te noemen: GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 december 2024 en 2 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 2 juni 2025 zal verder ook worden genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 1 september 2025;
- het verweerschrift.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 februari 2026 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
  • de vader en zijn advocaat;
  • de moeder en haar advocaat (en de persoonlijk begeleider van moeder als toehoorder);
  • een vertegenwoordiger namens de GI.
  • een vertegenwoordiger namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van: [de minderjarige] , geboren [in] 2018 in [plaats1] .
3.2
De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder heeft het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en [de minderjarige] woont bij de moeder.
3.3
[de minderjarige] is sinds 3 maart 2025 door de kinderrechter onder toezicht gesteld van de GI.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om hem samen met de moeder het gezag over [de minderjarige] te belasten, afgewezen. Verder heeft de rechtbank in deze beschikking een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld.
4.2
De vader is het niet eens met de beslissing over het gezag en komt daarom in hoger beroep.
Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat hij voortaan samen met de moeder het gezag over [de minderjarige] heeft.
4.3
De moeder voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

5.De motivering van de beslissing

juridisch kader
5.1
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
oordeel hof
5.2
Het hof is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met gezag te belasten wordt afgewezen. Het hof verwijst naar de motivering van de rechtbank in de bestreden beschikking, neemt deze na eigen onderzoek over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.
5.3
Vast staat dat sprake is geweest van geweld, dreigingen en onveiligheid tussen de ouders en dat [de minderjarige] daarmee door de ouders is belast. De raad heeft onderzoek verricht en de rechtbank geadviseerd in een rapport van 5 februari 2025. Volgens de raad was nog steeds sprake van een ongezonde situatie tussen de ouders die vatbaar is voor escalaties. Gezamenlijk gezag zal volgens de raad de ongezonde dynamiek tussen de ouders nog meer in de hand werken en dat is niet in het belang van [de minderjarige] .
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat sinds enkele maanden sprake is van een stabielere situatie waarbij de ouders beter in contact met elkaar en de hulpverlening zijn, maar dat die situatie nog erg pril is.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de jeugdbeschermer van de GI meegedeeld dat de ruis in de communicatie tussen de ouders sinds oktober 2025 weer is toegenomen. De ouders benaderen hem weer regelmatig met problemen over de uitvoering van de omgang en hebben dan beiden een heel ander verhaal. De ouders communiceren heel veel met elkaar en een beperkt deel daarvan wordt met hem gedeeld. Dit maakt dat de jeugdbeschermer vaak niet precies weet hoe het zit. Voor de jeugdbeschermer staat het belang van [de minderjarige] in het overleg met de ouders voorop.
Verder heeft de jeugdbeschermer toegelicht dat de ouders waren aangemeld voor het traject Parallel Solo Ouderschap, maar na de intake heeft de hulpverlenende instantie aangegeven dat het traject niet kan worden ingezet omdat er nog teveel speelt tussen de ouders en er nog teveel onrust is.
De vertegenwoordiger van de raad heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof opgemerkt dat de ouders los van elkaar beiden in staat zijn om voor [de minderjarige] te zorgen, maar samen zitten zij elkaar in de weg. De ouders moeten eerst gaan werken aan hun negatieve communicatiepatronen en leren kijken naar hun eigen aandeel in plaats van te wijzen naar de andere ouder.
5.4
Het hof stelt vast dat de communicatieproblemen en de ongezonde dynamiek tussen de ouders dus niet zijn verminderd. [de minderjarige] is een kwetsbaar meisje met ontwikkelingsproblematiek. Voorkomen moet worden dat zij onnodig wordt belast met de problemen en het impulsieve gedrag tussen haar ouders. Het hof acht de ouders niet in staat om op een verantwoorde gezamenlijk invulling te geven aan het gezag en [de minderjarige] samen te verzorgen en op te voeden.
Dat er geen zorgen in de thuissituatie bij beide ouders naar voren zijn gekomen, dat [de minderjarige] en de vader een uitgebreide omgang hebben en dat de vader net als de moeder een betrokken ouder is, maakt dit niet anders.
5.5
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de vader. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 2 juni 2025, ten aanzien van de beslissing over het gezag;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, P.B. Kamminga en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door de griffier, en is op 3 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.