ECLI:NL:GHARL:2026:1176

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.358.444
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging kinderalimentatie beschikking na hoger beroep

De man en vrouw zijn ouders van een minderjarige die bij de vrouw woont en gezamenlijk gezag hebben. De rechtbank stelde eerder de kinderalimentatie vast, waarbij de man maandelijks een bedrag aan de vrouw moet betalen voor de verzorging en opvoeding van het kind.

De man ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht om een lagere alimentatie vanaf een latere ingangsdatum. Hij stelde dat hij al kosten had betaald voor het kind en dat de draagkrachtberekening onjuist was.

Het hof oordeelde dat de ingangsdatum van de alimentatie correct was vastgesteld op 10 september 2024, de datum van het verzoek van de vrouw. De man kon zijn stellingen over betaalde kosten niet aannemelijk maken. Ook wees het hof het verzoek af om de draagkracht van de man en vrouw anders te berekenen, omdat de rechtbank de juiste uitgangspunten had gehanteerd.

Daarom bekrachtigde het hof de beschikking van de rechtbank waarin de man de alimentatie moet betalen zoals vastgesteld.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank waarin de man kinderalimentatie moet betalen vanaf 10 september 2024.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.444
(zaaknummer rechtbank Gelderland 437561)
beschikking van 26 februari 2026
inzake
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. S.S. Zijderveld,
en
[verweerster],
wonende in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. K. Coenders-El Dahri.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 oktober 2024 en 27 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Laatstgenoemde beschikking wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 26 augustus 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het journaalbericht namens de vrouw van 5 januari 2026 met een bijlage;
- het journaalbericht namens de man van 6 januari 2026 met bijlagen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad en zij zijn de ouders van:
[de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2019.
[de minderjarige] is door de man erkend en zij woont bij de vrouw. De ouders hebben samen het gezag over haar.
3.2
Bij de beschikking van 15 oktober 2024 heeft de rechtbank een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld en iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie aangehouden.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw maandelijks als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] moet betalen:
- € 335,- met ingang van 10 september 2024 en
- € 357,- met ingang van 1 januari 2025.
4.2
De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat hij maandelijks, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 27 mei 2025 aan de vrouw een bedrag van € 249,- als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] moet betalen, dan wel de bijdrage en de ingangsdatum die het hof juist acht.
4.3
De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij vraagt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

De ingangsdatum
5.1
De man is van mening dat de rechtbank de kinderalimentatie met ingang van de datum van de bestreden beschikking, 27 mei 2025, had moeten vaststellen, omdat hij in de periode van 10 september 2024 tot 27 mei 2025 ook al verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige] heeft betaald en hij daarmee in die periode op die manier al heeft bijgedragen in de kosten van haar verzorging en opvoeding. De vrouw heeft deze stelling van de man betwist en zij is van mening dat de rechtbank de juiste ingangsdatum heeft vastgesteld.
5.2
Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: 1. de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, 2. de datum van het inleidend processtuk en 3. de datum waarop de rechter beslist.
5.3
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat in dit geval de ingangsdatum van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage 10 september 2024 moet zijn, de datum waarop de vrouw haar verzoek tot het vaststellen van die onderhoudsbijdrage bij de rechtbank heeft ingediend, met een kopie daarvan aan de man. De man heeft in ieder geval vanaf dat moment rekening kunnen houden met een door hem aan de vrouw te betalen bijdrage voor [de minderjarige] . De man heeft zijn stelling dat hij in de periode van 10 september 2024 tot 27 mei 2025 diverse verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige] heeft voldaan en daarmee al heeft bijgedragen in de kosten van haar verzorging en opvoeding, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, niet aannemelijk gemaakt, terwijl daar ruim de gelegenheid voor was. De man heeft in een lijst bedragen genoemd die hij volgens hem in dat verband heeft betaald, maar hij heeft geen betalingsbewijzen overgelegd. De door de man genoemde betalingen voor, onder andere, voeding en uitstapjes voor [de minderjarige] kunnen door hem worden voldaan uit de aan hem toekomende zorgkorting, waarmee in de berekening van de door hem te betalen onderhoudsbijdrage al rekening is gehouden.
De draagkracht van de man
5.4
Voor zover de man heeft verzocht bij de vaststelling van zijn draagkracht rekening te houden met de bedrijfsresultaten van zijn onderneming “ [naam1] ” over de jaren 2023, 2024 en 2025, nu hij van laatstgenoemd jaar de jaarrekening aan het hof heeft nagezonden, wijst het hof dat verzoek af. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie in mei 2025 is de rechtbank, bij gebreke van een prognose voor de toekomst, uitgegaan van een bij een onderneming dan gebruikelijk gemiddelde van de bedrijfsresultaten van de drie daaraan voorafgaande jaren, dus die van 2022, 2023 en 2024. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om daarvan af te wijken.
5.5
De man stelt dat de rechtbank bij het vaststellen van zijn draagkracht terecht rekening heeft gehouden met de bedrijfsresultaten van zijn onderneming over de jaren 2023 en 2024. Echter, volgens de man moeten de bedrijfsresultaten over 2022, die door de rechtbank gematigd werden, nog verder naar beneden worden bijgesteld.
Het hof ziet geen aanleiding om de bedrijfsresultaten van 2022 nog verder te matigen dan de rechtbank in verband met de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige] al heeft gedaan. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling, dat hij in dat jaar uitzonderlijk veel uren heeft gewerkt om zijn volgens hem op dat moment hoge woonlasten te kunnen voldoen, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw dat 2022 geen uitzonderlijk jaar was en dat de man in die jaren altijd veel uren in zijn onderneming werkte, wat in dat jaar geen verband hield met hun woonlasten, niet aannemelijk gemaakt.
De draagkracht van de vrouw
5.6
Volgens de man had de rechtbank bij het berekenen van de draagkracht van de vrouw, waarbij is uitgegaan van haar uitkeringsspecificaties over 2024, ook rekening moeten houden met de stijging van die WIA-uitkering van de vrouw met 2,73% in 2025.
Het hof ziet geen aanleiding om de draagkracht van de vrouw, waarbij de rechtbank is uitgegaan van de uitkeringsgegevens uit 2024, bij te stellen aan de hand van de door de man gestelde stijging in een ander jaar, te weten 2025, welke stijging bovendien grotendeels is verkregen door de jaarlijkse indexering.
5.7
De man heeft een uitkeringsspecificatie overgelegd van de maand maart 2022, waaruit blijkt dat de vrouw in die maand van [naam2] een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen van € 643,67 netto. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat de vrouw ook nu nog recht heeft op een maandelijkse uitkering in die orde van grootte, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw dat het een eenmalige uitkering betrof die zij dus nu niet meer ontvangt, niet aannemelijk gemaakt. Het hof houdt daarom met die arbeidsongeschiktheidsuitkering bij de draagkrachtberekening van de vrouw geen rekening.
5.8
Uit al het voorgaande volgt dat alle grieven van de man falen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 27 mei 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Prakke-Nieuwenhuizen en I.J. Pieters, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.