ECLI:NL:GHARL:2026:126

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
21-000880-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake seksueel misbruik van minderjarige neef

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte is beschuldigd van het seksueel misbruiken van zijn minderjarige neefje gedurende een periode van zeven jaar. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan drie verschillende feiten van seksueel misbruik, waarbij het neefje op het moment van de misdragingen nog minderjarig was. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en had een schadevergoeding van € 6.500,00 aan de benadeelde partij toegewezen. Het hof heeft deze straf bevestigd, maar heeft de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen. Het hof heeft in zijn overwegingen rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en de impact van de misdragingen op het slachtoffer. De verdachte heeft tijdens de zittingen zijn spijt betuigd en verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Het hof heeft de gevangenisstraf als passend en geboden beschouwd, gezien de aard van de feiten en de gevolgen voor het slachtoffer. De wettelijke rente over de schadevergoeding is vastgesteld op 15 april 2023.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000880-25
Uitspraakdatum: 12 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 12 februari 2025 met parketnummer 16-086178-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 29 december 2025 is besproken, en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot de bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. N. Hannaart, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. F.H. van der Pol, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 12 februari 2025 verdachte veroordeeld voor hetgeen aan hem is ten laste gelegd onder 1 primair, 2 en 3 tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toegewezen, bestaande uit een bedrag van € 6.500,00 aan immateriële schade. Deze vordering is vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank heeft ter hoogte van datzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1. primairhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [geboortedatum 2] tot 1 september 2016 in de [gemeente] , met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde partij] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van [benadeelde partij] ;
1. subsidiairhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [geboortedatum 2] tot 1 september 2016 in de [gemeente] met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het laten likken van zijn, verdachtes, penis door [benadeelde partij] dan wel zijn, verdachtes, penis tegen de tong van [benadeelde partij] gehouden;
2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 juli 2020 tot 12 juli 2021 in de [gemeente] , met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van en/of knijpen in de penis van [benadeelde partij] ;
3.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot 15 april 2023 in de [gemeente] , opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, [benadeelde partij] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een video, waarop te zien is dat die [benadeelde partij] naakt is en/of het ontblote geslachtsdeel van die [benadeelde partij] te zien is, heeft vervaardigd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Verdachte heeft bekend dat hij hetgeen aan hem is ten laste gelegd onder 1 primair, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierna blijkt uit de bewezenverklaring. Het hof volstaat, op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen zonder de inhoud ervan te weergeven.
Ten aanzien van feit 1
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2023, opgenomen op pagina 65 e.v. van het dossier van de Politie Eenheid Midden-Nederland met nummer 2023184144 (onderzoek CLUN / MDRBC24009) d.d. 14 maart 2024, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij] ;
De verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 januari 2025.

Ten aanzien van feit 2

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2023, opgenomen op pagina 65 e.v. van het dossier van de Politie Eenheid Midden-Nederland met nummer 2023184144 (onderzoek CLUN / MDRBC24009) d.d. 14 maart 2024, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij] ;
Een schriftelijk bescheid, te weten een WhatsApp-gesprek tussen verdachte en de vader van aangever, [aangever] , opgenomen als bijlage bij de aangifte van [benadeelde partij] op pagina 83 e.v. van het dossier van de Politie Eenheid Midden-Nederland met nummer 2023184144 (onderzoek CLUN / MDRBC24009) d.d. 14 maart 2024;
De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 29 december 2025.
Ten aanzien van feit 3
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2023, opgenomen op pagina 65 e.v. van het dossier van de Politie Eenheid Midden-Nederland met nummer 2023184144 (onderzoek CLUN / MDRBC24009) d.d. 14 maart 2024, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij] ;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van de Politie Eenheid Midden-Nederland met nummer 2023184144 (onderzoek CLUN / MDRBC24009) d.d. 14 maart 2024, inhoudend als relaas van [verbalisant] ;
De verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 januari 2025.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primairhij in de periode van [geboortedatum 2] tot 1 september 2016 in de [gemeente] , met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een handeling heeft gepleegd, die bestond uit of mede bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde partij] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van [benadeelde partij] ;
2.hij in de periode van 12 juli 2020 tot 12 juli 2021 in de [gemeente] , met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van en knijpen in de penis van [benadeelde partij] ;
3.hij in de periode van 1 april 2023 tot 15 april 2023 in de [gemeente] , opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, [benadeelde partij] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een video, waarop te zien is dat die [benadeelde partij] naakt is en het ontblote geslachtsdeel van die [benadeelde partij] te zien is, heeft vervaardigd.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon een afbeelding van seksuele aard vervaardigen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf. Deze straf komt volgens de verdediging voldoende tegemoet aan de strafdoelen van het rechtssysteem. Daarbij komt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevolgen zal hebben voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging verzocht aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan één dag, dan wel korter dan de door de rechtbank opgelegde twee maanden.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een periode van ongeveer zeven jaren drie maal schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn minderjarige neefje. In het jaar 2016 heeft verdachte zijn geslachtsdeel in de mond van zijn neefje gebracht. Zijn neefje was destijds tien jaar oud. Vier jaren later, in de periode van 2020 en 2021, heeft verdachte het geslachtsdeel van zijn neefje betast en in het geslachtsdeel van zijn neefje geknepen. Zijn neefje was destijds veertien jaar oud. Drie jaren later, in het jaar 2023, heeft verdachte heimelijk een videopname gemaakt van zijn neefje terwijl hij aan het douchen was. Zijn neefje was destijds zestien jaar oud. Verdachte bouwde, naar eigen zeggen, de seksuele handelingen op zodat hij, op een voor hem veilige manier, kon experimenteren. Verdachte was tijdens het plegen van onderhavige feiten meerderjarig. Daarbij komt dat tussen het plegen van de zedenfeiten telkens een tussenpoos zat van een aantal jaren.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksuele delicten, zeker als het gaat om jonge kinderen, zo niet blijvende dan toch zeer langdurige en ernstige schade kunnen ondervinden van wat hun is aangedaan. Het misbruik heeft plaatsgevonden binnen de familiesfeer. Verdachte heeft het vertrouwen dat zijn neefje in hem mocht stellen en de veiligheid die hij van hem mocht verwachten op ernstige wijze beschaamd. Het slachtoffer vertrouwde verdachte en kwam graag bij zijn familie over de vloer. Hij zag verdachte als een grote broer. Het slachtoffer durfde al die jaren niets te zeggen omdat hij bang was dat het invloed zou hebben op de familiebanden. Ook was hij bang dat niemand hem zou geloven. Uit de aangifte en de slachtofferverklaring blijkt dat het handelen van verdachte een grote impact op het slachtoffer heeft gehad.
In hoger beroep heeft verdachte (verdere) openheid van zaken gegeven en zijn spijt betuigd richting het slachtoffer. Verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en benadrukt dat het slachtoffer niets te verwijten valt.
Justitiële documentatie (strafblad)
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van verdachte van 24 november 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Persoon van verdachte
Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte naar voren zijn gebracht en zoals deze ook blijken uit het dossier en het reclasseringsadvies van 19 juni 2024. Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij momenteel werkzaam is binnen de IT-consultancybranche. Hij heeft een eigen koopwoning en een partner. In december 2023 is hij aan een zelf geïnitieerd behandeltraject begonnen bij [psychiatrie centrum] . Hier heeft hij vijfentachtig gesprekken gevoerd, onder andere gericht op het wegblijven en begrijpen van grensoverschrijdend gedrag. Uit voornoemd reclasseringsadvies blijkt dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag.
Strafoplegging
Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer passend en geboden is. Bijzondere omstandigheden die tot een andere strafmodaliteit moeten leiden, acht het hof niet aanwezig. Wel ziet het hof aanleiding om een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het zelf geïnitieerde behandeltraject bij [psychiatrie centrum] .
Rekening houdend met het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof, evenals de rechtbank, een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Een afdoening als door de verdediging verzocht miskent de aard en ernst van het bewezenverklaarde.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft bij de rechtbank een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 6.500,00, bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bezwaar tegen de toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. Verdachte ziet in dat zijn handelen gevolgen heeft (gehad) voor het slachtoffer en heeft verklaard bereid te zijn de gevorderde schadevergoeding te voldoen.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek op de zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Daarom komt de benadeelde partij voor vergoeding van immateriële schade, ook wel ‘smartengeld’ genoemd, in aanmerking. Op de zitting is namens de benadeelde partij meegedeeld dat het bewezenverklaarde handelen van verdachte nog steeds impact op hem heeft.
Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 6.500,00. Bij de begroting van die schade heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte gemaakte verwijt laten meewegen, en voorts gelet op de bedragen die de Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door Nederlandse rechters is verwezen bij de vaststelling en begroting van immateriële schade.
Wettelijke rente
Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade bepalen op 15 april 2023.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 139h, 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 57 (zevenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 april 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. M.C. van Linde en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. S.A. van der Zwaag en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 januari 2026.