Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1174

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.363.167/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 lid 1 BWartikel 3 IVRKartikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige bevestigd door gerechtshof

De moeder van een minderjarige, die sinds oktober 2023 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI), is in hoger beroep gegaan tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling door de kinderrechter. De moeder wenste beëindiging of een kortere verlenging, terwijl de GI de verlenging voor een jaar handhaafde.

Het hof constateert dat ernstige ontwikkelingsbedreigingen, zoals de afwijzende houding van de moeder tegenover de vader, het ontbreken van communicatie tussen ouders en het verstoorde contact tussen vader en kind, nog steeds aanwezig zijn. Er zijn bovendien zorgen over mogelijke grensoverschrijdend gedrag en seksueel misbruik door de vader, waarover een onderzoek loopt. De GI startte een multidisciplinair hulpverleningstraject en begeleide omgangsmomenten met de vader, hoewel het hof twijfels uit over de effectiviteit en het belang hiervan.

Het hof oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk, proportioneel en wettelijk gerechtvaardigd is, en dat lichtere maatregelen onvoldoende zijn. De moeder heeft onvoldoende onderbouwing gegeven voor een kortere termijn. Daarom wordt de beslissing van de kinderrechter bekrachtigd en blijft de ondertoezichtstelling van kracht tot 19 oktober 2026.

Uitkomst: De verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 19 oktober 2026 wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.167/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 598391
beschikking van 26 februari 2026
over de verlenging van de ondertoezichtstelling van
[minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. C.C. Sneper te Baarn,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI),
die is gevestigd in Almere.
Als informant is aangemerkt:
[informant](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. D. Pieterse te Den Haag.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 oktober 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft met de vader één kind: [minderjarige] . [minderjarige] is geboren [in] 2019.
2.2.
De moeder heeft het gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont met de moeder bij de grootouders (moederszijde).
2.4.
[minderjarige] staat sinds 19 oktober 2023 onder toezicht van de GI.
3. De procedure bij de kinderrechter
3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen met een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 oktober 2026.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 7 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Tijdens de zitting heeft de advocaat van de moeder de in haar beroepschrift geformuleerde verzoeken deels ingetrokken en de resterende verzoeken toegelicht. Het hof begrijpt de verzoeken van de moeder in hoger beroep aldus dat zij het hof nu vraagt de beslissing van de kinderrechter ongedaan te maken en de ondertoezichtstelling te beëindigen. In het geval het hof van oordeel is dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden, wil de moeder dat het hof dit voor een kortere termijn dan een jaar doet.
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, door het hof ontvangen op 31 december 2025;
  • het verweerschrift;
  • een brief van de raad voor de kinderbescherming (de raad) van 27 januari 2026 waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • de stukken van de moeder, door het hof ontvangen op 30 januari 2026.
4.4.
De zitting bij het hof was op 3 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Vooraf over het dossier en de ontvankelijkheid van het hoger beroep
5.1.
Op grond van artikel 1.2.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (hierna: het Procesreglement) moet de verzoeker in hoger beroep alle stukken uit de procedure in eerste aanleg bij het beroepschrift indienen. Mr. Sneper heeft in deze zaak op 31 december 2025 een beroepschrift ingediend. Bij dit beroepschrift was van de stukken uit de procedure in eerste aanleg uitsluitend de beschikking van de kinderrechter overgelegd. Het hof heeft vervolgens tweemaal schriftelijk aan mr. Sneper verzocht om zo spoedig mogelijk de ontbrekende stukken uit de procedure in eerste aanleg in te dienen. Ook heeft het hof telefonisch geprobeerd contact te krijgen met mr. Sneper om dit onder de aandacht te brengen. Het hof heeft geen contact kunnen krijgen met mr. Sneper (in persoon). Uiteindelijk heeft het hof twee werkdagen voor de zitting nog een aantal stukken uit de procedure in eerste aanleg ontvangen. Bij deze stukken ontbreekt echter nog altijd het verzoekschrift met bijlagen in eerste aanleg van de GI.
Het hof beschikt dus niet over het complete dossier van de procedure in eerste aanleg. Toch zal het hof het namens de moeder ingestelde hoger beroep ontvankelijk verklaren en inhoudelijk behandelen. Een inhoudelijke beoordeling is in het belang van [minderjarige] en uit het verweer van de GI, zowel schriftelijk als mondeling op de zitting, is voor het hof voldoende duidelijk geworden wat de gronden zijn geweest voor het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met een jaar te verlengen.
Wat staat in de wet over een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling?
5.2.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar. [1]
Hoe oordeelt het hof over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling?
5.3.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] terecht heeft verlengd voor de periode van een jaar. Het hof zal dat hierna uitleggen.
5.4.
[minderjarige] is onder toezicht gesteld omdat er in het gedwongen kader gewerkt moest worden aan de volgende ernstige ontwikkelingsbedreigingen:
- de afwijzende houding van de moeder richting de vader;
- het ontbreken van communicatie tussen de ouders;
- het verstoorde contact tussen de vader en [minderjarige] .
Het hof is van oordeel dat deze ernstige ontwikkelingsbedreigingen nog steeds aanwezig zijn.
[minderjarige] heeft op dit moment geen contact met zijn vader. Hij heeft uitspraken gedaan bij de moeder en bij professionele betrokkenen die erop zouden kunnen duiden dat er sprake is geweest van fors grensoverschrijdend gedrag door de vader en/of seksueel misbruik van [minderjarige] door de vader. De GI heeft hierover melding gedaan bij de zedenrecherche. Naar aanleiding hiervan heeft de zedenrecherche onderzoek verricht en een studioverhoor afgenomen bij [minderjarige] . Uiteindelijk is in overleg met de Officier van Justitie besloten de vader niet te vervolgen.
De GI heeft een hulpverleningstraject gestart bij Praktijk Dichterbij. Tijdens dit traject zal door experts uit verschillende vakgebieden (multidisciplinair) onderzocht worden hoe de uitspraken van [minderjarige] verklaard kunnen worden en welke behandeling geïndiceerd is voor [minderjarige] en het gezinssysteem. De GI heeft grote twijfels over het waarheidsgehalte van de uitspraken van [minderjarige] . De moeder is er juist van overtuigd dat wat [minderjarige] vertelt, echt gebeurd is. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] belangrijk dat dit onderzoek naar de uitspraken van [minderjarige] plaatsvindt.
De GI heeft de keuze gemaakt om parallel aan dit onderzoek (opnieuw) begeleide omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader te starten bij een andere organisatie dan Praktijk Dichterbij, te weten Sipi. Het hof kan, mogelijk mede doordat het hof niet beschikt over het verzoekschrift met bijlagen van de GI in eerste aanleg, de begrijpelijkheid van deze keuze en handelwijze van de GI op dit punt niet volledig beoordelen. Het hof vraagt zich om twee redenen wel af of deze keuze in het belang van [minderjarige] is. De eerste reden is dat de mogelijkheid bestaat dat de uitspraken van [minderjarige] op waarheid berusten. In dat geval is het de vraag of het in het belang van [minderjarige] is omgang met zijn vader te hebben. [minderjarige] zou dan tijdens het onderzoek en de eventueel daarop volgende behandeling immers worden geconfronteerd met de vader, terwijl dat de behandeling dan mogelijk niet ten goede komt. De tweede reden is dat de omgangsmomenten begeleid zullen worden door een andere organisatie (Sipi) dan de organisatie die zal onderzoeken hoe het kan dat [minderjarige] deze uitspraken doet (Praktijk Dichterbij). Als er besloten wordt om begeleide omgangsmomenten te laten plaatsvinden, acht het hof het wenselijk dat daarbij ook iemand aanwezig is die betrokken is bij het onderzoek naar de uitspraken van [minderjarige] , zodat de observaties kunnen worden meegenomen bij de conclusies en adviezen die uit het onderzoek voortkomen. Het hof geeft dit de GI mee ter overweging bij de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling.
5.5.
De hiervoor genoemde vragen nemen niet weg dat gelet op de grote zorgen de hiervoor genoemde ontwikkelingsbedreigingen nog steeds aanwezig zijn. Om die ontwikkelingsbedreigingen te verminderen of op te heffen, is het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling noodzakelijk. De moeder gaat ervan uit dat de uitspraken van [minderjarige] de waarheid zijn. Daarom is er bij haar geen ruimte (meer) om open te staan voor de mogelijkheid dat de uitspraken van [minderjarige] een andere oorzaak hebben. De GI heeft de afgelopen tijd ook een patroon geconstateerd dat de moeder niet meer meewerkt of dat de samenwerking met haar veel moeizamer verloopt wanneer het niet gaat zoals de moeder wil. Het hof is er daarom niet van overtuigd dat de moeder in het vrijwillig kader het hulpverleningstraject bij Praktijk Dichterbij zal voortzetten als er tijdens dat traject aanwijzingen naar voren komen dat de uitspraken van [minderjarige] een andere oorzaak hebben dan de oorzaak waar de moeder van uitgaat.
5.6.
Het hof volgt de moeder verder niet in haar betoog dat de ondertoezichtstelling in strijd is met artikel 3 IVRK Pro en/of artikel 8 EVRM Pro. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] vormt weliswaar een inbreuk op het gezinsleven en/of privéleven en heeft dus een impact op [minderjarige] en de moeder, maar deze inmenging is bij de wet voorzien en het hof acht deze inmenging in dit geval noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel in het belang van [minderjarige] . Naar het oordeel van het hof is uit de stukken voldoende gebleken dat alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn. Van onrechtmatige inmenging is gezien het hiervoor overwogene geen sprake.
5.7.
De moeder heeft verzocht de ondertoezichtstelling voor een kortere termijn te verlengen. Zij heeft dit verzoek niet nader onderbouwd. Het hof ziet geen aanleiding om de ondertoezichtstelling voor een kortere termijn te verlengen en zal dit verzoek dus afwijzen.
5.8.
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de beslissing van de kinderrechter in stand moet blijven (moet worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 7 oktober 2025 over de ondertoezichtstelling van [minderjarige] ;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. C. Coster en mr. F. Menso, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:260 lid 1 BW Pro