ECLI:NL:GHARL:2026:1234

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
21-000112-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 onder B OpiumwetArt. 11 derde en vijfde lid Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel hennepteelt

In deze ontnemingszaak heeft het hof het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland die het wederrechtelijk verkregen voordeel had vastgesteld op €160.000,00. Het hof komt tot een ander oordeel en stelt het voordeel vast op €67.497,07, gebaseerd op één oogst hennepteelt in een pand te [plaats 1].

De verdachte was onderdeel van een criminele organisatie gericht op grootschalige hennepteelt en vervulde een essentiële rol als exploitant. Het hof neemt het ontnemingsrapport als uitgangspunt en verwerpt de door de verdediging aangevoerde kostenverweren wegens onvoldoende onderbouwing. De opbrengst van de tweede oogst en van een kwekerij in [plaats 2] wordt niet aan de verdachte toegerekend vanwege zijn afwezigheid.

De betalingsverplichting aan de Staat wordt opgelegd voor het vastgestelde bedrag. Het hof wijst het verzoek van de verdediging af om de zaak aan te houden voor een schriftelijke ronde, omdat voldoende gelegenheid tot voorbereiding is geweest en geen nieuwe feiten zijn aangevoerd. De duur van de gijzeling wordt vastgesteld op maximaal 674 dagen.

De uitspraak is gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden op 3 maart 2026, waarbij het eerdere vonnis wordt vernietigd en opnieuw recht wordt gedaan.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €67.497,07 en legt de betalingsverplichting aan de Staat op, met afwijzing van het aanhoudingsverzoek.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000112-20
Uitspraakdatum: 3 maart 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad , van 31 december 2019 met parketnummer 16-659224-18 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
Hoger beroep
[verdachte] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij deze beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 20 januari 2026 en 3 maart 2026 en wat op de zittingen bij de rechtbank Midden-Nederland besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 80.000,00 en oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. A.J. Horenblas, hebben aangevoerd.
De beslissing waarvan beroep
De rechtbank heeft bij beslissing van 31 december 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op een bedrag van € 160.000,00 en is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
Het hof komt tot een ander oordeel en zal de beslissing vernietigen. Het hof doet opnieuw recht.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel op € 789.69,53 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep gevorderd dat het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 80.000,00 en dat in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat aan [verdachte] moet worden opgelegd. De advocaat-generaal is daarbij uitgegaan van een opbrengst per oogst van € 80.000,00 zoals ook weergegeven in de beslissing van de rechtbank. Hoewel de advocaat-generaal van oordeel is dat [verdachte] zowel bij de hennepkwekerij in [plaats 1] als de hennepkwekerij in [plaats 2] als medepleger betrokken is geweest, acht hij het aannemelijk dat [verdachte] na zijn vertrek vanaf 18 december 2017 niet heeft meegedeeld in de opbrengst van de kwekerij in [plaats 2] .
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit de ontnemingsvordering af te wijzen vanwege de in de strafzaak bepleite vrijspraken. [verdachte] heeft gedeeld in 1 oogst in [plaats 1] , maar heeft geïnvesteerd in de opbouw van de locaties in [plaats 1] en [plaats 2] . De kosten zijn veel hoger dan waar het OM rekening mee houdt. Alle opstartkosten zijn niet meegenomen in de berekening en de kosten zijn ten onrechte niet geconcretiseerd. Subsidiair verzoekt de verdediging om een aanhouding en om uitwisseling van een schriftelijke ronde, meer subsidiair voert de verdediging aan dat [verdachte] niet meer bij de kwekerij in [plaats 1] betrokken was ten tijde van een tweede oogst vanwege zijn verdwijning vanaf 18 december 2017. De hennepkwekerij in [plaats 2] was toen nog niet in werking, zodat [verdachte] ook niet heeft meegedeeld in een oogst met betrekking tot [plaats 2] . Door het OM zijn de effecten van het gebruik van CO2-burners overschat, zijn de knipkosten ten onrechte niet concreet berekend (aan de hand van de verklaring van [medeverdachte 1] ) op € 6,86 per plant, en zijn de kosten van de stekken en de huurkosten te laag ingeschat en de variabele kosten per plant en afschrijvingskosten onjuist vastgesteld.

Grondslag

[verdachte] is bij arrest van dit hof van 3 maart 2026 (parketnummer 21-000111-20) veroordeeld tot straf voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod op een locatie in [plaats 1] (feit 1 primair) en [plaats 2] (feit 2 primair) en het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet (feit 3).
Het hof komt aan de hand van de in genoemd arrest vermelde bewijsmiddelen en de uitgangspunten zoals weergegeven in het hierna genoemde ontnemingsrapport tot het oordeel dat [verdachte] uit het bewezenverklaarde handelen (feit 1 primair en feit 3) financieel voordeel heeft verkregen. [1]
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof neemt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt het rapport “berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” (hierna: het ontnemingsrapport) met betrekking tot de locatie aan de [straat 1] te [plaats 1] . [2] Het hof ziet geen grond voor het meenemen van de (overigens niet gestelde) opstartkosten in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor het overige zijn de verweren van de verdediging onvoldoende onderbouwd.
Voor zover de verdediging daarbij knipkosten heeft becijferd (mede) aan de hand van de door medeverdachte [medeverdachte 1] aangegeven verdiensten voor haar knipwerk, overweegt het hof dat de herkomst en de precieze hoeveelheid van het door [medeverdachte 1] (en 4 andere vrouwen) te knippen materiaal onvoldoende concreet uit die verklaring blijkt. De door de verdediging aldus gegeven onderbouwing van het verweer acht het hof onvoldoende om van de aannemelijkheid van het door de verdediging gestelde bedrag uit te kunnen gaan.
Voor de overigens door de verdediging becijferde kosten geldt dat ook daarvan de onderbouwing onvoldoende is nu kwitanties of bewijzen van betaling van de door de verdediging opgevoerde kosten ontbreken. Ook een concrete onderbouwing van de door [verdachte] gehanteerde vuistregel van 400 gram hennep per lamp, bij 12 planten per lamp, in het licht van de door de verdediging begrote meeropbrengst van CO2-burners ontbeert elke objectieve onderbouwing.
Een en ander klemt te meer nu [verdachte] zich bij zijn verhoren voor het allergrootste deel op zijn zwijgrecht heeft beroepen.
Al met al ziet het hof geen aanleiding om niet van de in het ontnemingsrapport genoemde normbedragen uit te gaan.
[straat 1] [plaats 1]
Op 9 februari 2018 is in het pand gelegen aan de [straat 1] te [plaats 1] een hennepkwekerij met daarin minimaal 1531 hennepplanten aangetroffen. [3] Met ingang van 1 september 2017 is het bedrijfspand verhuurd. Dit betreft een periode van 161 dagen, zijnde 23 weken. [4] Rekening houdend met een periode voor het bouwen van de hennepkwekerij
is aannemelijk dat sprake is van 2 eerdere oogsten. [5]
Met betrekking tot de kwekerij is gebleken van feiten en omstandigheden die duiden op 2 gerealiseerde oogsten:
  • Bij het kweken van de hennepplanten is gebruik gemaakt van CO2 toepassing. Hierdoor wordt de kweekperiode bekort met twee weken en zou de opbrengst in gewicht met 20% tot 40% toenemen. In het voordeel van [verdachte] is uitgegaan van een meeropbrengst van 20%.
  • In de kweekruimte werd een aparte ruimte aangetroffen, alwaar op dat moment 362 afgeknipte hennepplanten werden gedroogd.
  • Op verschillende kweekmaterialen werden productiedata aangetroffen, zoals mei/ juli 2017.
  • Uit onderzoek bleek dat de sandwichpanelen waarmee de kweekruimte was gebouwd reeds op 21 juli 2017 waren afgeleverd op de [straat 1] te [plaats 1] .
 Door [getuigen] [7] [getuigen] [8] is waargenomen dat vanaf de zomer van 2017 bedrijvigheid heeft plaatsgevonden aan de [straat 1] te [plaats 1] .
  • Bij onderzoek in de bedrijfsauto van [verdachte] werd een document aangetroffen met daarop aantekeningen betreffende oogsten, knippen en drogen van ‘hok 1, 2, 3 en 4’. Op dit document is te zien dat hok 1 is geoogst op 10 januari, hok 2 op 17 januari, hok 3 op 24 januari en hok 4 op 31 januari 2018.
  • Getuige [medeverdachte 1] verklaarde in haar verhoor dat zij in het bedrijfspand aan de [straat 1] te [plaats 1] gedurende 6 dagen hennepplanten had geknipt. Zij had daar nog meer vrouwen gezien die eveneens hennepplanten aan het knippen waren.
Bruto opbrengst
In de kwekerij stonden minimaal 1531 hennepplanten. Per m2 stonden er 12 hennepplanten. Deze hennepplanten werden gekweekt in kweekbakken in 4 kweekruimten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is per kweekruimte berekend. De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport bedraagt dit
€ 4.070,00 per kilogram. [10]
Kweekruimte
Totaal aantal planten
Opbrengst in grammen
1
374
11070
2
375
11100
3
397
11751
4
385
11396
Totaal
1531 planten
45317 gram
In de kweekruimte(n) werd gebruik gemaakt van het kunstmatig toevoegen van CO2 met gebruik van watergekoelde airconditioners, ook wel het CO2 Climate System genoemd. Naast een kortere kweekperiode kan door CO2 toepassing 20% tot 40% meer opbrengst in gewicht worden gegenereerd. In het voordeel van [verdachte] is uitgegaan van een meeropbrengst van 20%.
Het totale gewicht per oogst bedraagt 45.317 gram + 9.063 gram (20% meeropbrengst door toepassing CO2) = 54.380 gram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt 54.380 gram x € 4,07 per gram = € 221.326,60. [11]
Kosten
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken
hennepkwekerij zijn op basis van het rapport als volgt [12] :
Afschrijvingskosten
Volgens tabel
€ 1.000,00
Hennepstekken
Hoeveelheid planten per oogst x € 3,81
€ 5.833,11
Variabele kosten
Hoeveelheid planten per oogst x € 3,88
€ 5.940,28
Kosten knippers
€ 2,00 per plant per oogst
€ 3.062,00
Huisvestingskosten
Per oogst
€ 3.000,00
Totaal aan kosten
€ 18.835,39
De totale kosten per oogst bedragen € 18.835,39. Het hof zal het bedrag van € 18.853,39 in mindering brengen op de totale bruto opbrengst.
Het hof gaat uit van twee oogsten. Echter, in navolging van de verdediging gaat het hof ervan uit dat de opbrengst van de tweede oogst in [plaats 1] niet met [verdachte] is gedeeld. De verklaring van [verdachte] ter zitting daarover vindt steun in het dossier. Daaruit volgt namelijk dat [verdachte] sinds 18 december 2017 is vertrokken en is vermist en eerst op 18 januari 2018 door de politie in zijn werkbus is aangetroffen. Niet is gebleken dat [verdachte] nadien bemoeienis heeft gehad met de hennepkwekerij in [plaats 1] en/of de criminele organisatie. Het hof acht aannemelijk dat [verdachte] vanwege zijn afwezigheid en de omstandigheden waaronder hij destijds is aangetroffen niet heeft meegedeeld in de opbrengst van de tweede oogst van de kwekerij in [plaats 1] (in fasen) ongeveer vanaf 10 januari 2018.
[straat 2] [plaats 2]
Hoewel [verdachte] als medepleger betrokken is geweest bij de hennepkwekerij aan de [straat 2] te [plaats 2] gaat het hof er met de advocaat-generaal en de verdediging eveneens vanuit dat, [verdachte] om dezelfde reden niet heeft meegedeeld in de opbrengst uit die kwekerij. Uit de verklaring van [verdachte] ter zitting en uit het dossier volgt dat [verdachte] sinds 18 december 2017 is vertrokken en is vermist. Er is pas nadien geoogst in [plaats 2] . Niet is gebleken dat [verdachte] , nadat hij op 18 januari 2018 door de politie is aangetroffen, bemoeienis heeft gehad met de hennepkwekerij in [plaats 2] en/of de criminele organisatie. Het hof gaat er dus vanuit dat [verdachte] geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit het telen van hennep op de locatie in [plaats 2] .
Conclusie en schatting omvang wederrechtelijk verkregen voordeel [plaats 1]
De totale bruto opbrengst voor één oogst voor het pand in [plaats 1] bedraagt
€ 221.326,60 – de totale kosten van € 18.835,39 = € 202.491,21. Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor één oogst in [plaats 1] bedraagt € 202.491,21.
Het hof houdt in de strafzaak [verdachte] samen met anderen verantwoordelijk voor het grootschalig telen van hennep in [plaats 1] , terwijl voorts sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband in de vorm van een criminele organisatie met (kort gezegd) het oogmerk van grootschalige hennepteelt. [verdachte] vervulde daarbij een essentiële rol. Als meer personen betrokken zijn bij hetzelfde feitencomplex, heeft als uitgangspunt te gelden dat eenieder daadwerkelijk voordeel heeft genoten. In beginsel wordt dat voordeel pondspondsgewijs verdeeld in het geval waarin niet is gebleken van aanwijzingen voor een andere verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof stelt vast, dat [verdachte] en zijn mededaders geen inzicht hebben gegeven in de verdeling van het uit de hennepteelt in [plaats 1] verkregen voordeel.
Het hof gaat ervan uit dat [verdachte] samen met mededader [medeverdachte 2] investeringen heeft gedaan in de kwekerij in [plaats 1] . Het hof leidt dat onder meer af uit een in de werkbus van [verdachte] aangetroffen handgeschreven aantekening (Bijlage 11 van het proces-verbaal van bevindingen): ‘Project 1 +/- 12.000 % 2 [alias 1] = +/- 6.000’. [13] Gelet op alle overige in het arrest in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien begrijpt het hof dat met [alias 3] mededader [medeverdachte 2] is bedoeld en dat met [alias 2] [verdachte] is bedoeld. Nu zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] (ook overigens) een essentiële rol hebben vervuld bij de hennepkwekerij in [plaats 1] en zij hebben meegedeeld in investeringen ten behoeve van die kwekerij is het aannemelijk dat zij hebben meegedeeld in de opbrengst.
Het hof neemt echter – in het voordeel van [medeverdachte 2] en [verdachte] – het volgende in aanmerking. Door het hof is eveneens bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie met het oogmerk (kort gezegd) van grootschalige hennepteelt, waarbij naast [medeverdachte 2] en [verdachte] onder meer ook [medeverdachte 3] is betrokken. Het hof neemt tot uitgangspunt dat het de deelnemer aan een criminele organisatie erom te doen is om mee te delen in de opbrengst van die organisatie. Bij een criminele organisatie is in de regel sprake van een onderlinge hiërarchische verhouding, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen betrokkenen die hand- en spandiensten of werkzaamheden verrichten, exploitanten en (een) leidinggevende(n). Het hof duidt de rol van [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de hennepkwekerij in [plaats 1] als exploitanten en de rol van [medeverdachte 3] als leidinggevende.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de opbrengst van de eerste oogst in [plaats 1] niet enkel is gedeeld tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , maar ook met [medeverdachte 3] .
Het hof zal het bedrag van € 202.491,21 daarom delen door 3 ( [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) = € 67.497,07. Het hof acht aannemelijk dat [verdachte] € 67.497,07 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten voor één oogst in het pand in [plaats 1] .
[verdachte] heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij de opbrengst van de eerste oogst in [plaats 1] geheel zou hebben geïnvesteerd in de bouw van de nieuwe kwekerij in [plaats 2] , zodat hij geen opbrengst heeft overgehouden. De omstandigheid dat [verdachte] al dan niet de opbrengst uit de hennepteelt in [plaats 1] heeft geïnvesteerd in een nieuwe kwekerij brengt echter nog niet met zich dat hij geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Zijn vermogen is immers op enig moment vermeerderd geweest. Wat [verdachte] vervolgens daarmee doet, is niet relevant voor de vraag of het aannemelijk is dat [verdachte] op een bepaald moment financieel voordeel heeft gehad. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof constateert dat de redelijke termijn voor afdoening van de ontnemingszaak in eerste aanleg niet is overschreden. In hoger beroep is die termijn wel fors overschreden met vier jaren en één maand. Het hof heeft in de strafzaak aan die overschrijding van de redelijke termijn gevolgen verbonden. Nu de overschrijding van de redelijke termijn bij de strafoplegging in de strafzaak reeds is verdisconteerd, ziet het hof geen aanleiding om de betalingsverplichting op die grond naar beneden bij te stellen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het door [verdachte] te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Aan [verdachte] dient daarom ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 67.497,07
.
Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op de maximale duur van ten hoogste 674 dagen.
Afwijzing aanhoudingsverzoek
De raadsman heeft op de zitting in hoger beroep bepleit, in het geval het hof de ontnemingsvordering niet afwijst, om uitwisseling van standpunten in een schriftelijke ronde. Volgens de verdediging doet de berekeningsmethode van het openbaar ministerie geen recht aan de werkelijke situatie en is de analyse van de verdediging op dit punt nog niet compleet.
De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen toewijzing van het aanhoudingsverzoek.
Het hof stelt vast dat de verdediging gezien het aanzienlijke tijdsverloop van de procedure in hoger beroep uitgebreid de gelegenheid heeft gehad om zich voor te bereiden op de ontnemingsvordering. Het hof heeft kostbare zittingstijd en -ruimte gereserveerd voor de behandeling van deze zaak. In hoger beroep zijn er geen nieuwe stukken of omstandigheden naar voren gekomen die maken dat een herberekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden gemaakt. In dit stadium mag van de verdediging een meer uitgewerkte onderbouwing worden verlangd, mede gezien het belang van tijdige en voortvarende afdoening van de zaak. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en acht een nadere schriftelijke ronde niet noodzakelijk. Het hof wijst het aanhoudingsverzoek daarom af.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
67.497,07 (zevenenzestigduizend vierhonderdzevenennegentig euro en zeven cent).
Legt [verdachte] de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 67.497,07 (zevenenzestigduizend vierhonderdzevenennegentig euro en zeven cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 674 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. F.E.J. Goffin en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal van 21 januari 2019, genummerd PL0900-2018037426 en PL0900-2018071341, opgemaakt door politie Midden-Nederland, Dienst Regionale Recherche, doorgenummerd 1 tot en met 2419. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Pagina 730-738.
3.Pagina 731.
4.Pagina 733.
5.Pagina 733.
6.Pagina 732-735.
7.Pagina 57.
8.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] door de rechter-commissaris van 11 juli 2019, blad 2.
9.Pagina 2.182 - 2.184.
10.Pagina 732
11.Pagina 734 en 735.
12.Pagina 734.
13.Pagina 37.