ECLI:NL:GHARL:2026:1080

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.357.467/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 38v SrArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en omgangsregeling vader met minderjarige wegens veiligheid en belangen kind

De ouders van een minderjarige zijn in geschil over het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling. De moeder oefent momenteel het gezag uit en de minderjarige woont bij haar. Na het uiteengaan van de ouders is een omgangsregeling overeengekomen, maar deze is in april 2022 gestopt. De vader is strafrechtelijk veroordeeld wegens belaging en bedreiging van de moeder, met een contactverbod van vijf jaar.

De rechtbank wees het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af en stelde een begeleide omgangsregeling vast. Het hof bevestigt dat gezamenlijk gezag niet mogelijk is vanwege het ernstige wantrouwen en de veroordeling van de vader, wat een onaanvaardbaar risico voor het kind vormt. De omgangsregeling is moeizaam verlopen, mede door de psychische klachten van de moeder (PTSS, angststoornis) en het gebrek aan inzicht van de vader in zijn gedrag.

Het hof oordeelt dat omgang met de vader op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige en wijst het verzoek tot vaststelling van omgang af. De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot ontzegging van omgang, omdat zij dit niet in eerste aanleg heeft gedaan. Het hof bekrachtigt de afwijzing van gezamenlijk gezag en vernietigt de omgangsregeling van de rechtbank, wijzend het verzoek van de vader af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag en omgang af vanwege veiligheid en belangen van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.467/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 218107)
beschikking van 24 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont op een geheim adres,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. E. Peeters te Groningen,
en
[verweerster](de moeder),
die woont op een geheim adres,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Schlepers te Groningen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 6 april 2023, 31 juli 2024 en 24 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 24 april 2025 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 23 juli 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 14 augustus 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep namens de moeder met bijlage(n);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep namens de vader met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 7 januari 2026 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 27 januari 2026 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad was een vertegenwoordiger aanwezig. Mr. Peeters heeft een pleitnota overgelegd.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2020.
De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
Na het uiteengaan van de ouders zijn zij een omgangsregeling overeengekomen waarbij de vader en [de minderjarige] elkaar twee keer per week zouden zien. In april 2022 is de omgangsregeling gestopt.
3.3
Bij beschikking van 6 april 2023 is aan de vader vervangende toestemming gegeven tot erkenning van [de minderjarige] , en is de beslissing ten aanzien van het verzoek van de vader om een contactregeling tussen hem en [de minderjarige] te bepalen en hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag aangehouden, in afwachting van onderzoek en advies door de raad.
De raad heeft een rapport opgesteld d.d. 5 maart 2024.
3.4
Bij beschikking van 31 juli 2024 heeft de rechtbank - kort gezegd - de ouders verwezen naar [naam1] voor ondersteuning/begeleiding in de voorbereiding van begeleide omgang (statusvoorlichting) tussen de vader en [de minderjarige] en bepaald om indien mogelijk te starten met een voorlopige begeleide omgangsregeling, waarbij de regie bij [naam1] ligt. Indien het traject staakt (om welke reden dan ook) is [naam1] verzocht een rapportage toe te zenden aan de rechtbank en belanghebbenden, en de raad te informeren.
3.5
De vader is bij vonnis van 9 september 2024 strafrechtelijk veroordeeld wegens belaging van de moeder en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, waarvoor hem een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarbij geldt een contactverbod ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht (Sr), voor de duur van twee jaren. De maatregel is meteen uitvoerbaar verklaard.
De vader heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.
3.6
Bij arrest van dit hof van 27 oktober 2025 zijn de hiervoor vermelde strafbare feiten (opnieuw) bewezen verklaard en is de vader (opnieuw) strafbaar verklaard. De vader is in cassatie gegaan van deze uitspraak.
3.7
[naam1] heeft in een brief van 4 november 2025 laten weten dat het hen niet langer lukt de omgang tussen [de minderjarige] en de vader te faciliteren, omdat de moeder heeft aangegeven [de minderjarige] niet langer te brengen.
3.8
Bij vonnis in kort geding van 22 december 2025 heeft de voorzieningenrechter de omgang tussen de vader en [de minderjarige] met ingang van de datum van de beslissing opgeschort voor de duur van drie maanden.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen zijn in geschil het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en (de invulling van) het recht op omgang van de vader met [de minderjarige] .
4.2
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] afgewezen, en een (definitieve) omgangsregeling vastgesteld die inhoudt dat [de minderjarige] en de vader omgang met elkaar hebben onder begeleiding van [naam1] , waarbij [naam1] de regie heeft over een eventuele uitbreiding van de omgang.
4.3
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:
I. de vader alsnog met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] ;
II. zijn verzoeken uit eerste aanleg ten aanzien van de omgangsregeling (met een kleine aanpassing) toe te wijzen, op basis waarvan:
- [de minderjarige] voor een periode van twee maanden elke donderdag van 15:00 uur tot 17:00 uur contact heeft met de vader onder begeleiding van [naam1] bij het omgangshuis;
- [de minderjarige] in de periode daaropvolgend voor in een periode van twee maanden elke donderdag van 15:00 uur tot 17:00 uur begeleid contact heeft met de vader bij de vader thuis, waarbij [naam1] haalt en brengt;
- [de minderjarige] in de periode daaropvolgend voor een periode van twee maanden elke donderdag van 13:00 uur tot 17:00 uur begeleid contact heeft met de vader bij de vader thuis, waarbij [naam1] haalt en brengt;
- [de minderjarige] in de periode daaropvolgend voor een periode van twee maanden elke donderdag van 13:00 uur tot 17:00 uur begeleid contact heeft met de vader bij de vader thuis, waarbij [naam1] haalt en brengt alsmede één keer per 14 dagen van zaterdag 9:00 uur tot zondag 18:00 uur onbegeleid contact met de vader bij de vader thuis waarbij het halen en brengen door de moeder van [verzoeker] ( [naam2] ) wordt gefaciliteerd, dan wel een door de moeder in te schakelen persoon;
- [de minderjarige] elke donderdag van 13:00 uur tot 17:00 alsmede één keer per 14 dagen van zaterdag 9:00 uur tot zondag 18:00 uur onbegeleid contact heeft met de vader bij de vader thuis,
- [de minderjarige] de eerste twee weken van de zomervakantie bij de vader verblijft, alsmede in de oneven jaren op eerste kerstdag van 9:00 uur tot 20:00 uur en op zijn verjaardag van 9:00 uur tot 20:00 uur en in de even jaren op tweede kerstdag van 9:00 uur tot 20:00 uur alsmede tijdens oud & nieuw, waarbij het halen en brengen door de moeder van [verzoeker] ( [naam2] ) wordt gefaciliteerd, dan wel een door de moeder in te schakelen persoon.
4.4
De moeder voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het de afwijzing van de verzoeken van de vader ten aanzien van het gezag en de omgang betreft, en de vader in zijn verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen, althans te bepalen zoals het hof juist acht.
In incidenteel hoger beroep verzoekt de moeder het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de omgangsregeling betreft, en aan de vader het recht op omgang te ontzeggen, althans te bepalen zoals het hof juist acht.
4.5
De vader verzoekt het hof het incidentele verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Inleiding
5.1
De moeder stelt dat sprake was van een destructieve relatie tussen haar en de vader, die zich kenmerkte door ruzies en verbaal geweld.
De vader was overheersend en de moeder was mede vanwege het leeftijdsverschil onvoldoende weerbaar en ervoer dwang. Sinds hun definitieve relatiebreuk (eind 2021) vreest zij voor de vader. Ze heeft aangifte tegen hem gedaan van stalking, bedreiging en vernieling (auto in brand zetten, lek steken van autobanden, glas gooien tegen deur). De vader toont nog steeds geen enkel inzicht in wat hij haar heeft aangedaan en (mede daarom) heeft zij angst voor hoe de vader zich in de toekomst zal gedragen. Alleen al vanwege het contactverbod is gezamenlijk gezag onmogelijk. Daar komt bij dat zij extreme spanning ervaart door de rol van de vader in haar leven, via [de minderjarige] . Zij heeft geprobeerd om uitvoering te geven aan de begeleide omgang, zoals vastgelegd in de bestreden beschikking, maar dit heeft te veel van haar gevraagd en daardoor is zij overbelast.
5.2
Volgens de vader kloppen de aangiftes niet. De vader denkt dat de moeder dit heeft gedaan omdat hij om een omgangsregeling met [de minderjarige] vroeg. Hij is goed geweest voor de moeder. Ze pasten weliswaar niet bij elkaar, maar er waren volgens hem geen problemen of ruzies. Verder heeft hij cassatie ingesteld van het onder 3.6 genoemde arrest van dit hof van 27 november 2025 en betwist hij de aan hem ten laste gelegde feiten. Volgens hem zijn de berichten op de telefoon van de moeder, waarop de veroordeling mede is gegrond, gemanipuleerd. Hij wil de kans krijgen om zijn rol als vader in te vullen door samen met de moeder het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen en hij wenst uitbreiding van de omgang, zodat hij een goede band met [de minderjarige] kan opbouwen.
5.3
De raad handhaaft zijn advies om het verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag af te wijzen. Ten aanzien van de omgang ziet de raad een dilemma. De omgangsmomenten tussen de vader en [de minderjarige] verliepen op zichzelf goed en voor de ontwikkeling van [de minderjarige] is contact met zijn vader en het opbouwen van een goede band belangrijk. Tegelijkertijd is duidelijk dat de belastbaarheid van de moeder onder druk staat en dat de vader geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Het is niet in het belang van [de minderjarige] dat er een knipperlichtcontact tussen hem en de vader ontstaat, waarin er dan weer wel en dan weer geen contact is, omdat dit mogelijk leidt tot hechtingsproblemen bij [de minderjarige] .
5.4
Uit het dossier blijkt dat de vader bij vonnis van 9 september 2024 strafrechtelijk is veroordeeld voor - kort gezegd - belaging van de moeder en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. In hoger beroep heeft dit hof, bij arrest van
27 oktober 2025, voornoemde handelingen bewezen verklaard (in de periode tussen
30 juli 2022 en 12 augustus 2022). Het hof heeft onder andere overwogen dat de aard, de duur, de frequentie en de indringendheid van de bewezen verklaarde feitelijke handelingen die de verdachte (de vader) heeft verricht, zoals daarvan blijkt uit de bewijsmiddelen die het hof hanteert, van dien aard zijn dat sprake is van een opzettelijke stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de moeder. In het kader van die veroordeling is naast een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar, als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de moeder opgelegd voor de duur van vijf jaar (krachtens artikel 38v Sr), behalve indien en voor zover nodig is met het oog op de uitvoering van de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] . Het opgelegde contactverbod is daarmee drie jaren langer dan de rechtbank had opgelegd, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de vader ook op de zitting volhardt in zijn negatieve houding richting de moeder, ondanks interventie door de politie en justitie, en dat inzicht in de strafwaardigheid van zijn gedrag volkomen lijkt te ontbreken.
Het hof gaat uit van de juistheid van deze uitspraak.
De stellingen van de vader in hoger beroep op dit punt en het gegeven dat hij cassatie heeft ingesteld van dit arrest maken dat niet anders.
Uit de stukken blijkt verder dat de moeder al eens eerder, medio 2021, meerdere keren door de vader is lastiggevallen in het kader van een eerdere (tijdelijke) relatiebreuk. Daarnaast is ruim een jaar later (op 30 september 2022) aan de vader een gedragsaanwijzing uitgereikt en een gebiedsverbod opgelegd ter bescherming van de veiligheid van de moeder, voor de periode van 24 september 2022 tot 22 december 2022. Het was de vader verboden zich op te houden bij het verblijfadres van de moeder en bij de opvang van [de minderjarige] . Dit verbod is volgens de moeder (ten minste) eenmaal overtreden. Verder blijkt uit de stukken dat de vader, hoewel een lange tijd geleden, in 2004 al eens is veroordeeld ter zake van belaging.
Het Verdrag van Istanbul
5.5
Op 1 maart 2016 is het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul) voor Nederland in werking getreden. Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. Verdragspartijen moeten wetgevende of andere maatregelen nemen om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag (artikel 31 van Pro het Verdrag van Istanbul).
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft duidelijke richtlijnen gegeven voor situaties van huiselijk geweld en drie noodzakelijke stappen voorgeschreven: onmiddellijke actie, adequate inschatting van de risico’s (ook voor de kinderen) en het op basis van die inschatting nemen van adequate en proportionele maatregelen. [1] Ook uit artikel 19 van Pro het Internationale Verdrag Inzake de Rechten van het Kind en het daarbij behorende General Comment volgt dat als er signalen zijn van partnergeweld deze nader moeten worden onderzocht, omdat dit direct een belangrijke aanwijzing oplevert dat ook de kinderen slachtoffer kunnen zijn of worden van geweld.
5.6
Het hof stelt voorop dat, gelet op het arrest van 27 oktober 2025 en de overige stukken in het dossier, voldoende is komen vast te staan dat er in de (ex-)partnerrelatie tussen de vader en de moeder sprake is geweest van stalking, bedreiging, belaging en het uitoefenen van controle (ro. 5.4), en dat deze handelingen vallen onder (emotioneel en psychologisch) partnergeweld waarop het Verdrag van Istanbul mede ziet.
In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen/mannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet doen en dat de veiligheid van de ouder en het kind van zwaarwegend belang zijn bij de vraag welke gezagsbeslissing en/of omgangsregeling in het belang van het kind is. Voor het hof betekent dit dat er bij de beslissingen in deze zaak rekening mee moet worden gehouden dat de rechten en de veiligheid van de moeder en [de minderjarige] gewaarborgd zijn. Daarbij weegt het hof ook de relationele geschiedenis van partijen mee en de impact daarvan op (de belastbaarheid van) de moeder, en daarmee ook op [de minderjarige] .
Het gezag
5.7
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder niet instemt, wordt het verzoek, gelet op artikel 1:253c, lid 2 BW slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.8
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten door de rechtbank terecht is afgewezen. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders in staat zijn om in onderling overleg beslissingen te nemen over de verzorging en opvoeding van hun kind, op een wijze die niet belastend is voor het kind. Deze minimaal noodzakelijke basis ontbreekt in dit geval. De verstandhouding tussen de ouders is ernstig verstoord; er is sprake van een groot onderling wantrouwen en er vindt geen enkele communicatie plaats. Duidelijk is dat de ouders een verschillende visie hebben op hun relatie en op de gebeurtenissen in het verleden. Echter staat vast dat de vader in hoger beroep (opnieuw) is veroordeeld en dat aan hem een contactverbod is opgelegd voor de duur van vijf jaar. Een constructieve samenwerking tussen de ouders is alleen gelet daarop al (praktisch) onmogelijk. Bovendien is niet aannemelijk dat de verstandhouding van de ouders de komende periode zal verbeteren. Het hof is dan ook van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders wanneer zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, en dat afwijzing van het verzoek van de vader ook anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.
De omgangsregeling
5.9
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Op grond van 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.1
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen.
5.11
In februari 2025 is de begeleide omgang via [naam1] opgestart. Afgesproken is dat [de minderjarige] en de vader elkaar eens in de twee weken een uur zien, waarbij de vader - gelet op het contactverbod - een kwartier eerder aanwezig is en later vertrekt.
Uit de observatieverslagen van [naam1] blijkt dat de omgangsmomenten die er zijn geweest goed en ontspannen zijn verlopen. De vader sloot goed aan bij het spel van [de minderjarige] , kon hem begrenzen en [de minderjarige] was vaak blij en vrolijk tijdens de omgang. De uitvoering van de begeleide omgangsregeling verliep echter moeizaam. De moeder heeft gedurende het traject meermaals aangegeven te willen stoppen met de omgang, omdat zij tegen dingen aanloopt en zich niet gehoord voelt door [naam1] . Negen van de 21 geplande omgangsmomenten zijn niet doorgegaan door een afzegging van de moeder. Ook de vader heeft afspraken afgezegd (om zijn vragen te bespreken), reageerde niet op voorstellen voor een evaluatiegesprek en conformeerde zich niet altijd aan de door [naam1] gestelde voorwaarden. Zo nam hij het kwartier speling rondom de omgangsmomenten niet serieus, besprak hij zaken met [de minderjarige] die niet voor een kind zijn bedoeld (over de moeder en afspraken met het omgangshuis) en nam hij tegen afspraak in speelgoed/cadeaus/eten mee. Uit de verslagen van [naam1] blijkt verder dat de vader alleen nog via e-mail contact met [naam1] mocht hebben, omdat hij eerder overmatig contact zocht. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij de vader twee keer is tegengekomen. De ouders zijn er door [naam1] meermaals op gewezen dat zij zich, gelet op het belang van [de minderjarige] bij voorspelbaarheid en continuïteit in de regeling, aan gemaakte afspraken dienen te houden en zich flexibel dienen op te stellen wanneer bijvoorbeeld een afspraak moet worden verplaatst. Eind oktober 2025 heeft [naam1] geadviseerd de omgang nog niet uit te breiden in frequentie omdat de doelen nog niet zijn behaald, maar wel in duur naar anderhalf uur. In november 2025 heeft de moeder echter laten weten niet meer mee te werken en is de omgang gestopt.
5.12
Bij beschikking van 22 december 2025 heeft de voorzieningenrechter de geldende omgangsregeling voor drie maanden geschorst, dus tot 22 maart 2026. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat het de moeder op dit moment niet langer lukt om de omgangsregeling vorm te geven. De moeder draagt de volledige zorg voor [de minderjarige] en heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter tijd en ruimte nodig om te verwerken wat zij heeft meegemaakt. Gezien haar kwetsbare situatie moet worden voorkomen dat de vrouw uitvalt, hetgeen directe en verdere gevolgen zou hebben voor de zorg voor [de minderjarige] , aldus de voorzieningenrechter.
5.13
Het hof stelt vast dat de moeder vanwege haar verleden met de vader ernstige psychische klachten heeft ontwikkeld (een angststoornis, agorafobie en PTSS), waarvoor zij in 2023 in therapie is geweest. De juridische procedures en begeleide omgang hebben opnieuw een enorme weerslag gehad op haar draaglast. Zij ervaart al jaren stress en angstklachten die haar dagelijkse leven beïnvloeden. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder naar voren gebracht dat dit zich bij de moeder fysiek uit in neerslachtigheid, moeilijk inslapen en overgeven. Het is de moeder niet gelukt om zich volledig in te zetten voor de omgang vanwege haar trauma, zorgen over de persoonlijkheid van de vader, zijn ongewijzigde opstelling en de recente overwegingen van het hof in dit verband. Uit het arrest van 27 oktober 2025 volgt dat het hof het risico op het opnieuw begaan van strafbare feiten hoog inschat, wat heeft geleid tot oplegging van een fors langer contactverbod.
Zoals hiervoor overwogen bleek het voor [naam1] lastig om tot een goede samenwerking te komen met de ouders. Hoewel de omgang op zichzelf goed verliep en het vaak de moeder was die omgangsafspraken afzegde, heeft de vader op geen enkele wijze laten zien dat hij in staat is op zichzelf te reflecteren en inzicht te tonen in de impact van zijn handelen op de moeder, terwijl er een strafrechtelijke veroordeling ligt. Aan de vader is bovendien al eens eerder een gedragsaanwijzing en gebiedsverbod opgelegd.
Het hof vindt het in dit verband tekenend dat de vader - ondanks het contactverbod - het risico heeft genomen om de moeder tegen het lijf te lopen, en zelf in de veronderstelling verkeerde dat de afspraak over het kwartier speling alleen te maken had met een voorbespreking van de omgang. Dit gebrek aan inzicht houdt de onrust en stress van de moeder in stand. Het hof is van oordeel dat het voortzetten van omgang op dit moment een zodanig negatief en verstorend effect heeft, dat dit de moeder te zeer belast. Gelet op haar al kwetsbare situatie kan deze belasting ernstige gevolgen hebben voor het functioneren van de moeder als ouder en daarmee nadelige gevolgen hebben voor de opvoedsituatie en het welzijn van [de minderjarige] . De continue spanning heeft de moeder genoodzaakt om opnieuw te starten met traumabehandeling. In februari 2026 heeft zij een derde gesprek. Het hof is het met de voorzieningenrechter eens dat de moeder nu eerst tijd en ruimte dient te krijgen om te verwerken wat zij heeft meegemaakt en in staat wordt gesteld om goed voor [de minderjarige] te zorgen. Zij moet hierin niet worden belemmerd door (toenemende) psychische klachten. Het ligt op de weg van de vader om stappen te zetten die hem helpen inzicht te krijgen in de impact die zijn gedrag op de moeder heeft (gehad), wellicht met behulp van psycho-educatie, zodat in de toekomst mogelijk weer een basis ontstaat voor contact met [de minderjarige] . Tegelijkertijd wordt van de moeder verwacht dat zij de komende tijd daadwerkelijk stappen zet om met haar angst om te gaan en te werken aan haar weerbaarheid.
Het hof betrekt tot slot in zijn beslissing dat als een omgangsregeling zou worden bepaald, [de minderjarige] erop moet kunnen vertrouwen dat deze regeling voorspelbaar is en structureel wordt nagekomen, om teleurstelling te voorkomen. Dit is volgens het hof onder de huidige omstandigheden, mede gelet op de moeizame uitvoering van de omgang tot dusver, nog niet aan de orde.
5.14
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat omgang met de vader in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling zal het hof dan ook afwijzen.
5.15
De moeder heeft op haar beurt het hof verzocht de omgang te ontzeggen. Het hof zal haar in dat verzoek, gelet op artikel 362 Rv Pro, niet-ontvankelijk verklaren. Zij heeft in eerste aanleg geen zelfstandig verzoek gedaan en kan dat daarom in hoger beroep niet alsnog doen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarin het verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] is afgewezen, en vernietigen ten aanzien van de daarin vastgestelde omgangsregeling, en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
24 april 2025, voor zover daarbij een omgangsregeling is vastgesteld, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling af;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot ontzegging van de omgang;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. J.G. Knot en mr. B.J. Voerman, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 24 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.EHRM 15 juni 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0615JUD006290315 (Kurt/Oostenrijk)