ECLI:NL:GHARL:2026:123

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
21-000591-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis politierechter inzake aanranding en diefstal

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte was eerder veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren, te vervangen door 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. De politierechter had ook een paraplu verbeurd verklaard en de vorderingen van benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen. In hoger beroep heeft het hof de zaak opnieuw beoordeeld, waarbij het hof de vastgestelde feiten heeft geanalyseerd. Het hof oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de tenlastegelegde dwang en aanranding, en sprak de verdachte vrij van deze beschuldigingen. Echter, het hof vond wel bewijs voor diefstal van goederen van benadeelde partijen en oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan lokaalvredebreuk. De strafoplegging werd aangepast naar een taakstraf van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis. De vorderingen van de benadeelde partijen werden gedeeltelijk toegewezen, waarbij de vordering van benadeelde partij 1 werd toegewezen tot € 85,97, terwijl de vordering van benadeelde partij 2 werd afgewezen. Het hof heeft de verbeurdverklaring van de paraplu herzien en gelast dat deze aan de verdachte wordt teruggegeven. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer voor strafzaken en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000591-25
Uitspraakdatum: 12 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 februari 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-224171-24, 18-253538-24 en 18-410463-24 tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 29 december 2025 en wat er op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte door zijn raadsman, mr. T.P. Schut, heeft aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren, te vervangen door 70 dagen hechtenis, en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. De politierechter heeft de inbeslaggenomen paraplu verbeurdverklaard. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van € 350,-, vermeerderd met de wettelijke rente, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Tot slot heeft de politierechter de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs, een andere beslissing over de vorderingen van de benadeelde partij en een andere beslissing over het beslag dan de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zaak met parketnummer 18-224171-24:
hij op of omstreeks 11 juli 2024 te [plaats] , een ander, te weten [benadeelde 2] , door enige feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten betast of aangeraakt te worden, door
- met zijn hand in de bil van het slachtoffer te knijpen en/of
- met een paraplu tegen de billen van het slachtoffer te prikken.
zaak met parketnummer 18-253538-24:
1.
hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te [plaats] condooms, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] ( [locatie] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te [plaats] drogisterij producten (te weten: parfum, crème, vaseline en/of deodorant), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] ( [locatie] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
zaak met parketnummer 18-410463-24:
hij op of omstreeks 31 december 2024 te [plaats] , in het besloten lokaal gelegen aan/bij de [adres] bij [benadeelde 3] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 20 december 2024 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 12 maanden
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Ter terechtzitting van het hof is door de raadsman aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem in de zaak met parketnummer 18-224171-24 ten laste is gelegd, omdat – kort gezegd – er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de tenlastegelegde gedragingen.
Uit het dossier en de bewijsmiddelen blijkt het volgende. Aangeefster [benadeelde 2] verklaart dat zij met vriendinnen aan het stappen was en naar de nachtwinkel ging. Vervolgens liep ze als laatste van het groepje vrouwen de nachtwinkel uit en werd ineens in haar bil geknepen. Zij verklaart dat ze zich omdraait en dat er voor haar een man met een paraplu stond. Ze schreeuwde: ‘Wie zat er aan mijn billen’ en de man zei iets in de trant van ‘Dat was ik.’ Getuige [getuige] verklaart dat ze bij het verlaten van de nachtwinkel onenigheid achter haar hoorde en zich omdraaide. Ze zag een man met een paraplu in zijn hand met het uiteinde van de paraplu tegen de billen van aangeefster prikken. In het dossier bevindt zich vervolgens een proces-verbaal van bevindingen over de beelden van een beveiligingscamera die de etalage van de nachtwinkel filmde. De verbalisant die de beelden heeft bekeken beschrijft dat hij verdachte in de deuropening van de winkel ziet staan. Aangeefster loopt langs verdachte de winkel uit. Verdachte reikt zijn hand uit in de richting van het middel van aangeefster. Zij reageert zichtbaar op dit gebaar. Vervolgens loopt aangeefster door en verdachte reikt nogmaals naar haar. Verdachte droeg een paraplu in zijn hand en lijkt aangeefster in dan wel tegen of tussen haar billen te betasten of te steken, zo schrijft de verbalisant.
Aangeefster zelf verklaart niet over het prikken tegen haar billen met de paraplu. Getuige [getuige] verklaart daarover wel en ook zegt de verbalisant dat het
lijktalsof verdachte aangeefster met zijn paraplu in dan wel tegen haar billen betast. Het hof heeft ten aanzien van dat deel van de feitelijke gedragingen niet de overtuiging gekregen dat verdachte aangeefster met de paraplu tegen haar billen heeft geprikt. Anders dan de raadsman is het hof echter van oordeel dat wettig en overtuigend te bewijzen is dat verdachte aangeefster in haar billen heeft geknepen.
Die vastgestelde feiten leveren een (opzet)aanranding op. [1] De tenlastelegging is echter toegespitst op het feit dwang, [2] in die zin dat verdachte door enige feitelijkheid gericht tegen aangeefster, haar wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, namelijk betast of aangeraakt te worden, door (onder meer) met zijn hand in de bil van het slachtoffer te knijpen. Het hof is van oordeel dat de vastgestelde feiten, te weten dat verdachte aangeefster in het voorbij lopen in haar billen kneep, daartoe onvoldoende zijn. Hoewel bewezen kan worden dat aangeefster heeft moeten dulden dat zij in haar billen werd geknepen, kan het hof niet bewijzen dat zij daartoe is gedwongen door een
aan die handeling voorafgegane feitelijkheid. In de tenlastelegging wordt geen onderscheid gemaakt tussen een gedraging die de dwang veroorzaakt, de feitelijkheid, en datgene waartoe gedwongen wordt, het knijpen in de billen van aangeefster. Omdat het wettig bewijs voor die voorafgaande feitelijkheid ontbreekt terwijl dat wel noodzakelijk is voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde dwang, en aanranding niet ten laste is gelegd, zal het hof verdachte vrijspreken van hetgeen hem in de zaak met parketnummer 18-224171-24 ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-253538-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-410463-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zaak met parketnummer 18-253538-24:
1.
hij op 7 augustus 2024 te [plaats] condooms, die geheel aan [benadeelde 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2.
hij op 7 augustus 2024 te [plaats] drogisterij producten (te weten: parfum, crème, vaseline en deodorant), die geheel aan [benadeelde 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
zaak met parketnummer 18-410463-24:
1.
hij op 31 december 2024 te [plaats] , in het besloten lokaal gelegen aan de [adres] bij [benadeelde 3] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 20 december 2024 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 12 maanden.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-253538-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert telkens op:

diefstal.

Het in de zaak met parketnummer 18-410463-24 bewezenverklaarde levert op:

in het besloten lokaal bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren, te vervangen door 70 dagen hechtenis, en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte dezelfde straf op te leggen.
Het hof overweegt als volgt.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstallen en lokaalvredebreuk. Door zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van het [bedrijf] . Dergelijke feiten veroorzaken bovendien naast schade vaak veel hinder en overlast voor de gedupeerden. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk, door zich in de [bedrijf] te bevinden terwijl aan hem een winkelverbod was opgelegd. Daarmee heeft de verdachte overlast veroorzaakt voor de [bedrijf] en laten zien geen respect te hebben voor het aan hem opgelegde verbod.
Het hof heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 24 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten, waaronder ook vermogensdelicten. Dat heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Bij de strafoplegging heeft het hof verder rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Alles overwegend zal het hof verdachte veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis. Hoewel verdachte op dit moment geen vaste woonplaats heeft, heeft zijn raadsman laten weten dat hij per e-mail goed te bereiken is. Het hof verzoekt de raadsman om die reden het emailadres van verdachte aan de reclassering ter beschikking te stellen in het kader van de uitvoering van de taakstraf.

Beslag

Blijkens de beslaglijst is onder verdachte een paraplu in beslag genomen. De politierechter heeft gelast dat de paraplu verbeurd zal worden verklaard. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal ook de verbeurdverklaring van de paraplu gevorderd.
Verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 18-224171-24. Het hof is van oordeel dat de in beslag genomen paraplu aan verdachte moet worden teruggegeven, nu het belang van strafvordering zich daar niet tegen verzet.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen tot een bedrag van € 350,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
Verdachte is in hoger beroep vrijgesproken van het tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 18-224171-24, waar de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] op ziet. Het hof wijst om die reden de vordering af.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 85,97 ingediend. De benadeelde partij is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding.
Namens verdachte is geen verweer gevoerd tegen de gestelde schade. Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-253538-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-224171-24 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-253538-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-410463-24 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-253538-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-410463-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 paraplu.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot schadevergoeding af.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-253538-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 85,97 (vijfentachtig euro en zevenennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-253538-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 85,97 (vijfentachtig euro en zevenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 augustus 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. H.J. Deuring en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 241 van het Wetboek van Strafrecht.
2.Artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht.