ECLI:NL:GHARL:2026:1104

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.350.507/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:217 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen totstandkoming koopovereenkomst tweedehands Tesla wegens ontbreken definitieve financiering

In deze civiele zaak stond centraal of tussen Squab Automotive B.V. en JCR Beheer B.V. een koopovereenkomst tot stand was gekomen voor een tweedehands Tesla met kenteken [kenteken1]. Squab stelde dat JCR de overeenkomst niet was nagekomen en vorderde schadevergoeding, terwijl JCR betwistte dat er een overeenkomst was gesloten.

De kantonrechter oordeelde dat er wel een koopovereenkomst was, maar onder opschortende voorwaarde van financiering. Het hof bevestigde het oordeel dat de koop nog niet definitief was, maar op andere gronden. Na diverse proefritten en communicatie bleek dat partijen geen overeenstemming hadden bereikt over de financiering, mede door het verschil tussen marge-auto en btw-auto, en over de inruilwaarde van de beschadigde Porsche van JCR.

Het hof stelde vast dat het tekenen van een occasionspecificatie niet voldoende was om een definitieve koop te bewijzen. Het ontbreken van een akkoord op het financieringsvoorstel en onduidelijkheid over de schadeherstel van de inruilauto maakten dat er geen bindende koopovereenkomst was. De vordering van Squab werd daarom afgewezen en zij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat geen definitieve koopovereenkomst is gesloten en wijst de vordering van Squab af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.350.507/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10940950
arrest van 24 februari 2026
in de zaak van
SQUAB Automotive B.V. (Squab)
die is gevestigd in Almere
advocaat: mr. R.C.J. Jacobs
tegen
JCR Beheer B.V. (JCR)
die is gevestigd in Almere
advocaat: mr. J. Zoutberg

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 15 juli 2025 heeft op 11 december 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of tussen Squab en JCR een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot een Tesla, [model] , met kenteken [kenteken1] , en zo ja, of partijen daarbij een opschortende voorwaarde ten aanzien van de financiering zijn overeengekomen.
2.2
Squab heeft zich op het standpunt gesteld dat JCR de koopovereenkomst niet is nagekomen en heeft de overeenkomst ontbonden. Squab heeft bij de kantonrechter gevorderd dat hij JCR veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van 15% van de koopprijs. JCR heeft verweer gevoerd tegen deze vordering en is van mening dat partijen geen koopovereenkomst hebben gesloten.
2.3
De kantonrechter heeft deze vordering en de ingestelde nevenvorderingen van Squab afgewezen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat tussen partijen ten aanzien van de Tesla weliswaar een koopovereenkomst tot stand is gekomen, maar dat zij daarbij ook een opschortende voorwaarde ten aanzien van de financiering zijn overeengekomen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen.
2.4
Het hof is het met het eindoordeel van de kantonrechter eens, maar niet volledig met de door de kantonrechter gevolgde redenering. Dat wordt, na een uiteenzetting van de feitelijke achtergrond van het geschil, hierna uitgelegd.

3.De relevante feiten

3.1
Squab houdt zich onder meer bezig met de inruil en verkoop van tweedehands elektrische auto’s, eventueel door middel van financial lease.
3.2
JCR, in de persoon van haar eigenaar, de heer [naam1] (hierna: [naam1] ), heeft in september 2023 op de website van Squab een afspraak gemaakt voor een proefrit in een Tesla met kenteken [kenteken2] .
3.3
Op 30 september 2023 heeft [naam1] deze proefrit gemaakt. Deze auto was niet naar wens. Na afloop bespraken [naam1] en de heer [naam2] van Squab dat Squab een financieringsvoorstel zou doen voor een andere Tesla. Hierbij werd ook de inruil van de Porsche [model2] van JCR besproken.
3.4
Vervolgens heeft [naam2] op 7 oktober 2023 via WhatsApp aan [naam1] gevraagd voor welke auto hij een financieringsaanvraag moest doen. [naam1] heeft [naam2] een screenshot doorgestuurd van een Tesla met kenteken [kenteken1] .
3.5
[naam2] heeft [naam1] er toen op gewezen dat deze auto een zogeheten marge-auto betrof en heeft geschreven dat een btw-auto financieel aantrekkelijker voor hem zou zijn. Hierbij heeft [naam2] [naam1] een link doorgestuurd naar een andere Tesla met kenteken [kenteken3] . [naam1] heeft toen gereageerd door te zeggen:
“ja dat is akkoord als deze goed rijd.”
3.6
Op 10 oktober 2023 heeft [naam2] een financieringsvoorstel aan [naam1] gezonden voor deze Tesla ( [kenteken3] ). Dat voorstel hield in dat de auto voor € 61.982,62 (excl. btw) zou worden gekocht, dat JCR € 13.868,24 moest aanbetalen, dat de slottermijn
€ 15.495,66 bedroeg en het maandbedrag uitkwam op € 1.044,98.
3.7
Op 11 oktober 2023 heeft [naam1] een spraakopname aan [naam2] gezonden, waarin hij aangeeft de Tesla eerst te willen zien alvorens akkoord te geven.
3.8
[naam1] heeft op zaterdag 21 oktober 2023 een proefrit gemaakt in de Tesla met kenteken [kenteken3] . Na afloop van deze proefrit heeft [naam1] ook die auto afgewezen. Dit contact heeft [naam1] gehad met de vader van [naam2] (hierna: [naam3] ). [naam3] heeft [naam1] toen gewezen op de Tesla met kenteken [kenteken1] . Met deze auto heeft [naam1] vervolgens een proefrit gemaakt. [naam1] heeft die dag zijn handtekening gezet op de occasionspecificatie van deze Tesla ter waarde van € 64.999. [naam1] heeft [naam3] er toen ook gewezen dat aan de bumper van de Porsche [model2] schade was ontstaan.
3.9
Op 23 oktober 2023 heeft [naam2] [naam1] het volgende gemaild:
“Hoorde van mijn vader dat je zaterdag onze mooie [model] hebt gekocht, gefeliciteerd!!
Ik heb net een aangepast voorstel laten opmaken.
Als dit akkoord is dan zal ik de contracten op laten maken.”
3.1
Eveneens op 23 oktober 2023 maakt Squab een factuur op voor JCR met betrekking tot de aankoop van de Tesla ( [kenteken1] ) voor € 64.999.
3.11
Op 24 oktober 2023 heeft [naam2] via WhatsApp aan [naam1] laten weten dat hij de vorige dag een mail heeft gestuurd met het aangepaste voorstel voor de financiering van de Tesla, waarna hij [naam1] vraagt of hij deze mail heeft ontvangen.
3.12
Op 31 oktober 2023 bericht [naam1] aan [naam2] via WhatsApp dat hij heeft besloten niet over te gaan tot de koop van de Tesla omdat hij bij Squabs
‘voorstel te veel geld € 14.000 moet bij betalen’.
3.13
Op 3 november 2023 heeft Squab aan JCR een factuur gestuurd voor een bedrag van € 11.797,31 aan annuleringskosten.

4.Het oordeel van het hof

Inleiding
4.1
Squab heeft vier bezwaren (grieven) opgeworpen tegen het vonnis van de kantonrechter. [1] Die bezwaren zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde is gesloten, dat de koopovereenkomst daarmee nog niet definitief was, dat JCR geen drogreden heeft aangevoerd bij het weigeren van het financieringsvoorstel en tegen de proceskostenveroordeling. Het hof zal op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep eerst ingaan op het meest verstrekkende verweer van JCR, dat ook in hoger beroep is gehandhaafd, namelijk dat er in het geheel geen koopovereenkomst tot stand is gekomen.
Hebben partijen een koopovereenkomst gesloten voor de Tesla [kenteken1] ?
4.2
Het hof stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. [2] Om vast te kunnen stellen of ten aanzien van de Tesla in kwestie
( [kenteken1] ) een koopovereenkomst tot stand is gekomen, is het volgende van belang. Na afloop van de proefrit met de Tesla met kenteken [kenteken3] en nadat [naam1] deze Tesla had afgewezen, heeft [naam3] [naam1] gewezen op de Tesla met kenteken [kenteken1] . [naam1] heeft van [naam3] de sleutels gekregen en heeft een proefrit in deze Tesla gemaakt. Deze auto beviel [naam1] wel.
4.3
[naam1] heeft vervolgens een handtekening gezet op de optielijst die op het dashboard van de Tesla lag. In de visie van [naam1] was dat om de auto voor hem te reserveren, in afwachting van een nieuw financieringsvoorstel. In de visie van Squab was dat om de koop te sluiten. Ter zitting van het hof heeft [naam3] over wat na de proefrit zou hebben plaatsgevonden het volgende verklaard:
“ [naam1] zei: “Dit moet hem maar worden.” Toen kwamen we over de calculatie[hof: de financiering]
te spreken. Ik heb [naam1] toen gezegd: “Als je daarmee akkoord bent, dan gaat de leasemaatschappij het contract opmaken.” Dat was slechts een formaliteit, omdat [naam1] de Tesla graag wilde hebben en daarbij de leasefinanciering door wilde laten lopen.” [3]
4.4
In het feit dat er nog een nieuw financieringsvoorstel voor de Tesla in kwestie moest worden opgemaakt, ligt besloten dat de koop nog niet definitief was. Het financieringsvoorstel behelst meerdere punten waar partijen overeenstemming over moesten bereiken, namelijk de koopprijs van de auto, de inruilwaarde van de Porsche [model2] van JCR en de wijze van financiering en betaling. Voor het hof is voldoende komen vast te staan dat partijen sowieso over de laatste twee onderdelen nog geen overeenstemming hadden bereikt. Dat zal het hof toelichten.
4.5
Wat betreft de financiering en betaling van deze Tesla merkt het hof op dat het hier om een marge-auto gaat. Bij een marge-auto is de financiering wezenlijk anders dan bij een btw-auto, zoals de voorgaande twee Tesla’s waarin [naam1] een proefrit heeft gemaakt. Bij de koop van een btw-auto kan de btw door een btw-plichtige ondernemer, zoals JCR, worden verrekend, bij een marge-auto kan dat niet. Hierdoor ontstaat een andere financiële situatie. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat [naam2] [naam1] heeft voorgehouden dat een btw-auto financieel aantrekkelijker zou zijn. Voor de Tesla in kwestie heeft [naam1] pas per e-mail van 23 oktober 2023 een nieuw financieringsvoorstel ontvangen. Met dit nieuwe voorstel is [naam1] niet akkoord gegaan. Het hof gaat hierbij voorbij aan de stelling van Squab dat JCR wel akkoord was met dat voorstel omdat er geen bezwaar was gekomen op het eerdere financieringsvoorstel voor de Tesla met kenteken [kenteken3] en het nieuwe voorstel daar, aldus Squab, weinig van verschilde. Allereerst is niet gebleken dat JCR expliciet met dat financieringsvoorstel heeft ingestemd. Daarbij komt dat dat voorstel met [naam1] afwijzing van die auto, is komen te vervallen én dat het voorstel als gezegd op een ander soort auto zag, namelijk een btw-auto.
4.6
Ten aanzien van de inruilwaarde van de Porsche [model2] staat vast dat [naam1] aan [naam3] heeft gemeld dat de dag voor de proefrit schade was ontstaan aan de bumper van de Porsche. [naam1] en [naam3] hebben die dag gesproken over de opties ten aanzien van de schade. Gebleken is dat partijen nog geen overeenstemming hadden over de wijze van herstel van de schade. [naam3] had het herstel van de bumper begroot op ongeveer € 2.500. Dat bedrag zou van de inruilwaarde afgaan als de schade niet gerepareerd zou worden. Het stond [naam1] ook vrij om de reparatie zelf te regelen, in welk geval de inruilwaarde € 85.000 bleef. Omdat dit nog onduidelijk was, hadden partijen ook op dit punt nog geen definitieve overeenstemming bereikt.
4.7
Het voorgaande betekent dat door het ontbreken van overeenstemming op de hiervoor genoemde punten nog niet kan worden vastgesteld dat een koopovereenkomst is ontstaan. Deze conclusie wordt ook bevestigd door de e-mail van [naam2] aan [naam1] van 23 oktober 2023 (rov. 3.9), waarin hij, refererend aan een aangevraagd nieuw financieringsvoorstel, schrijft
“Als dit akkoord is dan zal ik de contracten op laten maken”. Daaruit volgt dat het [naam1] vrij stond om dit nieuwe voorstel niet te aanvaarden.
4.8
Onder deze omstandigheden hoefde [naam1] naar het oordeel van het hof niet te begrijpen dat een definitieve koopovereenkomst was gesloten. Evenmin mocht Squab daar in dit geval vanuit gaan. Voor het overige is door Squab onvoldoende onderbouwd dat toch een koopovereenkomst is gesloten. Daartoe is het tekenen van een ‘occasionspecificatie’ onvoldoende, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [naam1] . Squab heeft nog aangeboden te bewijzen dat er op 21 oktober 2023 een koopovereenkomst tot stand gekomen. Zoals overwogen kan die conclusie niet worden getrokken op de hiervoor in aanmerking genomen feiten en omstandigheden. Squab heeft geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Aan het bewijsaanbod gaat het hof dan ook voorbij. Dat betekent dat de vordering van Squab moet worden afgewezen.
4.9
Bij deze uitkomst kan de bespreking van de door Squab opgeworpen grieven achterwege blijven, omdat ook als die zouden slagen, dat niet kan leiden tot toewijzing van de vordering.
De conclusie
4.1
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Squab in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [4]

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt onder aanvulling van gronden het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 4 december 2024;
5.2
veroordeelt Squab tot betaling van de volgende proceskosten van JCR:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van JCR (2 procespunten x appeltarief II)
5.3
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M.W. Zandbergen en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2026.

Voetnoten

1.Dat vonnis is niet gepubliceerd.
2.Zie artikel 6:217 lid 1 BW Pro.
3.Zie proces-verbaal mondelinge behandeling 11 december 2025.
4.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.