ECLI:NL:GHARL:2026:1181

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.358.579
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a lid 1 BWArt. 1:251a lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig gezag aan moeder na beëindiging gezamenlijk gezag

De moeder verzocht de rechtbank om haar het eenhoofdig gezag over haar zoon toe te kennen, wat door de rechtbank werd afgewezen. Het hof vernietigt deze beschikking en wijst het verzoek van de moeder toe.

De ouders zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over de minderjarige zoon, die bij de moeder woont. De communicatie tussen de ouders verloopt moeizaam, en is door de detentie van de vader verder verstoord. De vader is sinds juli 2025 gedetineerd vanwege een zedendelict, wat het vertrouwen van het kind en de moeder in hem heeft geschaad.

De raad voor de kinderbescherming adviseerde het gezamenlijk gezag te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan de moeder toe te kennen. Het hof oordeelt dat het belang van het kind vereist dat beslissingen snel en zonder vertraging genomen kunnen worden, wat met gezamenlijk gezag niet mogelijk is door de gebrekkige communicatie en afwezigheid van de vader.

Het hof vernietigt de bestreden beschikking en belast de moeder met het eenhoofdig gezag over de minderjarige, waarbij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

Uitkomst: Het hof kent het eenhoofdig gezag toe aan de moeder en beëindigt het gezamenlijk gezag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.579
(zaaknummer rechtbank Gelderland 421618)
beschikking van 26 februari 2026
inzake
[verzoekster],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.L. van Olst
en
[verweerder],
verblijvende in de [naam1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. B.A.T. Brouwer.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 5 september 2023, 6 juni 2024 en 23 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 23 mei 2025 wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 22 augustus 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de journaalberichten namens de moeder van 5, 6 en 12 januari 2026 met bijlagen.
2.2
Op 12 januari 2026 is [de minderjarige1] bij het hof gekomen om met een rechter van het hof, in het bijzijn van een griffier, te praten over het hoger beroep. [de minderjarige1] heeft aan het eind van dat gesprek gezegd dat hij wil dat zijn moeder hem vertelt wat het hof beslist.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van:
- [kind1] , geboren [in] 2005 in [geboorteplaats] en
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 in [geboorteplaats] .
[de minderjarige1] woont bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van 5 september 2023 heeft de rechtbank, naar aanleiding van het verzoek van de moeder haar alleen met het gezag te belasten, de raad verzocht te onderzoeken, te rapporteren en te adviseren over de vraag of de toekenning van het eenhoofdig gezag in het belang van [de minderjarige1] is.
3.3
Bij beschikking van 6 juni 2024 heeft de rechtbank, conform het op 9 februari 2024 door de raad gegeven advies, de beslissing gedurende negen maanden aangehouden en de ouders in de gelegenheid gesteld een hulpverleningstraject te volgen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag over [de minderjarige1] te belasten afgewezen.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat het gezag over [de minderjarige1] voortaan alleen aan haar toekomt.
4.3
De vader heeft verweer gevoerd en gevraagd het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat er in de wet?
5.1
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan
de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het
gezamenlijk gezag beëindigen, als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van
een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt
dc rechter aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Artikel 1:251a lid 1 en 3 BW zijn van overeenkomstige toepassing. De rechter kan het
verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:251a lid l BW
toewijzen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de
ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt,
of als wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk is.
Wat heeft de rechtbank overwogen?
5.2
De rechtbank heeft overwogen dat bij voortduring van het ouderlijk gezag geen onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige1] klem en verloren zal raken of dat beëindiging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [de minderjarige1] is. De rechtbank achtte enige vorm van communicatie tussen partijen (eventueel met tussenpersoon [naam2] ) wel mogelijk. De rechtbank overwoog dat de stelling dat vader vaak niet of moeilijk bereikbaar is en niet of traag reageert onvoldoende is onderbouwd en dat niet gebleken is dat de vader gezagsbeslissingen heeft gefrustreerd.
Wat zijn de standpunten in hoger beroep?
5.3
De moeder is van mening dat het in het belang van [de minderjarige1] is dat zij het eenhoofdig gezag over hem krijgt. Zij stelt dat zij sinds 25 juli 2025, het moment waarop de vader in detentie ging (wat zij toen niet wist), geen contact meer met de vader kan krijgen. Hij reageert niet op haar mailberichten en zij heeft niet doorgekregen dat hij een contactpersoon heeft. Pas langere tijd later vernam zij dat de vader gedetineerd was en waar hij verblijft. Volgens de moeder is de communicatie, die uitsluitend via de mail verloopt, ernstig verstoord. Vader reageert vaak niet op haar vragen. De begeleiding van [naam2] is niet meer mogelijk, want deze begeleiding is beëindigd. Zij heeft ondertussen, ondanks verzoeken, nog steeds niet de juiste gegevens om de vader per brief te benaderen.
Volgens de moeder heeft de vader diverse gezagsbeslissingen gefrustreerd.
5.4
De vader is van mening dat het gezamenlijk gezag kan voortbestaan. Hij erkent dat de communicatie tussen partijen al jaren stroef verloopt. Dat was volgens hem tijdens het huwelijk ook al zo. De moeder nam steeds meer het voortouw en betrok hem steeds minder. Dat bleef zo na de echtscheiding. Hij erkent ook dat het niet goed is dat hij de moeder niet heeft laten weten dat en waar hij gedetineerd zit. De vader ontkent echter dat hij traag reageert op verzoeken van de moeder en dat hij gezagsbeslissingen heeft gefrustreerd. Hij zal altijd toestemming geven als de moeder hem daarom vraagt.
Wat heeft de raad geadviseerd?
5.5
De raad heeft geadviseerd het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan de moeder toe te kennen. De communicatie tussen de ouders liep volgens de raad al langer moeizaam, maar deze is door de detentie van de vader nog ingewikkelder geworden. Het vertrouwen in de vader, die tot voorjaar 2027 in detentie zit in verband met een zedendelict waarbij minderjarigen betrokken zijn, is geschaad. Dat geldt zeker voor [de minderjarige1] , maar ook voor de moeder. De hulp die al is ingezet om de communicatie tussen partijen te verbeteren heeft niet tot succes geleid.
Wat is het oordeel van het hof?
5.6
Het hof is op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken van oordeel dat het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd moet worden en dat het eenhoofdig gezag aan de moeder moet worden toegekend. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van een ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het ouderlijk gezag houdt een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de verzorging en opvoeding, zoals onder andere de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind (zoals over de verblijfplaats, de school, medische zaken en vrije tijdsbesteding) te nemen. In geval van gezamenlijk gezag worden dergelijke beslissingen samen met de andere gezaghebbende ouder genomen. Een minimale communicatie tussen de ouders is daarbij noodzakelijk om op een goede manier invulling te kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap. In ieder geval moeten zij samen kunnen overleggen over hun kind.
5.7
Gebleken is dat de moeder wel haar best heeft gedaan de vader te betrekken bij gezagsbeslissingen, maar dat er een patroon waarneembaar is waarbij de vader niet dan wel steeds laat, en uiteindelijk door derden gestimuleerd, reageert. Het ging daarbij om beslissingen over de schoolkeuze van [de minderjarige1] , het hulpverleningstraject van [naam2] , het starten van een diagnostiektraject voor [de minderjarige1] en het verkrijgen van toestemming om met [de minderjarige1] naar het buitenland op vakantie te kunnen gaan. Al deze gezagskwesties konden niet worden afgewikkeld of hebben ernstige vertraging opgelopen door het niet of afwijzend dan wel zeer traag reageren van de vader. Het mag zo zijn dat er geen sprake is van onwil bij de vader, die volgens de verklaring van zijn advocaat in een soort lusteloosheid is beland, waar hij zou moeten worden uitgehaald met professionele hulp, maar die omstandigheid kan naar het oordeel van het hof niet tot de beslissing leiden dat het gezamenlijk gezag nu toch moet voortbestaan.
5.8
[de minderjarige1] wil al enige tijd geen contact met zijn vader vanwege het strafbare handelen en de aard van het delict van de vader. Het wederom inzetten van een ouderschaps/hulpverle-ningstraject, zoals de vader blijkbaar wenst, heeft op dit moment geen prioriteit. Nog afgezien van het feit dat het eerder met (onder andere) dat doel ingezette hulpverlenings-traject bij [naam2] niet succesvol is beëindigd, is het voor [de minderjarige1] nu belangrijk dat beslissingen over hem snel door zijn moeder en zonder de afhankelijkheid van toestemming van zijn vader kunnen worden genomen. Het gaat op dit moment niet goed met [de minderjarige1] , die veel last heeft van de door de vader gepleegde strafbare feiten. [de minderjarige1] moet in verband met het daardoor opgelopen trauma behandelingen ondergaan, waarover de beslissingen geen onnodige vertraging mogen oplopen. Bijkomend probleem voor de vader is dat hij, nu hij gedetineerd zit en geen omgang heeft met [de minderjarige1] , geen goed beeld heeft over de op dit moment ingewikkelde belevingswereld van [de minderjarige1] en daarom ook niet goed kan beoordelen wat op dit moment het beste is voor [de minderjarige1] .
5.9
Gelet op al het voorgaande is het hof, zoals ook de raad heeft geadviseerd, van oordeel dat het anderszins in het belang van [de minderjarige1] noodzakelijk is dat het gezamenlijk gezag van zijn ouders wordt beëindigd en dat zijn moeder het eenhoofdig gezag over hem krijgt. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen zoals hierna volgt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 23 mei 2025, en opnieuw beschikkende:
beëindigt het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder en belast de moeder met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 in [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, S. Kuijpers en I.J. Pieters, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.