ECLI:NL:GHARL:2026:1231

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
21-000198-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel hennepteelt

In deze ontnemingszaak heeft het hof het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en opnieuw recht gedaan. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €160.000,00, terwijl het hof dit bedrag herziet naar €168.742,67.

Verdachte was onderdeel van een criminele organisatie die grootschalige hennepteelt exploiteerde. Het hof baseert zijn oordeel op het ontnemingsrapport en diverse bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen en documenten. Er zijn twee oogsten vastgesteld in een pand te [plaats], waarbij de opbrengst en kosten nauwkeurig zijn berekend. De opbrengst is verdeeld over drie betrokkenen bij de eerste oogst en twee bij de tweede oogst, waarbij de rol van verdachte als exploitant is meegewogen.

De verdediging voerde aan dat verdachte niet betrokken was bij de kwekerijen, maar het hof achtte zijn rol als medeplichtige bewezen. De betalingsverplichting aan de Staat is opgelegd voor het vastgestelde bedrag, met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen. De redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, maar dit is reeds verdisconteerd in de strafzaak.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €168.742,67 en legt de betalingsverplichting aan de Staat op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000198-20
Uitspraakdatum: 3 maart 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad , van 31 december 2019 met parketnummer 16-659264-18 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
hierna: [verdachte] .
Hoger beroep
[verdachte] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij deze beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 20 januari 2026 en 3 maart 2026 en wat op de zittingen bij de rechtbank Midden-Nederland besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 15.000,00 en oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. B.C.M. Sprenger, hebben aangevoerd.
De beslissing waarvan beroep
De rechtbank heeft bij beslissing van 31 december 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 160.000,00 en is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
Het hof komt tot een ander oordeel en zal de beslissing vernietigen. Het hof doet opnieuw recht.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel op € 789.69,53 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep gevorderd dat het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 15.000,00 en dat in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat aan [verdachte] moet worden opgelegd. De advocaat-generaal gaat ervan uit dat [verdachte] medeplichtig is geweest aan het telen van hennep in [plaats] en dat [verdachte] niet strafrechtelijk betrokken is bij de hennepkwekerij in [plaats2] . Gelet op de beperkte rol van [verdachte] als medeplichtige moet het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag dan berekend in het ontnemingsrapport worden vastgesteld. De advocaat-generaal vergelijkt de rol van [verdachte] met de rol van medeveroordeelde [medeverdachte] , die heeft verklaard dat afgesproken is dat hij een bedrag van € 15.000,00 voor de werkzaamheden zou ontvangen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit de ontnemingsvordering af te wijzen omdat [verdachte] niet betrokken is geweest bij de hennepkwekerijen. Subsidiair dient de ontnemingsvordering volgens de raadsman te worden gematigd. Ten aanzien van de locatie in [plaats2] is pas vanaf 1 december 2017 begonnen met de opbouw van de kwekerij, terwijl de rechtbank in de ontnemingsbeslissing heeft geoordeeld dat vanaf medio november 2017 is gestart met de voorbereidingen voor het telen van hennep. Uit de bevindingen van [benadeelde] blijkt dat de kwekerij sinds 30 januari 2018 in bedrijf was. Uitgaande van een startdatum van 30 januari 2018 kan er geen eerdere oogst hebben plaatsgevonden. Voor een pondspondsgewijze verdeling ontbreekt onderbouwing.

Grondslag

[verdachte] is bij arrest van dit hof van 3 maart 2026 (parketnummer 21-000196-20) veroordeeld tot straf voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, (feit 1 primair) met betrekking tot de locatie [plaats] en het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet (feit 4).
Het hof komt aan de hand van de in genoemd arrest vermelde bewijsmiddelen en de uitgangspunten zoals weergegeven in het hierna genoemde ontnemingsrapport tot het oordeel dat [verdachte] uit het bewezenverklaarde handelen (feit 1 primair en feit 4) financieel voordeel heeft verkregen. [1]
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof neemt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt het rapport “berekening wederrechtelijk
verkregen voordeel hennepkwekerij” (hierna: het ontnemingsrapport) met betrekking tot de aangetroffen hennepkwekerij aan de [adres] te [plaats] . [2]
Het hof neemt over wat in het ontnemingsrapport met betrekking tot de opbrengst en kosten is beredeneerd en vastgesteld. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat deze bedragen anders moeten worden vastgesteld.
[adres] [plaats]
Op 9 februari 2018 is in het pand gelegen aan de [adres] te [plaats] een hennepkwekerij met daarin minimaal 1531 hennepplanten aangetroffen. [3] Met ingang van 1 september 2017 is het bedrijfspand verhuurd. Dit betreft een periode van 161 dagen, zijnde 23 weken. Rekening houdend met een periode voor het bouwen van de hennepkwekerij
is aannemelijk dat sprake is van 2 eerdere oogsten. [4]
Daarbij gaat het hof uit van het navolgende:
  • Bij het kweken van de hennepplanten is gebruik gemaakt van CO2 toepassing. Hierdoor wordt de kweekperiode bekort met twee weken en zou de opbrengst in gewicht met 20% tot 40% toenemen. In het voordeel van [verdachte] is uitgegaan van een meeropbrengst van 20%.
  • In de kweekruimte werd een aparte ruimte aangetroffen, waar op dat moment 362 afgeknipte hennepplanten werden gedroogd.
  • Op verschillende kweekmaterialen werden productiedata aangetroffen, zoals mei/ juli 2017.
  • Uit onderzoek bleek dat de sandwichpanelen waarmee de kweekruimte was gebouwd reeds op 21 juli 2017 waren afgeleverd op de [adres] te [plaats] .
 Door getuigen [getuige1] [6] en [getuige2] [7] is waargenomen dat vanaf de zomer van 2017 bedrijvigheid heeft plaatsgevonden aan de [adres] te [plaats] .
  • Bij onderzoek in de bedrijfsauto van mededader [medeverdachte1] werd een document aangetroffen met daarop aantekeningen betreffende oogsten, knippen en drogen van ‘hok 1, 2, 3 en 4’. Op dit document is te zien dat hok 1 is geoogst op 10 januari, hok 2 op 17 januari, hok 3 op 24 januari en hok 4 op 31 januari 2018.
  • Getuige [getuige3] verklaarde in haar verhoor dat zij in het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] gedurende 6 dagen hennepplanten had geknipt. Zij had daar nog meer vrouwen gezien die eveneens hennepplanten aan het knippen waren.
Bruto opbrengst
In de kwekerij stonden minimaal 1531 hennepplanten. Per m2 stonden er 12 hennepplanten. Deze hennepplanten werden gekweekt in kweekbakken in 4 kweekruimten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is per kweekruimte berekend. De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport bedraagt dit
€ 4.070,00 per kilogram. [9]
Kweekruimte
Totaal aantal planten
Opbrengst in grammen
1
374
11070
2
375
11100
3
397
11751
4
385
11396
Totaal
1531 planten
45317 gram
In de kweekruimte(n) werd gebruik gemaakt van het kunstmatig toevoegen van CO2 met gebruik van watergekoelde airconditioners, ook wel het CO2 Climate System genoemd. Naast een kortere kweekperiode kan door CO2 toepassing 20% tot 40% meer opbrengst in gewicht worden gegenereerd.
In het voordeel van [verdachte] is uitgegaan van een meeropbrengst van 20%.
Het totale gewicht per oogst bedraagt 45.317 gram + 9.063 gram (20% meeropbrengst door toepassing CO2) = 54.380 gram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt 54.380 gram x € 4,07 per gram = € 221.326,60. [10] Uitgaande van 2 oogsten levert dat een totale bruto opbrengst op van € 442.653,20.
Kosten
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken
hennepkwekerij zijn op basis van het rapport als volgt [11] :
Afschrijvingskosten
Volgens tabel
€ 1.000,00
Hennepstekken
Hoeveelheid planten per oogst x € 3,81
€ 5.833,11
Variabele kosten
Hoeveelheid planten per oogst x € 3,88
€ 5.940,28
Kosten knippers
€ 2,00 per plant per oogst
€ 3.062,00
Huisvestingskosten
Per oogst
€ 3.000,00
Totaal aan kosten
€ 18.835,39
De totale kosten bedragen € 18.835,39 x 2 oogsten = € 37.670,78.
Het hof zal het bedrag van € 37.670,78 in mindering brengen op de totale bruto opbrengst.
[adres2] [plaats2]
[verdachte] is in de strafzaak vrijgesproken voor strafrechtelijke betrokkenheid bij de hennepkwekerij in [plaats2] . Het hof houdt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom geen rekening met de hennepkwekerij in [plaats2] .
Conclusie en schatting omvang wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof acht aannemelijk dat er twee geslaagde oogsten hebben plaatsgevonden in de hennepkwekerij in [plaats] .
Het hof houdt in de strafzaak [verdachte] samen met anderen verantwoordelijk voor het grootschalig telen van hennep in [plaats] , terwijl voorts sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband in de vorm van een criminele organisatie met (kort gezegd) het oogmerk van grootschalige hennepteelt. [verdachte] vervulde daarbij een essentiële rol. Als meer personen betrokken zijn bij hetzelfde feitencomplex, heeft als uitgangspunt te gelden dat eenieder daadwerkelijk voordeel heeft genoten. In beginsel wordt dat voordeel pondspondsgewijs verdeeld in het geval waarin niet is gebleken van aanwijzingen voor een andere verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof stelt vast, dat [verdachte] en zijn mededaders geen inzicht hebben gegeven in de verdeling van het uit de hennepteelt in [plaats] verkregen voordeel.
Het hof heeft in de hoofdzaak onder meer overwogen dat [verdachte] samen met mededader [medeverdachte1] investeringen heeft gedaan in de kwekerij in [plaats] . Het hof heeft dat onder meer afgeleid uit een in de bus van mededader [medeverdachte1] aangetroffen handgeschreven aantekening (Bijlage 11 van het proces-verbaal van bevindingen): ‘Project 1 +/- 12.000 % 2 [alias 1] = +/- 6.000’ [12] Gelet op alle overige in dat arrest genoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien begrijpt het hof dat met [verdachte] is bedoeld en dat met [alias 2] mededader [medeverdachte1] is bedoeld. Nu zowel [verdachte] als [medeverdachte1] (ook overigens) een essentiële rol hebben vervuld bij de hennepkwekerij in [plaats] en zij hebben meegedeeld in investeringen ten behoeve van die kwekerij is het aannemelijk dat zij hebben meegedeeld in de opbrengst.
Het hof neemt echter – in het voordeel van [verdachte] en [medeverdachte1] – het volgende in aanmerking. Door het hof is eveneens bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie met het oogmerk (kort gezegd) van grootschalige hennepteelt, waarbij naast [verdachte] en [medeverdachte1] onder meer ook [medeverdachte2] is betrokken. Het hof neemt tot uitgangspunt dat het de deelnemer aan een criminele organisatie erom te doen is om mee te delen in de opbrengst van die organisatie.
Bij een criminele organisatie is in de regel sprake van een onderlinge hiërarchische verhouding, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen betrokkenen die hand- en spandiensten of werkzaamheden verrichten, exploitanten en (een) leidinggevende(n). Het hof duidt de rol van [verdachte] en [medeverdachte1] bij de hennepkwekerij in [plaats] als exploitanten en de rol van [medeverdachte2] als leidinggevende.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de opbrengst van de eerste oogst in [plaats] niet enkel is gedeeld tussen [verdachte] en [medeverdachte1] , maar ook met [medeverdachte2] .
Met betrekking tot de tweede oogst acht het hof aannemelijk dat de opbrengst niet met [medeverdachte1] is gedeeld. Uit het dossier volgt namelijk dat [medeverdachte1] sinds 18 december 2017 is vertrokken en is vermist en dat [medeverdachte1] eerst op 18 januari 2018 door de politie in zijn werkbus is aangetroffen. Niet is gebleken dat [medeverdachte1] nadien bemoeienis heeft gehad met de hennepkwekerij. Het hof acht aannemelijk dat [medeverdachte1] vanwege zijn afwezigheid en de omstandigheden waarin hij destijds is aangetroffen niet heeft meegedeeld in de opbrengst van de tweede oogst van de kwekerij in [plaats] (in fasen) ongeveer vanaf 10 januari 2018.
Dat levert de volgende opbrengst per oogst op:
Bruto opbrengst eerste oogst € 221.326,60 - kosten eerste oogst € 18.835,39 = € 202.491,21.
Het bedrag van € 202.491,21 wordt gedeeld door 3 ( [verdachte] , [medeverdachte1] en [medeverdachte2] ) =
€ 67.497,07.
Bruto opbrengst tweede oogst € 221.326,60 - kosten tweede oogst € 18.835,39 =
€ 202.491,21.
Het bedrag van € 202.491,21 wordt gedeeld door 2 ( [verdachte] en [medeverdachte2] ) =
€ 101.245,60.
Het hof stelt, gelet op het voorgaande, het totaal geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] voor de twee oogsten in [plaats] vast op € 67.497,07 + € 101.245,60 = € 168.742,67.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof constateert dat de redelijke termijn voor afdoening van de ontnemingszaak in eerste aanleg niet is overschreden. In hoger beroep is die termijn wel fors overschreden met vier jaren en één maand. Het hof heeft in de strafzaak aan die overschrijding van de redelijke termijn gevolgen verbonden. Nu de overschrijding van de redelijke termijn bij de strafoplegging in de strafzaak reeds is verdisconteerd, ziet het hof geen aanleiding om de betalingsverplichting op die grond naar beneden bij te stellen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het door [verdachte] te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Aan [verdachte] zal daarom ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 168.742,67
.
Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op de maximale duur van ten hoogste 1080 dagen.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 168.742,67 (honderdachtenzestigduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en zevenenzestig cent).
Legt [verdachte] de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 168.742,67 (honderdachtenzestigduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en zevenenzestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. F.E.J. Goffin en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal van 21 januari 2019, genummerd PL0900-2018037426 en PL0900-2018071341 , opgemaakt door politie Midden-Nederland, Dienst Regionale Recherche, doorgenummerd 1 tot en met 2419. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Pagina 730-738.
3.Pagina 731.
4.Pagina 733.
5.Pagina 733.
6.Pagina 57.
7.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige2] door de rechter-commissaris van 11 juli 2019, blad 2.
8.Pagina 2.182 - 2.184.
9.Pagina 732.
10.Pagina 734 en 735.
11.Pagina 734.
12.Pagina 37.