Partijen zijn in 1977 gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen en zijn in 2025 gescheiden. De rechtbank had het huurrecht van de woning aan de man toegekend en de echtscheiding uitgesproken. De vrouw ging in hoger beroep tegen de toekenning van het huurrecht en de verdeling van de gemeenschap.
Het hof heeft het huurrecht aan de man bevestigd, omdat zijn behoefte aan structuur en rust door zijn niet-aangeboren hersenletsel en de aanwezigheid van een werkplaats bij de woning zwaarder wegen dan de belangen van de vrouw, die fysieke klachten heeft maar volgens het hof ook elders voorzieningen kan treffen. De vrouw kon onvoldoende aantonen dat zij economisch gebonden is aan de woning.
De verdeling van de huwelijksgemeenschap is vastgesteld: de auto wordt aan de man toegekend met een vergoeding aan de vrouw, de zeilboot wordt verkocht en de opbrengst gedeeld, de sloep en trailer gaan naar de man, de fietsen worden verdeeld zonder verrekening, en de lijfrentepolis wordt gesplitst of aan de man toegekend met verrekening. De vrouw heeft een vergoedingsrecht van €4.231,22 wegens een erfenis met uitsluitingsclausule. Verder moet de man €1.575,76 aan de vrouw betalen voor kosten van de huishouding. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.