Uitspraak
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
hierna:
[appellante]
1.[geïntimeerde1]die woont in [woonplaats1]hierna: [geïntimeerde1]
2. [geïntimeerde2]
[geïntimeerde2]
3. [geïntimeerde3]
[geïntimeerde3]
[geïntimeerden] c.s.
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
2.De nadere beoordeling
a) op welk bedrag dient de waarde te worden bepaald van de percelen grond (met de daar al dan niet op staande gebouwen) die behoren tot de nalatenschap van vader; de percelen van de landgoederen [naam1] , [naam2] en [naam3] ;
b) hoe moeten die percelen verdeeld worden over zijn erfgenamen, te weten zijn dochters [appellante] , [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] ;
d) op welke wijze dient de inboedel van landhuis [naam1] te worden verdeeld over de zussen;
e) kan de door de rechtbank als boedelnotaris benoemde notaris mr. [notaris1] , aanblijven als boedelnotaris;
g) kan het hof beslissen over een verdeling van het personeel van landgoed [naam1] ;
h) dient het arrest in de plaats van de wilsverklaring van een niet meewerkende partij te kunnen worden gesteld (art. 3:300 BW Pro).
Zij komen daarin tot de volgende geactualiseerde (totaal)waarden per 1 oktober 2024:
landgoed [naam3] € 923.104,00
landgoed [naam2]
€ 10.056.208,55
Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij [naam5] niet aanwezig was ondanks dat [geïntimeerde2] uitdrukkelijk in de gelegenheid was gesteld zich door hem te laten vergezellen, is [naam4] ingegaan op de bezwaren van [naam5] en gemotiveerd gebleven bij de eerdere weerlegging van die bezwaren in het deskundigenrapport.
Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan wat door de deskundigen in hun rapport en door [naam4] tijdens de zitting is aangevoerd als weerlegging van de bezwaren van [naam5] .
Daarbij weegt mee dat [naam5] in zijn brief van 16 januari 2025 weliswaar zijn bezwaren tegen het deskundigenrapport heeft gehandhaafd, maar dat hij geen nadere onderbouwing daarvan heeft verstrekt. Zijn bezwaren zijn hoofdzakelijk blijven steken in niet onderbouwde stellingen tegen door de deskundigen gehanteerde uitgangspunten voor de waardering. Die uitgangspunten lagen echter al vast omdat het deskundigenrapport alleen een markttechnische update diende te zijn van het deskundigenbericht dat eerder al aan de rechtbank was uitgebracht. De uitgangspunten die in dat eerdere rapport zijn gehanteerd hadden daarmee ook te dienen als uitgangspunten voor het rapport uitgebracht aan het hof. Voor zover [naam5] daarnaast andere bezwaren heeft gehandhaafd tegen de geactualiseerde waarden van diverse percelen en/of van op die percelen staande gebouwen, geldt ook dat hij zijn betreffende bezwaren niet heeft voorzien van de nodige onderbouwing.
[naam4] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er niet één index zal kunnen worden bepaald, maar dat het er zeker drie zullen moeten zijn, afhankelijk van de verschillende soorten percelen, waarvan de waarde per regio kan verschillen. Die bepaling zal volgens de deskundige echter nog wel enig onderzoek vergen, waarmee diverse weken, ongeveer zes tot acht, gemoeid zullen zijn. Bovendien, zo heeft hij gezegd, zal geen indexatie kunnen en mogen worden afgegeven voor de toekomst, omdat nu eenmaal niet in de toekomst kan worden gekeken.
Hier komt nog bij dat indexatie leidt tot een verlenging van deze procedure, waarin nu een eindbeslissing kan worden gegeven. De andere partijen hebben er een gerechtvaardigd belang bij dat die beslissing ook nu wordt gegeven en dat zekerheid bestaat over de bij de verdeling te hanteren waarden, zonder nog weer nader onderzoek.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam4] toegelicht dat bij de waardebepaling in het rapport voor de rechtbank ten onrechte over het hoofd is gezien dat tot dat perceel ook een paardenwei behoort. Door partijen is niet weersproken dat die verklaring toereikend is voor het verschil in oppervlakte tussen de beide taxaties. Daarmee kan voor de oppervlakte en de waarde van het perceel [adres1] worden uitgegaan van de oppervlakte en de waarde in het laatste deskundigenrapport.
[geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zeggen dat zij toedeling aan hen willen van landgoed [naam1] om gevolg te kunnen geven aan de uitdrukkelijke wens van hun vader in zijn testament om dat landgoed zoveel mogelijk bij elkaar te houden, en ook om het door te kunnen geven aan het nageslacht. Landgoed [naam2] kan dan worden toegedeeld aan [appellante] en [geïntimeerde1] . [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] realiseren zich daarbij dat zij bij een dergelijke verdeling aanzienlijk overbedeeld zullen worden, maar verwachten dat zij hun aanzienlijke overbedelingsschuld aan [appellante] en [geïntimeerde1] deels zullen kunnen voldoen in geld bij de overgang van landgoed [naam1] aan hen en voor een ander deel uit de opbrengst van de verkoop van verschillende percelen van het landgoed die zijn gelegen aan de rand ervan.
waardevermeerdering:
€ 821.809,00€ 31.852.277,66
waarde [naam3] € 923.104,00
waarde [naam2]
€ 10.056.208,55
verminderd met:
waarde extra percelen 0,5 x € 55.540 € 27.770,00 -/-
in verband met zakelijk recht ‘t Wormer
voor [geïntimeerde1] verminderd met:
€ 102.300,00 -/-€ 15.545.318,83
€ 55.540,00
€ 204.600,00
voor ieder: € 15.545.318.83
€ 6.046.696,27 -/-
2.27 [appellante] en [geïntimeerde1] hebben verder nog aangevoerd dat landgoed [naam1] na de toedeling daarvan aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] niet meer rendabel te exploiteren zal zijn. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben dat betwist en [appellante] en [geïntimeerde1] hebben hun stelling verder niet voldoende onderbouwd met financiële gegevens waaruit dat aannemelijk wordt. Het hof stelt vast dat volgens overgelegde jaarrekeningen nu wel een rendabele exploitatie van de landgoederen plaatsvindt. Dat in ieder geval [geïntimeerde2] daar daadwerkelijk vertrouwen in heeft, leidt het hof af uit het feit dat zij € 5.000.000 eigen vermogen wil steken in de overgang van landgoed [naam1] naar haar en [geïntimeerde3] . Of de exploitatie daadwerkelijk rendabel zal zijn moet nog blijken, maar komt verder voor rekening en risico van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3]
rente over de overbedelingsschulden
Daarbuiten vindt het hof toekenning aan [appellante] en [geïntimeerde1] van een voorkeursrecht een te ver strekkende inbreuk op de vrijheden die [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] na de verdeling toekomen met betrekking tot hun eigendomsrechten. Iets anders is dat het [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] vanzelfsprekend wel vrij staat om [appellante] en [geïntimeerde1] te betrekken in een voorgenomen verkoop. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben in dat verband tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat als een of meer percelen verkocht moeten worden, ook [appellante] en [geïntimeerde1] in aanmerking kunnen komen voor de verkrijging daarvan, als zij de hoogste koopprijs bieden.
In zoverre is sprake van een gelasting van de verdeling door het hof.
Voor zover [geïntimeerde1] nog heeft aangevoerd dat bij die verdeling ook nog bepaalde verrekeningen dienen plaats te vinden, valt dat buiten de reikwijdte van dit arrest, dat strekt tot verdeling van de nalatenschap. [geïntimeerde1] heeft haar stellingen ook onvoldoende uitgewerkt en daaraan geen concrete rechtsgevolgen verbonden.
Met betrekking tot het door [geïntimeerde1] verlangde voorschot hebben [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] aangevoerd dat de activiteiten die op [naam1] worden uitgevoerd de nodige liquiditeit vereisen en dat zij zich daarom verzetten tegen uitbetaling van een voorschot op die verdeling aan [geïntimeerde1] . Het hof acht dat standpunt niet onredelijk en zal daarom het gevraagde voorschot niet toekennen.
[appellante] en [geïntimeerde1] hebben verzocht om benoeming van een andere boedelnotaris. Zij hebben aangevoerd dat zij geen vertrouwen meer hebben in mr. [notaris1] . Als redenen daarvoor hebben zij gegeven dat de notaris een aan haar betaald voorschot voor de door haar te verrichten werkzaamheden onder zich heeft gehouden, en dat zij een kadastrale verdeling van een bepaald perceel op landgoed [naam1] tot stand zou hebben gebracht. [appellante] en [geïntimeerde1] hebben echter niet toegelicht waarom hun vertrouwen in de notaris daardoor is verdwenen, terwijl dat zonder een nadere toelichting niet duidelijk is. Het hof vindt het op zichzelf niet onbegrijpelijk dat de notaris een aan haar betaald voorschot onder zich heeft gehouden; zolang haar benoeming niet ongedaan is gemaakt, mag zij verwachten de werkzaamheden te zullen gaan verrichten waarvoor het voorschot is betaald. Ook is niet toegelicht waarom een bepaalde kadastrale verdeling wantrouwen zou rechtvaardigen. Overigens hebben [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] verklaard dat het niet ging om een kadastrale verdeling maar om de vestiging van een erfdienstbaarheid. Het hof handhaaft mr. [notaris1] daarom als boedelnotaris.
Het hof zal dat niet bepalen, omdat de uitvoering van dit arrest een notariële akte zal vergen, die mogelijk complex zal zijn. Op dit moment kan het hof niet overzien of een indeplaatsstelling daarbij dienstig zal zijn indien een of meer partijen niet hun medewerking mochten willen verlenen aan de totstandkoming van die akte. Het hof wijst partijen erop dat bij het ontbreken van die medewerking, de meest gerede partij de rechtbank op de voet van artikel 3:181 BW Pro kan verzoeken om de benoeming van een onzijdige persoon.
Een dergelijke verdeling is niet aan het hof. Het hof is geen inzicht gegeven in hoe de arbeidsovereenkomsten met de werknemers luiden. Als er sprake van zou kunnen zijn dat de arbeidsverhouding van een werknemer door de verdeling overgaat naar een of meer bepaalde erfgenamen (bijvoorbeeld op grond van artikel 7:663 BW Pro), is dat een gevolg van die verdeling; arbeidsverhoudingen of -overeenkomsten zijn geen goederen die verdeeld kunnen worden door een rechter.
3.De beslissing
3) bepaalt dat wat in enig jaar meer mocht zijn voldaan dan is verschuldigd op grond van het hiervoor onder 2) bepaalde, in mindering strekt op wat in het jaar/de jaren daarop verschuldigd is;
- voor de verdeling als uitgangspunt de waardebepaling geldt volgens het taxatierapport van 25 oktober 2019, vermeerderd met € 10.000 voor de wapens, totaal een bedrag van € 2.928.550;
kwartvan de gezamenlijke waarde van € 2.928.550;