ECLI:NL:GHARL:2026:1082

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.362.336/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265b lid 2 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing van jongste kinderen bevestigd wegens ernstige opvoedingsproblemen

De moeder heeft zes minderjarige kinderen, waarvan vier uit huis geplaatst zijn. De twee jongste kinderen staan sinds september 2024 onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI) en zijn uit huis geplaatst in een pleeggezin. De moeder oefent alleen gezag uit over deze twee kinderen.

De GI verzocht verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot september 2026, welke door de kinderrechter werd toegewezen. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en wilde de verlenging ongedaan maken of verkorten. Het hof heeft de beslissing van de kinderrechter bevestigd.

Het hof constateert ernstige zorgen over de opvoedingsomgeving bij de moeder, waaronder verwaarlozing, hygiëneproblemen, financiële problemen en onvoorspelbaar gedrag van de moeder. Ondanks diverse hulpverlening en zorgmeldingen is de situatie niet verbeterd. De jongste kinderen vertonen minder gedragsproblemen dan hun oudere zussen, maar zijn ook ernstig tekortgekomen.

De omgang met de moeder is beperkt en vindt momenteel via beeldbellen plaats. De GI onderzoekt de mogelijkheden voor een gezinsopname, maar stelt voorwaarden zoals stabiele omgang en samenwerking van de moeder. Het hof acht terugplaatsing op dit moment niet verantwoord en bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de gevraagde termijn.

Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de twee jongste kinderen is bevestigd tot 17 september 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.336/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 246375)
beschikking van 24 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling,
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering(de GI),
verweerster in hoger beroep,
locatie Groningen.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1
. de pleegouders van [de minderjarige1],
wonende op een geheim te houden adres,

2 de pleegouders van [de minderjarige2] ,

wonende op een geheim te houden adres.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd tot 17 september 2026. Het hof beslist dat de beslissing van de kinderrechter zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
De moeder heeft zes minderjarige kinderen. De oudste twee wonen op [plaats1] . De andere vier kinderen ( [kind1] , [kind2] , [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ) wonen in Nederland.
Alle vier de kinderen zijn uit huis geplaatst.
2.2
De moeder oefent alleen het gezag uit over:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2018; en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2021.
De vaders zijn niet of nauwelijks in beeld.
2.3
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 17 september 2024 onder toezicht van de GI.
Bij beschikking van 18 februari 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gedurende dag en nacht in een pleeggezin verleend.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1
De GI heeft de kinderrechter verzocht -voor zover hier van belang- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voor nog een periode van een jaar onder toezicht te stellen en uit huis te mogen plaatsen, tot 17 september 2026.
3.2
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 4 september 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt voor zover deze ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , dan wel deze maatregel verlengt voor een kortere periode.
4.2
De GI wil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
4.3
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift met bijlage(n);
  • het verweerschrift met bijlage(n);
  • de brief van de raad van 8 januari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • een journaalbericht namens de moeder van 17 januari 2026 met bijlage(n);
  • een journaalbericht namens de moeder van 19 januari 2026 met bijlage(n).
4.4
De zitting bij het hof was op 27 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat; en
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

De wet
5.1
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen als dat noodzakelijk is voor hun verzorging en opvoeding of voor onderzoek van de kinderen [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt [2] .
De (verlenging van de) uithuisplaatsing
5.2
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter op de juiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heeft verlengd. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter over en maakt deze, na eigen onderzoek, tot de zijne. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
5.3
Uit het dossier en wat ter zitting is besproken, blijken ernstige zorgen over de opvoedingsomgeving van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder. Deze zorgen zien op de basale verzorging van de kinderen (vuile, niet passende kleding), de hygiëne in huis (rommel, vies, stank), verwaarlozing en financiële problematiek. Door persoonlijke problematiek, stress en overbelasting was de moeder onvoldoende emotioneel en fysiek beschikbaar voor de kinderen en reageerde zij vaak onvoorspelbaar. De kinderen waren erg op zichzelf aangewezen en zorgden voor elkaar. Er zijn de afgelopen jaren in dit verband meerdere zorgmeldingen gedaan bij Veilig Thuis. In het gezin zijn gedurende een lange periode verschillende vormen van hulp ingezet op zowel praktisch gebied als intensieve opvoedondersteuning (door: [naam1] , [naam2] , [naam3] , [naam4] , [naam5] , [naam6] en [naam7] ), maar dit heeft niet kunnen voorkomen dat de vier kinderen uit huis zijn geplaatst. De kinderen werden ouder en de zorgen namen toe. De moeder laat veel weerstand zien, is snel gefrustreerd en is regelmatig in conflict met haar omgeving (hulpverlening, buren, school). Begin januari 2025 zijn er meerdere incidenten geweest, waarbij de moeder onder invloed en overstuur was en de kinderen heeft geslagen. De kinderen werden bij de buren ondergebracht. De politie heeft melding gemaakt van de onveilige situatie en aangegeven dat de kinderen niet bij de moeder konden blijven. In januari 2025 is [naam8] ( [naam8] ) gestart met ouderschapsdiagnostiek. Dit kwam echter niet van de grond; afspraken werden door de moeder niet nagekomen, er was geen contact met de kinderen mogelijk en er was geen motivatie vanuit de moeder om de zorgen te bespreken en een hulpvraag te formuleren.
5.4
Dit alles heeft zijn weerslag op de kinderen. Met name de oudste twee zussen, [kind1] en [kind2] , laten heftige gedragsproblematiek zien. De fysieke omgang tussen de moeder en de kinderen verliep ook niet probleemloos. Er waren veel escalaties tussen de oudste zussen, maar ook [de minderjarige1] en [de minderjarige2] reageerden sterk op de omgang met ongereguleerd gedrag, boze buien, spanning en bedplassen. De moeder kwam vaak te laat, hield zich niet aan veiligheidsafspraken, was weinig leerbaar, belastte de kinderen met volwassenzaken en kwam niet naar het evaluatiegesprek in september 2025. De omgang is daarom aangepast en vindt nu één keer per maand plaats via beeldbellen met alleen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (zonder de oudste zussen). Dit verloopt op zich positief en zal binnenkort worden geëvalueerd. Aan de hand van de evaluatie zal worden besproken hoe de omgang weer kan worden opgebouwd. Met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gaat het goed in het pleeggezin. Zij lieten eerder stil en aangepast gedrag zien, maar tonen steeds meer emotie.
De GI heeft in eerste instantie (halverwege 2025) ingezet op een gezinsopname van de moeder met [kind2] bij [naam9] , omdat een opname met vier kinderen niet haalbaar is. Hier is echter van afgezien vanwege de ernstige problematiek bij [kind2] . De GI begrijpt dat de moeder zo snel mogelijk een gezinsopname wil met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , maar wil eerst onderzoeken of een dergelijke opname kans van slagen heeft omdat dit voor de kinderen ook ingrijpend zal zijn. Hiervoor is in elk geval nodig dat de omgang structureel, stabiel en veilig kan plaatsvinden, de moeder samenwerkt met de hulpverlening en zich leerbaar opstelt. De GI heeft het regionaal expertteam verzocht onderzoek te doen naar het gezinssysteem, welke opgroeisituatie passend is voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en of een gezinsopname (bij voorkeur in [plaats2] ) tot de mogelijkheden behoort.
Dit onderzoek is in november 2025 gestart en begin februari 2026 wordt de verklarende analyse verwacht.
5.5
De moeder stelt dat de ontregeling en onrust in het gezin vooral te maken had met [kind1] en [kind2] , en ziet (inmiddels) in dat zij nu niet terug naar huis kunnen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] laten volgens de moeder echter niet, althans in mindere mate, zorgelijk gedrag zien en zij kan hen, zonder de oudste twee zussen, meer aandacht geven en rust bieden. Het gaat ook beter met de moeder, ze heeft baat bij de begeleiding vanuit [naam3] , is gestart met een studie Nederlandse taal (waarna ze de opleiding tot verpleegassistent wil doen) en met therapie.
5.6
Het hof vindt het positief dat de moeder stappen zet om haar leven meer op orde te krijgen, maar daarmee zijn de zorgen over de kinderen nog niet weggenomen. De samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening, waaronder de GI, verloopt niet constructief. De taal- en cultuurbarrière is daarbij niet helpend, maar dat is niet de enige belemmering. Vanuit haar wantrouwen, verschil in visie en afhoudende houding is de moeder moeilijk aan te sturen en onvoldoende in staat te reflecteren op eigen gedrag. Er is (daardoor) nog steeds onvoldoende zicht op de problematiek en (pedagogische) mogelijkheden van de moeder met betrekking tot de zorg en opvoeding van de kinderen, terwijl de veiligheid en het welzijn van de kinderen al lange tijd een grote zorg zijn. Dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , die jonger zijn en een andere voorgeschiedenis kennen dan hun twee oudere zussen, op dit moment in mindere mate gedragsproblemen laten zien, is op zich juist maar maakt het voorgaande niet anders. Aannemelijk is dat ook [de minderjarige1] en [de minderjarige2] jarenlang ernstig tekort zijn gekomen in de opvoedsituatie bij de moeder. Nu de resultaten van het expertteam ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet binnen waren en de noodzakelijk geachte ouderschapsbeoordeling nog niet heeft plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat reeds hierom van een terugplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder op dit moment geen sprake kan zijn.
Conclusie
5.7
Het hof concludeert dat de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] terecht zijn verlengd, en zal de bestreden beschikking in zoverre dan ook bekrachtigen. Het hof ziet gelet op de aard en de ernst van de zorgen en de stappen die nog gezet moeten worden ook geen reden om de machtigingen voor een kortere termijn te verlengen, zoals de moeder heeft verzocht.
5.8
Het hof merkt tot slot het volgende op. De situatie is inmiddels gewijzigd in die zin dat op dit moment alleen nog wordt gekeken naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (en niet van [kind1] en [kind2] ). Het hof gaat ervan uit dat de GI, gelet op die nieuwe situatie, de aanvaardbare termijn waarbinnen het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] duidelijk moet zijn en de tijd die inmiddels is verstreken, op voortvarende wijze de stappen zal zetten die hiervoor nodig zijn.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 4 september 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. J.G. Knot en mr. B.J. Voerman, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 24 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.